`Alleen in de details heb ik fouten gemaakt'

In Limburg gold hij als onverzettelijk en ijskoud, maar in Reykjavik beschrijven parochianen de bisschop als beminnelijk. Heeft IJsland Johannes Gijsen milder gemaakt? Over Roermond, drankzucht en de verlokking van een autoracebaan. `Als ik goedendag zeg is het genoeg.'

De bisschop kon kiezen. Een maagperforatie, een herseninfarct of een ernstige aandoening aan de darmen. ,,De dokter heeft gezegd: het is hooguit een kwestie van een halfjaar en dan bent u er geweest. Het was niet zo dat ik mijn werk niet meer zag zitten, maar het werd te zwaar. Ik werd ontzettend mager, heel moe en het lichaam functioneerde niet meer. Dan moet je stoppen.''

En dat deed hij. Van de een op de andere dag in januari 1993 legde monseigneur Johannes Mathias Gijsen (68 jaar) zijn functie van bisschop van Roermond neer. Eenentwintig jaar lang had de bisschop van Limburg er met zijn strikte stellingnames tegen zaken als abortus of euthanasie en vóór het celibaat alles aan gedaan om zijn kerk weer in lijn te brengen met de door Rome gewenste koers. Totdat hij erbij neerviel.

Maar kijk hoe de bisschop er nu bij zit. In 1995 kreeg hij de leiding over het ongeveer vierduizend katholieke gelovigen tellende bisdom IJsland. Deze maand is hij er vijf jaar werkzaam. In de eikenhouten woonkamer van het bisschopshuis van Reykjavik trakteert Gijsen op koffie met een royale schotel koekjes en snoept hij onophoudelijk van zijn pijp met Voortrekker-tabak. De monseigneur is ontspannen, goedlachs en openhartig.

Nederland is ver weg, in alle opzichten. De 275.000 inwoners van IJsland behoren voor ruim 95 procent tot de Lutherse staatskerk en ook anderszins is er weinig verwantschap met zijn vorige diocees. Gijsen kent het laatste parochienieuws uit Nederland ook nog niet. De KRO is een campagne begonnen om nieuwe invulling te geven aan de katholieke identiteit via posters met een Maria met ontblote borst en Hell's Angels in de kerk. De bisschop zucht diep en schudt het hoofd. Hij zwijgt. Pas na aandringen zegt hij: ,,Wat een dwaasheid.''

De bisschop is inmiddels nadrukkelijk geworteld op IJsland. ,,Bij de Olympische Spelen hebben we geloof ik twee medailles gewonnen'', zegt hij desgevraagd. ,,Een meisje met verspringen, dat weet ik zeker, en ook nog een jongen. Ik hoorde dat aan tafel want een van onze priesters is een sportfan.'' (IJsland won overigens één bronzen medaille bij het polsstokhoogspringen voor vrouwen, red.)

Aan tafel wordt regelmatig Limburgs dialect gesproken. Ook zijn vicaris, pater George, is Limburger. In 1903 kwamen Limburgse Montfortanen uit Schimmert naar IJsland om na 350 jaar afwezigheid de katholieke kerk opnieuw op te bouwen. Onder hen was de eerste katholieke bisschop na de reformatie in 1550 – toen de laatste katholieke bisschop Jón Arason met twee zonen werd onthoofd en de IJslandse gelovigen zich onder het gezag van de Deense koning stelden. Hij was nota bene een oudoom van Gijsen, Martin Meulenberg – een neef van zijn grootmoeder, die van 1929 tot 1941 bisschop was van IJsland.

,,Ik wilde altijd graag missionaris worden. Als kleine jongen van een jaar of vijf voelde ik die roeping al om het evangelie te verkondigen. Onze Lieve Heer heeft dat in me gelegd en dat is een geschenk. Dit is de vervulling van die jeugdroeping om missionaris te zijn in een land waar Onze Lieve Heer niet zo bekend is.''

Treindienstleider

Gijsen, geboren in het Brabantse Oeffelt, groeide op in Zuid-Limburg waar zijn vader werkte als treindienstleider. Hij was verantwoordelijk voor de treinenloop in de hele provincie Limburg. ,,Van hem heb ik de drang om precies te zijn. Ik wil de dingen exact hebben. Ook tijdens mijn studie geschiedenis (MO in Tilburg en kerkgeschiedenis in Bonn, red.) heb ik geleerd secuur te zijn. Niet ergens maar een slag naar slaan zoals Limburgers graag doen.''

Toch was het de sterke geloofsovertuiging die het won van zijn belangstelling voor de spoorwegen en de wetenschap. In 1957 werd hij priester en toen hij in 1972 op 39-jarige leeftijd benoemd werd tot bisschop was hij werkzaam als rector in een rusthuis voor zusters in Nunhem. Dat hij zo'n cruciale rol zou gaan spelen in de katholieke kerk verbaast hem nu nog.

,,De concrete invulling van de roeping is voor de geroepene niet zo belangrijk en niet zo interessant. Ik heb nooit de ambitie gehad om nou echt een voorname rol te spelen in die kerk. Ik ben geen type om aan de weg te timmeren'', constateert Gijsen en schiet in de lach. ,,Dat lijkt heel tegenstrijdig in het licht van alles wat er gebeurd is, maar het is echt zo. Toen ik bisschop werd, was ik verplicht duidelijk op te treden in een kerk die bezig was zichzelf te gronde te richten. Dat was de consequentie van de opdracht die ik kreeg.

,,Ik ben natuurlijk vreselijk onverstandig geweest. Dom in de menselijke zin van het woord door de wijze waarop ik te werk ging. Dat heb ik me ook altijd gerealiseerd. Ik had het mezelf makkelijk kunnen maken door te zeggen: fijn dat ik bisschop ben geworden en ik neem alles over zoals het is en we proberen verder te roeien met de riemen die we hebben. Maar dat kon niet want ik was geroepen het evangelie te verkondigen op een zo zuiver en duidelijk mogelijke wijze zodat de mensen wisten waar het om ging.

,,Toen de weerstand groot werd, heb ik wel eens gedacht: betekent dit niet dat je de verantwoordelijken in de kerk als zodanig, tot en met de paus toe, meer schade dan voordeel toebrengt? Moest ik niet zeggen: stuur een ander? Maar ik heb nooit gedacht: moet ik het anders doen. Dat kon ik niet.

,,Mij stond altijd voor ogen die passage uit het evangelie van Johannes, het einde van het zesde hoofdstuk, waarin Jezus heeft verkondigd: ik ben het brood des levens. En dat de mensen zeiden: nu verkondigt hij onzin. Dat zelfs apostelen gingen twijfelen. Maar Jezus gaf niet toe. Als iemand het niet geloofde, moest hij maar gaan. Dat is ook mijn overtuiging.''

Het volgen van zijn eigen opvatting, hoe controversieel ook, speelde volgens Gijsen vooral bij de door hemzelf in 1974 opgezette priesteropleiding met internaat in het seminarie Rolduc in Kerkrade. Een opleiding naast de volgens hem te vrijblijvende hogeschool voor theologie en pastoraat (HTP) in Heerlen. ,,Dat was een van de voornaamste breekpunten in het bisdom.''

,,Er waren mensen die zeiden: je moet jonge priesters gewoon het diepe ingooien en laat ze maar zwemmen. Zelfs bezoek aan de kerk was op de HTP niet verplicht. Het was allemaal heel vrijblijvend, er werd geen vorming gegeven. Degene die overleeft, haalt het en de anderen zijn toch eigenlijk niets waard, was de gedachte. Ik heb gezegd: zo kun je niet te werk gaan. Dat deed Onze Lieve Heer ook niet met zijn apostelen. Anders houd je niemand over. Of het is zo'n verfomfaaide priester dat je er niet veel mee kan aanvangen. Ik ben de boer opgegaan om mensen te vinden die mee wilden doen. Ik wilde priesters binnen één besloten kader vormen en dan pas uitsturen.

,,Achteraf is gebleken dat ik het niet onjuist had, als ik het voorzichtig mag zeggen'', zegt Gijsen. Hij wijst erop dat tijdens zijn bewind zo'n 125 priesters op Rolduc afstudeerden. Royaal meer dan in alle andere bisdommen tezamen. ,,En dat waren vaak geen jonge mensen die al bij voorbaat Christus en zijn kerk heel goed toegedaan waren. Mijn priesters kregen daar een goede vorming. Er ging ook wel een enkeling in de fout, maar er is een behoorlijke groep van overgebleven van wie je kunt zeggen: die staan echt voor het evangelie.''

Ook niet achteraf, van een afstand, vindt Gijsen dat er reden is te twijfelen aan zijn beleid dat de katholieke goegemeente jarenlang in vuur en vlam zette. ,,Niet dat ik alles goed heb gedaan, maar aan mijn grondovertuiging kan ik niet twijfelen want dat is de lijn van de kerk. Hooguit heb ik in de omgang met mensen niet die hartelijkheid en vriendelijkheid getoond die eigenlijk noodzakelijk was geweest. Alleen in de details heb ik fouten gemaakt.''

Aan het eind van het eerste onderhoud toont de bisschop de parochiezaal naast zijn woning. Priester Jürgen Jamin is net bezig het speelgoed op te ruimen waar de gemiddeld tien jaar oude misdienaars mee in de weer zijn geweest. ,,Oóóh, wat zou ik dat graag willen doen'', zegt Gijsen als hij op een tafel een grote autoracebaan ziet staan. ,,Maar ja, dat kan natuurlijk niet'', vermant hij zich. ,,Dat zou tijdverspilling zijn. Dan kan ik beter een goed geschiedenisboek lezen.''

Drankkegel

Het is nog donker en vrieskoud als Johannes Gijsen op de luchthaven van Reykjavik incheckt voor de vlucht van 450 kilometer naar Akureyri, zijn meest noordelijke parochie. De grijze koffer met de uit drie in elkaar te zetten delen bestaande bisschopsstaf – van zwart Afrikaans hout en een vergulde bovenkant – gaat mee als handbagage.

Op dit tijdstip, zondagochtend acht uur, sluiten in het centrum de talrijke nachtclubs, bars en disco's. De ergste kroegtijgers zoeken slingerend, schreeuwend en kotsend de weg naar huis. Boven downtown Reykjavik hangt zoals elk weekeinde een reusachtige drankkegel.

,,Dé nationale kwaal'', noemt Gijsen de voorliefde van veel IJslanders voor alcohol. Zijn kerk draagt bij aan de bestrijding van de drankzucht. Wekelijks bespreken zeventig leden van de vereniging Anonieme Alcoholisten in de parochiezaal hun problemen.

In de kerk zal Gijsen deze morele kwestie niet aansnijden. ,,Wat kan je ervan zeggen? De mensen die te veel drinken zitten toch niet in de kerk'', zegt de bisschop. ,,Het is net zo onzinnig als tijdens de mis klagen dat er te weinig kerkgangers zijn. Je kunt beter de mensen die wel gekomen zijn vriendelijk bedanken.''

De bisschop mag dan niet van opvatting zijn veranderd, hij is wel bescheidener geworden. In Nederland aarzelde de monseigneur niet om politici publiekelijk tot de orde te roepen. ,,Een katholiek politicus die meewerkt aan de legalisering van abortus moet op zijn minst eens nagaan of zijn geweten nog wel goed gevormd is'', zei Gijsen kort na zijn bisschopsbenoeming in 1972 – tot gruwel van de toenmalige Katholieke Volkspartij. In het archief van de grootste krant van IJsland, Morgunbladid (55.000 abonnees), is evenwel geen enkele opzienbarende uitspraak of handeling van Gijsen te vinden. De man die in Nederland gold als ijskoud, wordt in IJsland door zijn parochianen als beminnelijk omschreven. ,,Misschien ben ik dat ook. Ik heb me in Nederland nooit juist geschilderd gevoeld. Mijn opvattingen werden altijd gechargeerd.''

Maar tussen de protestantse Vikingen past natuurlijk ook een andere taakopvatting, geeft hij toe. ,,In Nederland praatte ik binnen het eigen gezin. Hier zijn voor mij de meeste mensen buren. En dat is heel iets anders. In het eigen gezin kun je zeggen: verdorie je hoort hier bij ons en dus heb je ook dit en dat te doen. Tegen de buren kun je alleen zeggen: laten we in vrede met elkaar leven. Als je wat van me wilt leren dan ben ik daartoe bereid. Zo niet, dan ga je eigen gang.''

,,Ach, we zijn hier ook een hele kleine minderheid. Dit land is volkomen geseculariseerd, veel meer dan Nederland. De polarisatie die Nederland in de jaren zeventig kenmerkte, was niet alleen maar een slecht teken. Het betekende dat er in het bewustzijn van veel mensen nog iets leefde wat overeenkomstig het evangelie was.

,,Daarom probeerde ik met name de mensen van goede wil, en die wat verleid waren en in verkeerde richting bepraat, om die terug te halen. De Limburger is namelijk in de grond van zijn hart een echt religieus mens. Hij kan misschien zonder God maar niet zonder Onze Lieve Heer. Dat wil zeggen: hij houdt niet van grote theologische redeneringen, maar hij wil wel vriendschappelijk met God omgaan. Dat zie je in de cultuur van het land. Op elke hoek van een veldweg staat een kruis. Daarom zijn Limburgers ook aanspreekbaar voor wat écht waar is en wat waardevol is in het geloof. Dat dit op het ogenblik niet de resultaten oplevert die we zouden verwachten, is vers twee. Maar goed, dat kan weer terugkomen.

,,In IJsland wil ik de mensen op een andere manier tot het geloof brengen. We moeten met een kleine groep het christendom met leer en leven present stellen zoals dit in het begin van het christendom gebeurde. We tonen andere levenspraktijken. De rest moeten we aan de genade van Onze lieve Heer overlaten.''

Visindustrie

In de intieme, prachtig houten kerk van Akureyri zijn voor de mis van elf uur de ongeveer vijftig zitplaatsen bijna allemaal bezet. Het gebouw is een woonhuis uit 1832 dat in juni voor een miljoen gulden verbouwd is. Akureyri telt 15.000 inwoners, zeventig ervan zijn katholiek. De hele parochie, een gebied even groot als Nederland, bestaat uit 400 mensen. Met wijwater uit een zilveren emmertje zegent Gijsen een nieuwe, in Duitsland aangeschafte icoon van Maria met kind. Het sneeuwt.

De mis is een zeer internationale aangelegenheid. De bezoekers zijn voor het grootste deel vrouwen van Filipijnse afkomst en Poolse mannen die in de visindustrie werken. Er zijn een paar IJslanders en er is een Belgische vrouw. Parochiepriester Patrick Breen komt uit Ierland.

De Nederlandse bisschop heeft zoals altijd zijn preek in het Duits opgeschreven. Die is vertaald en wordt door Gijsen in een redelijk accentloos IJslands voorgelezen. Als de gelovigen in de voor bijna iedereen vreemde IJslandse taal zingen, klinkt er een niet altijd even zuiver geluid.

De bisschop heeft erg zijn best gedaan zich de taal eigen te maken. Een gesprek voeren met een eilander blijft lastig, maar de krant lezen en het voorlezen van een IJslandse tekst lukt. Het gaat hem in ieder geval beter af dan de vorige, Amerikaanse bisschop. ,,Die las ook zijn tekst voor in het IJslands en dan zeiden de mensen na de mis: wat spreekt de bisschop toch een merkwaardig Engels.''

De preek gaat vandaag over het belang ,,van de op de liefde voor God gebaseerde naastenliefde''. Gijsen roemt twee hedendaagse `heiligen'. Moeder Teresa uit Calcutta en paus Johannes de 23ste ,,die de kerk een nieuw, vriendelijk en goedmoedig gezicht heeft gegeven''.

Een pikant onderwerp uit de mond van de man die door zijn tegenstanders nadrukkelijk het verwijt kreeg dat hij de vriendelijke kerk veranderde in een kil, autoritair instituut. Het is volgens de bisschop onzinnige kritiek. ,,De aard van de mens wordt te zeer verwisseld met de inhoud van de boodschap. De mensen moeten maar eens de dagboeken van Johannes de 23ste lezen. Hij was namelijk uiterst strikt over de inrichting van het dagelijks leven.''

En dat Gijsen inderdaad niet veranderd is als het gaat om de rechtlijnigheid van zijn opvattingen, blijkt als hij desgevraagd antwoord geeft op de vraag waarom naastenliede pas echt telt als het is gegrondvest op het geloof in God.

,,Anders komen we tot valse naastenliefde. Zoals ouders die hun kinderen te veel verwennen. Of een dokter die zegt dat hij een vrouw helpt door een ongewenste zwangerschap te beëindigen. Dat kan nooit uit echte naastenliefde gebeuren. Het doden van ongeboren leven is immers gruwelijk intolerant.''

Gijsen mag dan meer ontspannen zijn dan tijdens zijn bewind in Roermond, de bisschop heeft nog steeds grote moeite met de rol van vriendelijke herder. Als na afloop van de mis de gelovigen in de parochiezaal geanimeerd een gebakje of flensje nuttigen, loopt Gijsen zichtbaar ongemakkelijk, verlegen rond. Hij zegt een paar woorden en trekt zich dan terug voor een gesprek met de man die de kerk verbouwde.

,,De mensen verwachten ook niet dat ik echt een gesprek met ze begin. Als ik goedendag zeg is het al genoeg'', zegt Gijsen. Dat ze het misschien leuk vinden als hij bij hen aan tafel komt zitten of ze vriendschappelijk op de schouder slaat, lijkt hem onwaarschijnlijk. ,,Zoiets moet je dan wel kunnen. Mij is dat nu eenmaal niet zo gegeven. Ik zou het wel willen, maar het lukt niet altijd.'' En even later voegt hij eraan toe. ,,Alleen de mooie jongen spelen, vind ik ook niet zo belangrijk. Het is belangrijk dat de boodschap goed overkomt.''

Hoe lang hij die nog blijft uitdragen, zegt Gijsen niet te weten. ,,Dat weet je nooit. Dat hangt van de paus af. Ik denk dat dit mijn laatste klus is.'' De monseigneur is in ieder geval nog niet van plan de paus om pensioen te vragen. ,,Dan denk ik dat de paus mij uitlacht. Letterlijk hoor. Dan zegt hij: zoals u er uitziet en met uw jeugdige leeftijd... U bent pas 68 en ik ben 80. Zo praat hij, echt. Neen, dat kan niet en dan ben je uitgepraat.''

Misschien ligt er nog wel iets hogers in het verschiet. Kardinaal? Bij die suggestie schiet de bisschop in een langdurige lachstuip. ,,Neen. Neen. Neen. Kardinaal is een heel apart genre. Ik zie 't al gebeuren. Stel je voor, dan wordt Nederland te klein. En arme paus, wat zou die niet allemaal te horen krijgen? Ik denk trouwens niet dat Rome aan deze uithoek een kardinaal zal willen verknoeien. Neen, ik ambieer echt niets meer.''

    • Marcel Haenen