Ziel met een rugzak vol poëzie

Elfriede Jelinek houdt van spelletjes. Vooral van spelletjes met de taal. Woordgrapjes en rijmpjes, geknutsel met citaten en vermenging van platvloerse en verheven stijlen: altijd heeft Jelinek wel een geinig idee. Soms blijkt die speelsheid een vruchtbaar procédé. Wanneer? Nou gewoon: als Elfriede iets te zeggen heeft, iets dringends. Zoals in Der Wanderer, een korte prozatekst die zij publiceerde in de vorig jaar verschenen en inmiddels in het Nederlands vertaalde bundel Macht nichts (Geeft niet).

`Der Wanderer', dat is een lied van Schubert. `Der Wanderer', dat is de vader van de schrijfster. Haar moeder redde hem, een jood, uit de klauwen van de nazi's, maar zijn geest bleef niet ongeschonden; hij stierf in een Weens gesticht.

Der Wanderer is een sensibele hommage aan een sensibel mens. Een man in de winter van zijn leven krijgt hier het woord, een dolende ziel met een rugzak vol poëzie. Dat hij gek is weet hij maar al te goed, hij kan er alleen niets aan doen. `Als ik van tevoren had kunnen vermoeden hoe dat is, jezelf kwijtraken, dan had ik mezelf liever meteen weggegooid', zegt hij. Bij het groeien van zijn onmacht neemt zijn strijd tegen de chaos steeds heroïscher proporties aan. De berg Dementissima móet hij beklimmen, maar hoe? Zijn oplossing is even dwaas als geniaal: `Ik heb hem [de berg] hier in mijn kamer neergezet, om hem in alle rust te bestuderen.'

In deze monoloog gaat Jelineks taalgeknutsel een effectieve alliantie aan met de verbale creativiteit van schizofrenen. De tekst verrast, ontroert en zingt. `Ik antwoord niet, ben weinig froh, ik ben een vreemde sowieso.' `Deze weg is geloof ik speciaal voor mij uitgelegd zonder dat ze mij dat hebben uitgelegd.' `De zonne koud. De bloem verwelkt. Het leven oud.' Alles in Der Wanderer is grappig: het gerijm, het geciteer, het spel met betekenissen. En alles is serieus. Want de auteur nam de moeite om zich in te leven in een personage. Een getikt personage weliswaar, maar o zo menselijk in zijn vertwijfelde poging om greep op zichzelf en de wereld te krijgen.

Hoe anders is dat in Jelineks nieuwe boek Gier. Vierhonderdtweeënzestig bladzijden zonder een spoor van inleving, dat is een moedig waagstuk. Laten we maar meteen duidelijk zijn: het waagstuk is mislukt. Omdat Jelinek dit keer niets heeft te zeggen. Omdat ze het nietszeggende ook nog eens halfslachtig vormgeeft. Mensen interesseren haar in Gier geen zier en toch wil ze niet van hen afzien. Zeker niet van degene die het dichtst bij haarzelf staat: de vertelster. Die vraagt telkens de aandacht, zodat de rest verbleekt. Heel in de verte ontwaren we het personeel. Een al wat oudere vrouw, een meisje, een diender.

De diender, ofschoon gehuwd, begeert zowel de vrouw als het meisje. De vrouw misschien nog iets meer, want zij heeft een huis waar hij op aast. Begeerte en hebzucht: voilà de betekenis van de titel. Maar een titel verschaft nog geen inhoud.

In haar inmiddels elf jaar oude bestseller Lust kreeg Jelinek ons zover dat wij, zolang het lezen duurde, ons kotsend van mannen en hun geilheid afkeerden. In Gier doet de Oostenrijkse schandalenuitlokster niet eens de móeite om ons op te hitsen – tegen het patriarchaat of tegen wat dan ook. Verdwenen is de kolkende woede. Gebleven is een ordinaire fascinatie voor sadisten – maar zelfs die heeft erosie geleden.

Niemand hoeft slapeloze nachten te krijgen van de moordende en verkrachtende provincie-politieagent Kurt Janisch. Hoe goed zijn Kerli, Stiermarks voor lid, ook functioneert, tot leven komt noch de seks noch het geweld. De ondertitel, `Ein Unterhaltungsroman', is dan ook zeer misleidend. Zodra er een verhaal dreigt te ontstaan, kapt Jelinek, ondanks haar geflirt met sjablonen uit thrillers, de handeling rücksichtslos af. Dan dringt de vertelster zich weer aan ons op, met jolige opmerkingen als: `Beter kan ik het helaas niet. Staat u alstublieft stilletjes op en ga naar huis, daar ligt vast een boek dat het beter kan.' Wat een lol: behalve met de taal speelt de schrijfster ook met de lezers! En wat een lef: haar almacht zet haar aan tot het maken van grappen over haar onmacht!

Dat laatste kun je alleen ongestraft doen als je er zeker van bent dat niemand je tegenspreekt. Kortom: Elfriede Jelinek heeft zichzelf grandioos overschat. Niet der Wanderer is krankzinnig maar de van iedere zelfkritiek gespeende maakster van Gier.

Elfriede Jelinek: Geeft niet – een kleine trilogie van de dood. Uit het Duits vertaald door Ria van Hengel. Querido, 95 blz. ƒ27,50

Elfriede Jelinek: Gier – Ein Unterhaltungsroman. Rowohlt,

462 blz. ƒ63,-