Een lijfrente met gevoelsrendement

Komende maand komt er enkele honderden miljoenen guldens aan kapitaal vrij vanuit in het verleden gesloten lijfrente- of koopsompolissen dat omgezet moet gaan worden in lijfrente-uitkeringen. Wie daarvoor een beleggingslijfrente krijgt aangeboden moet niet alleen naar de voor-, maar ook naar de nadelen kijken.

Velen zijn in het verleden begonnen aan de opbouw van een lijfrentekapitaal. Voor een aantal mensen is de eindstreep van die opbouw nu bereikt en die krijgen bericht van de verzekeringsmaatschappij(en) dat er lijfrentekapitaal ter beschikking komt. Voor de een enkele tienduizenden guldens. Bij een ander gaat het om tonnen.

Zo'n kapitaal moet worden omgezet in periodiek te ontvangen lijfrente-uitkeringen. (Gebeurt dat niet en ontvangt de gerechtigde het kapitaal ineens dan volgen er fiscale `sancties'.)

Als een verzekeraar ten opzichte van dat kapitaal lijfrenten uit gaat keren dan gaat hij eerst na van welk leven – of welke levens – het doen van de uitkeringen afhankelijk wordt. Want dat is immers het principe van een lijfrente: de verzekeraar keert periodiek (per maand, kwartaal of jaar) een geldbedrag uit maar alleen als op dat moment het verzekerde lijf in leven is; of de verzekerde lijven in leven zijn. Zo niet dan stopt de verzekeringsmaatschappij met uitkeren. Naast het berekenen van de kans dat hij na overlijden van de lijfrentenier(s) kan stoppen, de sterftekans dus, zal de verzekeraar bedenken dat hij op het geld dat hij nog niet in lijfrenten heeft uitgekeerd een bepaald rendement zal kunnen maken. Maar hoeveel? Ook een verzekeringsmaatschappij heeft geen glazen bol.

Een ding is wel duidelijk: als de verzekeraar een bepaalde uitkering toezegt dan is hij via de wet verplicht om voldoende reserve aan te houden en solide te beleggen. Want de verzekeraar kan niet zomaar op een gegeven moment zeggen dat het geld op is. Voor veilig beleggen komt men al snel uit op vastrentende waarden.

De lijfrentenier die 200.000 gulden beschikbaar heeft en er voor kiest om gedurende bijvoorbeeld tien jaar een lijfrente te krijgen kan het aanbod ontvangen om op jaarbasis 25.000 gulden uitgekeerd te krijgen. Iedereen die wel met een zakjapanner of een spread-sheetprogrammma overweg kan maar geen rekening houdt met levens- en sterftekansen noch de kosten die in een dergelijke verzekering verwerkt zitten, kan het volgende bedenken. Aan het begin van de rit is er een pot van 200.000 gulden. Jaarlijks wordt er een bepaald rendement op gemaakt en er vervolgens geld (25.000 gulden) aan onttrokken: de lijfrente-uitkering. Op die manier krijgt men een indicatie van de zogenoemde `rekenrente'. Wie wat doorrekent komt in deze situatie op zo'n 4,3 procent. En dat lijkt weinig.

Om aan het ongenoegen over zo'n `lage' rentevergoeding tegemoet te komen bieden veel verzekeraars tegenwoordig beleggingslijfrenten. Het lijfrentekapitaal wordt gestopt in door de klant te kiezen beleggingsfondsen. Want beleggen kan meer rendement opleveren.

Er schuilt echter een forse adder onder het gras. Bij een offerte voor beleggingslijfrente wordt een aanname gedaan over het jaarlijkse gemiddelde rendement. Als die aanname gestoeld is op twaalf, tien of `een veilige acht procent' dan is het logisch dat de lijfrente-uitkering veel hoger oogt dan bij een gegarandeerde tegen een rente van vier à vijf procent.

Hoewel achteraf een gelijk gemiddeld rendement per jaar te berekenen valt, zal in de werkelijkheid bij belegging in effecten het rendement niet keurig ieder jaar hetzelfde zijn. Voorbeeld: wie nu voor vijf jaar 1.000 gulden opzij zet, er de eerste vier jaar nul-komma-nul rendement op maakt en in het laatste jaar 47 procent, heeft aan het einde van de rit 1.470 gulden. Achteraf gezien: het jaarlijkse gemiddelde rendement was acht procent. Maar na vier jaar was deze belegger echt niet blij.

Daarom zeggen deskundigen dat je bij beleggingen niet op korte, maar naar de lange duur moet kijken. En je moet geld beleggen, dat je niet op de korte termijn nodig hebt. Dit advies is strijdig met een lijfrente op basis van `belegging in aandelen'. Want velen die nu een kapitaal aan een verzekeraar toevertrouwen zien graag dat al vanaf de volgende maand of kwartaal er geld `terugkomt' via de lijrente.

Degenen die in december vorig jaar een lijfrente hebben afgesloten met een aan de AEX gerelateerde belegging zagen in maart dat hun geld na een kwartaal tussen de vijf en tien procent minder waard was geworden.

Het risico bij een tegenvallend rendement ligt volledig bij de lijfrentenier.

Wie toch in een beleggingslijfrente wil stappen moet dus veel verder kijken dan de mooie offerten. Er zal met de verzekeringsmaatschappij (en/of de adviseur) een beleggingsstrategie afgesproken moeten worden. Voorbeeld: accepteer een lijfrente die lager is dan bij een aangenomen rendement van tien of acht procent. Zet het kapitaal waaruit de lijfrente-uitkeringen voor de eerste vijf jaar moeten komen zodanig in vastrentende waarden weg of omkleed het met allerlei optieconstructies zodat er een redelijk zeker rendement wordt gehaald. Het overige geld kan wat risicovoller worden belegd. Tussentijdse koersfluctuaties op dat deel van het geld deren immers (nog) niet. Als inderdaad gedurende vier jaar het rendement nul zou zijn en in het vijfde jaar 47, dan is er immers na die vijf jaar een redelijk rendement van gemiddeld acht procent behaald.

Bij een een keuze over lijfrente-uitkeringen is goede voorlichting over de gevolgen bij een tegenvallend rendement en over de mogelijkheden om die consequenties zoveel mogelijk te voorkomen onontbeerlijk. De vraag is ook of de lijfrentier steeds de beurskoersen wil volgen. Een gegarandeerde lijfrente kan een rendement geven, dat zijn weerga niet kent; het gevoelsrendement dat de uitkering prettig leven en lekker slapen garandeert. En omdat een gegarandeerde lijfrente ook voor een verzekeraar minder bewerkelijk is en er dus in wezen minder kosten mee gemoeid zijn, kan het materiële rendement soms ook nog opwegen tegen een beleggingslijfrente.