Engelen? Nou ja

De documentaire `Ajax: Daar hoorden zij engelen zingen' heeft in de grachtengordel enige beroering gewekt. De verzameling kunstpausjes, cabaretiers, media-adviseurs, columnisten en anderszins geletterden weet zich geen raad met de ontluistering van hun icoon. Dat heb je altijd met tegenslagen in opportunistische liefdes. Hanneke Groenteman bestierf het bijna van weerzin toen zij regisseur Roel van Dalen ondervroeg over zijn werkstuk. Hanneke werd opeens getroffen door het patina van duizend jaar moederschap. Ajax als miskraam: het zat diep.

Komt de ontreddering door de misleidende titel van de documentaire? Er had natuurlijk moeten staan `Ajax: Daar hoorden zij honden blaffen'. Maar zoveel versterving in jubel en liefde kon de regisseur, tevens Ajax-fan, niet opbrengen. De verpoëtisering van de Amsterdamse club moest in tact blijven.

De culturele Kroonraad van Amsterdam mag dan lichtjes geschokt zijn, de documentaire onthult niets. Alles wat vertoond wordt, is oud zeer. Dat het er op de veemarkt in Utrecht zachtzinniger aan toe gaat dan in de Ghanese drilkampen waar pupillen worden uitgebeend tot het ideale voetbalskelet is geen nieuws. Zo gaat het al jaren. De enige vraag die moest gesteld worden, werd niet gesteld. Wat heeft Ajax in Afrika te zoeken? Is neo-kolonialisme voor sportdoeleinden wél politiek correct?

Misbruik van kinderen in de randen van de nacht – mensenhandel dus – had al tien jaar geleden gesignaleerd kunnen worden. Toen Piet de Visser nog door de sloppenwijken van Brazilië struinde, links en rechts een balletje liet vallen, en, na keuring, alweer een trosje achtjarigen aan zich vastklitte met de belofte van een grootse carrière. Wie achter bleef, ging het verdere leven in met dode ogen, maar daar zat De Visser niet mee. Hij was tenslotte ook maar een gezant van hogere machten.

Dode ogen hadden ook de jongetjes die door de jeugdtrainer van Ajax afgewezen werden voor een toernooi in Barcelona. Het was een hondse mededeling, maar ook dat is niet nieuw. Ajax koestert de pedagogiek van de hardvochtigheid. De F'jes moeten wel weten dat ze bij deze Europese topclub in militaire dienst zijn. Ruigheid van bevel is de sleutel tot succes, heeft ooit iemand van de zogeheten Ajax-school bedacht. En dus wordt er flink ingehakt op het kinderlijke gemoed. `Dat is goed mijn jongen, voor later.' Voetbal met een menselijk gelaat: tijdens de jeugdopleiding kan het alvast niet.

In de documentaire probeert Ajax-voorlichter David Endt de van het veld gestuurde Chivu te troosten. Het had een innig tafereeltje in de kleedkamer kunnen worden, maar speler en bons schampten elkaar niet eens met de handen. Innigheid is de dictatuur Ajax vreemd. Bij de hooghartigste club van de wereld is zelfs troost herleid tot een befehlerige mantra. David Endt wist zich geen houding te geven: de voorlichter bleek mee versteend te zijn met de Ajax-cultuur.

Ooit, niet eens zo lang geleden, was David Endt een lieve man. Een vrolijke jood die voor geen goud en voor geen god met scherp zou schieten op de jongetjes van de intifada. Endt was de vrede zelve, lyrisch in zijn liefdes, mededogend voor zijn vijanden, vrijmoedig in de zelfkritiek. Eigenlijk een verdwaalde dichter die bekommerd is om kleine ongemakken als verkoudheid, een verzwikte enkel, een afgewezen blik, puistje op de kin. Maar de voorlichter werd directeurtje van iets van Ajax. En opeens begon ook hij de kilte van Kales na te spelen, de dikke nekkigheid van Van Praag, de marmeren leugens van Van Os. De schone slaapster in het kolonelsregime Ajax was een mannetje geworden. Niet een gevallen, een verrezen engel, maar nu dan in beton.

Voor de Hanneke Groentemans van deze wereld heeft de Ajax-documentaire een einde gemaakt aan het sprookje, aan het postzegelgeluk van Amsterdam en van Nederland. Ajax als geluksmodel is ontmaskerd. Nou ja, wie de hitte van de mens zoekt bij een beursgenoteerde club komt natuurlijk bedrogen uit. Het Ajax van de laatste jaren is business, mensenhandel, verraad, soms oorlog. De makers van de documentaire `Ajax: Daar hoorden zij engelen zingen' hadden net genoeg schaamte om het sprookje niet boven het menselijke karaat van de revolutie uit te tillen. Beide verslinden hun eigen kinderen.