Haast met `dat Creoolse ding'

Een `modeldekolonisatie' wilde het kabinet-Den Uyl ervan maken, na het traumatische afscheid van Indonesië. En inderdaad, in Suriname vloeide geen bloed. De soevereiniteitsoverdracht werd aan de onderhandelingstafel geregeld.

Een kwart eeuw later is de republiek getekend door een lange economische crisis en een exodus naar Nederland. Hebben democratie en rechtsstaat zware klappen opgelopen. Voor hulp kan Suriname zich nog altijd slechts op één buitenland richten, het voormalige moederland. De `modeldekolonisatie' werd een mislukking.

Achteraf verwondert deze uitkomst niet. Zoals zovele Caribische landen is Suriname klein, wellicht te klein om levensvatbaar te zijn als onafhankelijke staat. Sinds de jaren zestig werden ook vrijwel alle Engelstalige landen in het Caribische gebied onafhankelijk. Het heeft ze weinig voordeel gebracht. Ideologisch en cultureel misschien, maar verder? De Frans-Caribische provincies, de Nederlandse Antillen en Aruba zijn dankzij hun postkoloniale reddingslijnen rijker dan de rest. Bovendien zijn de rechten van hun burgers beter gewaarborgd. Suriname ervoer het tegendeel. Toen Den Haag tien jaar geleden het lang nagestreefde doel opgaf om ook de eilanden naar de onafhankelijkheid te leiden, vormde de jongste geschiedenis van de republiek dan een zwaarwegend argument.

Helaas voor Suriname is het inzicht dat microstaten een hoge prijs betalen voor hun onafhankelijkheid pas later gerijpt. Het is achteraf onthutsend hoe weinig rond 1975 werd gesproken over de levensvatbaarheid van het land – althans door de voorstanders. De machteloze Surinaamse oppositie hamerde op de zwakke economie, de etnische verdeeldheid van het land en de geopolitieke kwetsbaarheid. Maar de Surinaamse nationalisten wilden zulke tegenwerpingen niet horen. De tijd was gekomen om afstand te nemen van de overheerser.

Nederland sprak het niet tegen. Rond 1970 had de Haagse politiek zich vrijwel Kamerbreed bekeerd tot het standpunt dat Suriname en de Antillen onafhankelijk moesten worden. De belangrijkste overweging daarbij was een ideologische. In het buitenland konden de Koninkrijksbanden worden versleten voor koloniaal, een schrikbeeld voor een gidsland in spe. Die opvatting getuigde overigens van een sterke overschatting van de belangstelling die de wereld voor Nederland en zijn ex-koloniën had. Ook riep het vrij hoge niveau van de ontwikkelingshulp steeds meer bedenkingen op. En ten slotte begon men zich zorgen te maken over de toenemende Surinaamse migratie naar Nederland, ook al woonden er hier toen slechts 30.000 Surinamers. Voordelen leverden de voormalige koloniën nauwelijks op. Conclusie: Nederland had niets meer te zoeken in het Caribische gebied.

Op Haags aandringen, vooral van de linkse oppositie, werd in 1972 een Koninkrijkscommissie opgericht om voorstellen voor nieuwe verhoudingen te ontwikkelen. Het werk vlotte niet. De Surinaamse en Antilliaanse delegaties bleken niet erg te winnen voor het idee van een onafhankelijkheid. Zij bewezen er wel lippendienst aan, om de Hollanders niet tegen de haren te strijken, maar altijd met de toevoeging dat een lange `overgangsperiode' onontbeerlijk was. De centrum-rechtse kabinetten onder De Jong en Biesheuvel hadden weinig moeite met deze opstelling.

Met het aantreden van het kabinet-Den Uyl in 1973 werd Den Haag plotseling ongeduldig. In het manifest Keerpunt 1972 stond zonder omhaal: `Suriname en de Nederlandse Antillen worden voor eind 1976 onafhankelijk'. Met het aantreden van het kabinet-Den Uyl lag de weg open om dit doel te verwezenlijken. Tot hun frustratie merkten ook Den Uyl en zijn jonge minister voor Ontwikkelingssamenwerking Pronk echter dat het animo overzee gering was. Het kabinet had een doel, maar geen breekijzers.

Dit veranderde met het aantreden van een nieuw Surinaams kabinet, onder leiding van Arron, dat in zijn regeringsverklaring van 15 februari 1974 stelde dat Suriname vóór 1976 onafhankelijk zou worden. Nu waren in beide landen mensen aan de macht die werk wilden maken van de dekolonisatie. In nauwe samenwerking togen ze aan het werk. Al snel bleek – een slecht voorteken – dat vrijwel alle wetgevende en bestuurlijke maatregelen in Den Haag moesten worden uitgewerkt. Ook werd steeds duidelijker dat de wens tot onafhankelijkheid voornamelijk leefde in het door creoolse partijen gedomineerde kabinet-Arron. Nederland effende het pad met steeds ruimere toezeggingen. Had het kabinet-Den Uyl aanvankelijk een bedrag van 1 miljard aan ontwikkelingshulp in gedachten, de uiteindelijke `bruidsschat' bedroeg ruim 3,5 miljard, zo'n 10.000 gulden per Surinamer. Den Haag aanvaardde bovendien een blijvende verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van Suriname. Ook werd toegestaan dat iedere Surinamer tot 1980 voor het Nederlanderschap kon kiezen.

De Hindoestaanse oppositie bleef fel tegenstander van de onafhankelijkheid, dat `creoolse ding'. Een referendum werd niet gehouden, maar bijna een derde van de bevolking stemde met de voeten door de wijk te nemen naar het moederland. Lang ontbrak zelfs de vereiste parlementaire meerderheid. Uiteindelijk werd een meerderheid van zegge en schrijve één stem gevonden. Pas toen dit duidelijk was schikte de oppositie zich in het onvermijdelijke.

De Surinaamse scheidslijnen van toen staan vandaag nog recht overeind. Jagernath Lachmon, nog altijd leider van de Hindoestaanse VHP, voelt zich `door de Nederlandse politiek in de steek gelaten'. Creoolse politici als de toenmalige premier Henck Arron en Ronald Venetiaan - toen minister van Onderwijs, nu voor de tweede maal president - blijven daarentegen tevreden dat `we eindelijk de zaak in eigen handen hebben genomen'. De oppositie haalt zijn gelijk, de voorstanders herhalen de argumenten van toen: in de standpunten zit al even weinig beweging als in de generatiewisseling in de oude Surinaamse partijen.

Het kabinet-Den Uyl wuifde bedenkingen al te luchtig weg. Daarbij kwam het goed uit dat het beleid in eigen land nauwelijks bezwaren opriep, behalve waar het ging om het migratievraagstuk, waarin Den Uyl slapheid werd verweten. Maar niets telde zwaar, zelfs binnen het kabinet. Volgens de toenmalige KVP-ministers Van der Stee en Lubbers zetten Den Uyl en Pronk het beleid uit. Van der Stee: ,,Er was bij Den Uyl en Pronk een heilige drang.' Lubbers: ,,Het was een tweemansshow.' De rest geloofde het wel.

In twintig maanden werd de onafhankelijkheid verwezenlijkt. De twee geestverwante kabinetten waren zich al te goed bewust van de vergankelijkheid van de politieke conjunctuur, en maakten daarom de grootste haast. Formeel slaagden zij. Maar had Den Uyl nu gelijk, toen hij achteraf de soevereiniteitsoverdracht tot de hoogtepunten van zijn kabinet rekende? Het is gemakkelijk om deze vraag nu ontkennend te beantwoorden, zoals de toen oppositionele VVD nu graag doet. (Bolkestein introduceerde hiervoor, conform Lachmon, de stelling dat Nederland Suriname heeft `geabandoneerd'.)

Maar er zijn tegenargumenten. Wellicht het belangrijkste is de gedachte-oefening wat zou zijn gebeurd als Den Haag zijn medewerking níet had verleend. Het lijdt geen twijfel dat het kabinet-Arron dan heftig verzet zou hebben georkestreerd, zoals Den Uyl bij zijn bezoek aan Suriname eind februari 1974 – de eerste keer dat hij in het land was – al te verstaan was gegeven.

Die waarschuwing was echter onnodig, maakte Den Uyl toen direct duidelijk. Natuurlijk, `de tijd was wel erg krap bemeten', maar het zou wel lukken. En uiteraard kon Suriname ook na de onafhankelijkheid rekenen op een `speciale hulprelatie', al was dat geen `blanco cheque'. Zo zou de opstelling van zijn kabinet blijven. Loyale, zelfs gretige medewerking. Het succes van het Nederlandse beleid lag vooral in het feit dat het hele proces vrij harmonieus verliep. Geen bloedvergieten, een genereuze Haagse opstelling, een oppositie die uiteindelijk, hoezeer ook met tegenzin, het feest meevierde. In die zin leek Den Uyl het Indonesische trauma af te schudden. Zichtbaar geëmotioneerd trok hij op die 25ste november in Paramaribo nog eens het boetekleed aan over eeuwen kolonialisme en hedendaagse welvaartsverschillen. Nu kon hij daartegenover stellen deze twintig maanden van succesvolle onderhandelingen: `geen pijnlijk proces, maar een scheppende bezigheid'. Zelfs Arron zegt achteraf dat dáár een sterke drijfveer lag: ,,Ik denk dat het voor Den Uyl zo belangrijk was, omdat Nederland het had verkwanseld met Indonesië.'

Uiteindelijk gaat het om de vraag of werkelijk serieus is nagedacht over de levensvatbaarheid van de republiek. En dan moet toch worden vastgesteld dat noch het kabinet-Arron, noch het kabinet-Den Uyl Suriname een goede dienst heeft bewezen. Nederland is er niet slechter van geworden. De meeste Surinamers in Nederland zijn vrij snel en goed ingeburgerd. De zo vaak gehekelde `bruidsschat' aan Suriname is nog slechts voor de helft uitbetaald, peanuts voor Nederland. Bovendien, een cynische overweging, was Suriname binnen het koninkrijk gebleven, dan was de hulp veel ruimer geweest. Deze argumenten staan echter wel heel ver af van de `modeldekolonisatie' waarvan Den Uyl ooit zei: ,,Het is de eerste keer in de geschiedenis dat een voormalig koloniserend land een ex-kolonie op die manier op de been helpt. Zo hoort het, maar het is uniek.'

Met de beste bedoelingen misschien, maar uiteindelijk toch om zélf een probleem buiten de rijksgrenzen te brengen ontdeed Nederland zich van Suriname. Met mooie woorden ook, zoals de Curaçaose schrijver Boeli van Leeuwen zich herinnert: ,,De tragiek van Suriname is dat het Nederland zo serieus nam. Als Nederland zei voor onafhankelijkheid volledig begrip te hebben, dan zag Suriname zich gesterkt. In plaats van dat Nederland zei: `denk aan de gevaren!' Nederland smeerde die weg met boter in.' In zijn ideologische blindheid onderkende ook het kabinet-Den Uyl die gevaren niet goed. Dat pleit het wellicht vrij van de beschuldiging van eigenzuchtig optreden, maar niet van haast en onzorgvuldigheid.

Binnenkort – als overeenstemming bereikt is met de overheid, de opdrachtgever, over het gebruik van archiefmateriaal – verschijnt van de auteurs de driedelige studie `Knellende Koninkrijksbanden. Het Nederlandse dekolonisatie- beleid in de Caraïben, 1940-2000'

    • Gert Oostindie Inge Klinkers