BEDRIJVEN-FRANS IN UNIVERSITAIRE HOED

Wat kun je eigenlijk met Frans? In Utrecht besloot prof. Maarten van Buuren tot een duidelijk antwoord op die vraag: het bedrijfsleven in!

Ragne van Engelen (25) ambieert een ``leuke baan' bij een internationaal bedrijf. Tijdens haar studie ervaart ze nu al een beetje hoe dat is. Ze volgt een stage in Parijs, bij de dochteronderneming van de Nederlandse bierbrouwer Bavaria. ``Ik doe hier onderzoek naar de verschillen in de manier waarop Fransen en Nederlanders communiceren in het bedrijfsleven. Dat kan nogal uiteenlopen. Zo dachten ze hier in Parijs Nederlands bezoek te plezieren met een chic diner. Niet dat de Nederlanders het niet leuk vonden maar Nederlanders vinden poespas duidelijk veel minder belangrijk dan de Fransen.'

Ragne studeert Frans aan de Universiteit van Utrecht. Sinds 1998 is het daar mogelijk om na de basisvorming van twee jaar verder te gaan met het `tracé' 'Franse taal en cultuur in bedrijf en organisatie'. In tegenstelling tot de vijftien andere specialiaties die een student Frans kan doen, is dit programma er specifiek op gericht om mensen op te leiden voor een functie in het bedrijfsleven of (semi-)overheid.

Franse taal- en cultuurvakken worden in dit tracé gecombineerd met economiecolleges. Via stages bij bedrijven en organisaties in Frankrijk en Nederland wordt er daarnaast naar gestreefd om de theoretische opleiding te integreren met praktijkervaring. Het tracé is populair: vorig jaar zaten er dertien studenten in het vierde jaar. Ter vergelijking: in het vierde jaar van de traditoneel 'grote' specialisatie `vertalen' telde vier studenten. Het totaal aantal eerstejaars Frans is dit jaar 50.

Ragne is zeer tevreden. ``Ik denk dat je hiermee heel goed terecht kan in het bedrijfsleven. Je bent academisch geschoold, dus je hebt gestructureerd en analytisch leren denken. Aan de andere kant is zomaar een studie Frans niet voldoende. Met de extra vakken als juridisch Frans en algemene economie voeg je veel waarde toe aan de studie, volgens mij. En door de stages heb je ook praktijkervaring.'

De opleiding werd ontwikkeld door prof. dr. Maarten van Buuren, hoogleraar Europese Letterkunde aan de Universiteit van Utrecht. Het is zijn antwoord op de steeds dringender wordende vraag wat een student nu eigenlijk kan met een studie Frans, behalve leraar worden of de wetenschap in gaan: carrières die maar weinig studenten ambiëren. De vraag werd steevast gesteld bij open dagen, door de potentiële studenten en hun ouders. ``We hadden daar geen echt antwoord op. Natuurlijk hadden we wel een praatje. We zeiden: als uw dochter of zoon middeleeuwse taalkunde, 18e eeuwse letterkunde enzovoorts heeft bestudeerd, dan heeft hij intellectuele capaciteiten in huis die hij zo kan omzetten in praktijkgerichte bezigheden bij een bedrijf. Dan hoorde ik mezelf praten en dacht: dit is een antwoord van lik-me-vestje.'

cultuurdrager

Hij denkt even na en zegt dan: ``Het was een antwoord dat past bij het oude humaniora-ideaal. Het is het idee dat je met een studie letteren een basiskennis verwerft die jou inzicht geeft in de meest wezenlijk zaken. Dat idee hoort bij de functie die de universiteit dertig, veertig jaar geleden had: ongecultiveerde provincialen opleiden tot een cultuurdrager, een Cultureel Mens. Een studie Frans was daarbij niet meer dan een aanleiding. Je had net zo goed Engels of Duits kunnen studeren. Het ging erom dat je een academicus werd.' Die tijden zijn voorbij. Studenten verwachten niet meer van de universiteit af te komen als Cultureel Mens, ze verwachten Mens met een Leuke Baan in het Bedrijfsleven te worden. Van Buuren spreekt overigens liever van een `Maatschappelijk Georiënteerd Mens'. ``Je moet vertellen wat je einddoel is, waar je iemand voor opleidt. En dat is voor een studie vreemde talen steeds moeilijker om aan te geven.'

Van Buuren dacht dat hij met zijn idee voor een op de praktijk gerichte tracé veel weerstand zou ondervinden bij zich aan het humanoria-ideaal vastklampende collega's. Maar dat bleek mee te vallen. ``Natuurlijk zitten de docenten met hun prachtige specialisaties in bijvoorbeeld Oud-Middeleeuwse teksten of `de semantiek sinds Chomsky' niet te wachten op iemand die zegt: we moeten volgend jaar maar eens iets doen aan management in internationale ondernemingen. Maar zij voelden ook wel de druk van de vragen van studenten, de terugval van de studentenaantallen en de voortgaande bezuinigingsoperaties. Ik heb in die situatie gezegd: ik vind dat een studie Frans alle reden van bestaan heeft maar daarvoor moeten we het weer een bestemming geven in de maatschappij. En daar waren zij het mee eens.'

Van Buurens ideeën vonden ook gehoor op het ministerie van Onderwijs. Minister Hermans wil graag dat het hoger onderwijs in Nederland zich meer gaat richten op de vraag vanuit de samenleving. Het ministerie stimuleert de universiteiten om dit soort `duale trajecten' te ontwikkelen waarin de theorie en de praktijk geïntegreerd worden. Hierdoor zouden de opleidingen beter aansluiten op de beroepspraktijk In totaal 28 opleidingen kregen een subsidie om te experimenteren met een duaal traject. De opleiding Frans in Utrecht kreeg aldus als enige studie vreemde talen een ton subsidie per jaar voor het opzetten van een duaal traject binnen het tracé Franse taal en cultuur in bedrijf en organisatie. Binnen het traject, dat drie jaar duurt (na twee algemene basisjaren) zijn er twee `leerwerkperiodes' (stages) ingebouwd. Daarnaast is er ook een `reguliere' variant van het tracé dat een jaar korter duurt en maar een leerwerkperiode kent.

Volgend jaar loopt het experiment met het (vijfjarige) duale traject af en zal in Den Haag worden besloten of de duale trajecten levensvatbaar zijn. Wouter van Casteren, beleidsmedewerker op het ministerie van Onderwijs verwacht dat de duale trajecten vervolg zullen krijgen. ``We gaan erover praten in de Tweede Kamer. Daar zijn nog wel wat twijfels, voornamelijk over de vraag of het universitaire niveau wel gehandhaafd blijft bij zoveel focus op de beroepspraktijk. Er is een vrees voor hbo-isering.'

Ook Van Buuren en zijn collega's stelden zich de vraag wat nog het verschil is tussen de hbo en de universiteit als de laatste zich steeds meer richt op de beroepspraktijk. Van Buuren: ``Het tracé Frans in bedrijf en organisatie is wel degelijk van universitair niveau. In een eerste fase, die wordt afgesloten met een stage, leren de studenten de grondslagen van economie en cultureel management. Na die eerste fase zijn ze op hbo-niveau gekomen. Maar dan wordt er een universitaire `hoed' op gezet van een of twee jaar waarin de studenten een gebied uitdiepen, bijvoorbeeld vergelijkende economie of cultureel management. In het duale traject wordt die fase afgesloten met een stage waarbij de studenten binnen het desbetreffende bedrijf of organisatie onderzoek doen voor hun scriptie. De rest schrijft gewoon de scriptie op de universiteit.'

lachertje

Maar studente Myra Makovitz (21), die de specialisatie literatuur en cultuur volgt, vond de losse vakken die zij volgde bij het tracé wel degelijk beneden de (universitaire) maat. ``Ik vond het college Français des affaires (zakelijk Frans) een lachertje. Er wordt bijvoorbeeld uitgelegd hoe een telex werkt. Wordt er in bedrijven überhaupt nog met telexen gewerkt? Voor een ander vak moest ik een werkstuk maken over de Franse economie. Dat was middelbare school niveau. Het vak identité et politique culturelles vond ik daarentegen wel weer van een hoog niveau.'

Het grootste bezwaar dat Myra tegen het tracé heeft, is dat het zo algemeen is dat de afgestudeerden moeilijk een baan op hun niveau kunnen krijgen. ``Met een studie Frans kan je naar mijn mening later maar twee specifieke dingen doen: leraar of vertaler worden. Zo'n tracé Frans in bedrijf en organisatie is zo algemeen dat je daarmee niets anders kan worden dan een soort veredelde directiesecretaresse. Bedrijven hebben volgens mij veel liever iemand die een economische opleiding heeft gevolgd aan de universiteit of op een hbo. Dat kan dan nog altijd aangevuld worden met een cursus Frans.'

koning

Docent vergelijkende economie prof. dr. John Groenewegen denkt dat Franse en Nederlandse bedrijven juist zitten te springen om mensen die goed ingevoerd zijn in de Franse taal en cultuur en ook kennis hebben van de economie. ``Als bedrijven fuseren of een joint venture aangaan dan kunnen culturele verschillen voor grote problemen zorgen. De Franse bedrijfscultuur is erg specifiek. In verhouding met Nederlandse bedrijven zitten ondernemingen daar bijvoorbeeld op een hele hiërarchische manier in elkaar. De president-directeur général is de koning, terwijl hij in Nederland niet meer is dan een primus inter pares.'

Margo Westerbeek (23) loopt stage bij de Haut Conseil de la Francophonie in Parijs, een semi-overheidsorganisatie die zich bezighoudt met de Franse taal in de wereld. ``Geen enkele ambtenaar regelt hier zelf iets. Alles loopt via het secretariaat. Ik denk dat ik door dit soort ervaringen veel inzicht krijg in hoe het eraan toe gaat in Franse organisaties.' In het begin verveelde Margo zich omdat ze niet zoveel om handen had. ``Toen heb ik er zelf voor gezorgd dat ik wat te doen kreeg. Nu werk ik mee aan de organisatie van een congres over de autochtone bevolking in Franssprekende landen. Ik zoek op internet en in boeken naar teksten over het onderwerp. Dat vind ik leuk om te doen.'

Ragne heeft dezelfde ervaring met haar stage: ``Je moet zelf je werkzaamheden organiseren en pas dan wordt het interessant.' Ze denkt dat het na het afstuderen net zo zal gaan. ``Met deze studie kan je veel interessante dingen doen binnen een bedrijf. Maar dat hangt wel af van je eigen instelling, net als bij andere opleidingen. Als je er echt voor gaat, dan zal je die leuke baan wel krijgen, anders niet.'

    • Deedee Derksen