Zweeds koningschap is goed voorbeeld voor Nederland

De Zweedse monarchie laat zien hoe het Nederlandse koningschap gemoderniseerd kan worden. In Zweden is de kroondrager losgekoppeld van de regering en daardoor van de politieke macht. Zo wordt voorkomen dat de erfelijke monarch keuzes maakt – bijvoorbeeld bij kabinetsformaties – waarvoor deze de legitimatie mist, vindt J.M. de Meij.

In Zweden heeft men bij de grondwetsherziening van 1974 het koningschap ingrijpend gewijzigd. De Zweedse koning is nu alleen staatshoofd en maakt geen deel meer uit van de regering. Is de Zweedse koning hierdoor tot een lintenknipper gedegradeerd, of is dit een goed voorbeeld gezien de recente discussie over het koningschap in Nederland?

Het Zweedse stelsel zou in ieder geval het kabinet ontlasten van de voortdurende zorg voor het geheimhouden van de mening van de kroondrager over politieke zaken. Die geheimhoudingsplicht wringt thans meer dan de vrees voor doorzetting van de eigen wil. De Zweedse oplossing bevrijdt ook de minister-president van diens verantwoordelijkheid voor wat de kroondrager doet of laat. In Zweden krijgt de koning bij een ongelukkige handeling of uitspraak zelf de kritiek van de media over zich heen.

Het Zweedse koningschap heeft een veel langere traditie dan het Nederlandse. Al in de Vikingentijd kende men gekozen koningen, maar pas in 1534 onder Gustav Wasa werd een erfelijk koningschap ingevoerd. Hij regeerde over het gebied van het huidige Zweden en Finland, maar in de napoleontische oorlogen moest Finland aan Rusland worden afgestaan. In 1809 kwam een grondwet tot stand waarin de macht werd verdeeld tussen koning en Rijksdag (het parlement). De Franse maarschalk Jean Baptiste Bernadotte werd door de koning als zoon geadopteerd en besteeg in 1818 de troon als Karl XIV Johan. Persoonlijke invloed van de koning op de vorming van kabinetten en het gevoerde beleid bleef bestaan tot de definitieve doorbraak van het parlementaire stelsel in 1917. De grondwet werd echter niet aangepast.

In 1954 werd een commissie ingesteld om de constitutie te moderniseren, maar haar voorstel uit 1964 inzake de koning werd door critici als een versterking van diens positie aangemerkt en een nieuwe grondwetscommissie werd aan het werk gezet. In augustus 1971 werd een compromis bereikt over de positie van de koning. Deze zou worden gehandhaafd als staatshoofd, maar niet langer mogen beschikken over taken waaraan politieke macht is verbonden. Hij zou daarom geen deel meer uitmaken van de regering en bij de kabinetsformatie zou de voorzitter van de Rijksdag de leidende rol krijgen. De conservatieve partij accepteerde het voorstel om de positie van de koning niet in gevaar te brengen en de sociaal-democraten gingen akkoord omdat een verdere discussie over de positie van de zeer populaire koning tot verlies bij de verkiezingen zou leiden. Er bestond wel consensus over de noodzaak tot modernisering van het koningschap.

De nieuwe grondwet werd in 1974 aanvaard en de jonge koning Karl XVI Gustav, die zijn in 1973 overleden grootvader opvolgde, zou er een eer in hebben gesteld de nieuwe grondwet te mogen ondertekenen. De positie van de koning is geregeld in hoofdstuk 5 `Het staatshoofd', dat slechts een summiere regeling bevat. Zo wordt de functie van symbool voor de eenheid van het rijk slechts in de toelichting genoemd, evenals de representatieve en ceremoniële taken. Het staatshoofd is de voornaamste vertegenwoordiger van het rijk ten opzichte van andere landen. Hij brengt staatsbezoeken aan andere landen en ontvangt buitenlandse staatshoofden en andere personen. Diplomaten worden bij hem geaccrediteerd. Volgens de grondwet moet de minister-president het staatshoofd op de hoogte houden van de aangelegenheden van het rijk. ,,Wanneer hieraan behoefte bestaat'' vergadert de regering met het staatshoofd, waarbij deze laatste als voorzitter optreedt. In de praktijk gebeurt dat drie keer per jaar en er heeft een bijzondere vergadering plaats ter gelegenheid van een regeringswisseling.

De koning ontmoet de Rijksdag bij de jaarlijkse zitting, die door hem wordt geopend (zonder troonrede), maar hij fungeert ook als voorzitter van de Raad voor Buitenlandse Zaken, een adviescollege van parlementsleden dat overleg voert met de regering. Dit met het oog op de informatieverwerving door het staatshoofd voor zijn representatieve taken in de relaties met andere landen. De koning krijgt titulair de hoogste militaire rang, om zijn symboolfunctie ten opzichte van de krijgsmacht te kunnen vervullen.

De wijzigingen van 1974 zijn algemeen aanvaard. Wel is in 1979 de troonopvolging ook voor vrouwen opengesteld. De populariteit van de koning en zijn gezin is niet minder geworden. Bij een recente opiniepeiling bleek 64 procent voor handhaving van de monarchie en 16 procent voor invoering van de republiek. Men ziet de koning als een overheidsfunctionaris met een aantal belangrijke taken. De symboolfunctie wordt onderstreept. Koninklijk bezoek bij bijzondere gebeurtenissen, vooral ook bij rampen, wordt belangrijk gevonden.

In hoofdlijn is het Zweedse monarchale stelsel een goed voorbeeld voor Nederland. Bij de recente discussies ging het vooral om de deelneming door de kroondrager aan de regering. Wat moet er gebeuren als de mening van de koningin afwijkt van die van het kabinet? Volgens sommige staatsrechtdeskundigen moet de kroondrager toegeven als de minister-president persisteert. Anderen zeggen dat de koning(in) daartoe rechtens niet verplicht is. In de recente discussie is gezegd dat de ministers maar sterke knieën moeten hebben en dat bij langdurig dwarsliggen door de kroondrager een `buitenstaatverklaring' kan volgen. Die oplossing is niet reëel, want een dergelijke crisissituatie zal het kabinet proberen te vermijden. Dat versterkt echter weer de positie van de kroondrager. In de praktijk gaat het anders, aldus H.A. van Wijnen in zijn boek `De macht van de kroon'. De minister-president moet voortdurend samenwerken met de koningin en dat leidt tot een situatie van geven en nemen.

Die deelneming aan de regering is voor de kroondrager overigens een zware taak, gezien de vloed van wetten en besluiten. De koningin bereidt zich met behulp van een legertje adviseurs zeer serieus voor op regeringsbeslissingen. Is er in een democratische samenleving echter nog wel behoefte aan een geheime medespeler en controleur?

De kabinetsformatie hoeft zonder de huidige rol van koning(in) in ieder geval niet trager te verlopen. Onder leiding van de voorzitter van de Rijksdag blijkt men in Zweden tot snelle formaties in staat. De voorstellen van de commissie-Biesheuvel uit 1984 gingen overigens al een eind in de richting van het Zweedse stelsel door de verantwoordelijkheid duidelijk bij de Kamer te leggen. Bij de behandeling van de notitie-Kok vorige maand kwam er helaas slechts een slap aftreksel hiervan uit de bus.

De scheiding van taken tussen regering en staatshoofd wordt in Zweden ook belangrijk geacht voor de duidelijkheid van het constitutionele systeem. Onze grondwet wekt nog steeds de verkeerde indruk van een machtige koning. Het Zweedse monarchale stelsel is voor het publiek veel beter te begrijpen.

Mr. J.M. de Meij is hoogleraar Nederlands en vergelijkend staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel is een bewerking van het preadvies dat hij schreef voor de Conferentie Monarchie en Republiek, die vandaag aan de Universiteit van Amsterdam is gehouden.