HIV-THERAPIE MOGELIJK GEBAAT BIJ EEN INGEBOUWDE PAUZE

Intensieve behandeling met geneesmiddelen verdrijft bij HIV-positieve mensen het virus uit het bloed. Bij resusapen, besmet met het apen-aidsvirus SIV gebeurt dat ook. Onderzoekers uit Washington en Pavia hebben ontdekt dat de intensieve behandeling misschien te intensief is. Af en toe een pauze biedt het dier de kans om zijn eigen afweer in stelling te brengen. Dit kan een oplossing zijn voor het straffe behandelregime voor mensen met HIV.

De behandeling, die in jargon highly active antiretroviral therapy (HAART) heet, laat het virus ogenschijnlijk verdwijnen en verbetert de levenskansen van patiënten aanzienlijk mits zij zich heel precies aan een groot aantal voorschriften houden. Vaak lukt dat niet en kan het virus weer te voorschijn komen uit zijn schuilplaatsen in de lymfeklieren. Daarom wordt gezocht naar methoden om deze therapie draaglijker te maken. In dat kader stuitten de onderzoekers op een man uit Berlijn, die al kort na zijn HIV-besmetting met de HAART begon, de behandeling twee keer onderbrak en er na een half jaar mee ophield. Tijdens de eerste onderbreking, na drie weken behandeling, kwam er weer virus in zijn bloed. Drie maanden later, bij de tweede onderbreking, gebeurde dit niet meer. Anderhalf jaar na het therapie-einde was het virus nog steeds niet detecteerbaar, terwijl zijn bloed relatief veel (CD8-)afweercellen tegen het virus bevatte. Blijkbaar had hij er weerstand tegen opgebouwd.

Na een pilot bij drie HIV-positieve vrijwilligers volgde het onderzoek met de resusapen dat deze week in Science is gepubliceerd. Zeventien apen werden met SIV besmet en zes weken later in drie groepen verdeeld. Zes dieren kregen 21 weken continu HAART. Bij zes andere werd de behandeling om de drie weken voor drie weken onderbroken. De resterende vijf werden niet behandeld en dienden als controle. In de volgens voorschrift behandelde dieren daalde de hoeveelheid virus in acht weken tot onder de detectiegrens. Na het staken van de behandeling kwam het virus bij alle zes dieren weer opzetten. Bij drie dieren bleef het gehalte hoog, bij de drie andere verdween het weer. Was de behandeling onderbroken, dan werd het niet-meetbare niveau enkele weken later bereikt. Na beëindiging van de behandeling bleef het virus echter niet meetbaar, al trad bij twee van de zes dieren een kleine, voorbijgaande opleving op. Uit metingen van enkele immunologische parameters bleek dat de reactie van het afweersysteem op virussen die zich buiten de veilige lymfeknopen waagden, bij deze dieren feller was dan bij de dieren die ononderbroken waren behandeld. Het lijkt erop dat de pauzes in de behandeling het immuunsysteem dwingen zich te prepareren voor de strijd tegen het virus.