We hebben niet geluisterd

`Mijn lieve meneer Kousbroek, er is een mensendrama aan de gang.' Arnon Grunberg antwoordt Rudy Kousbroek en H.J.A. Hofland, die in het CS betoogden dat de commercie de cultuur bedreigt.

Terwijl ik het maatschappijkritische opstel De grote Satan van Rudy Kousbroek las, (CS 17.11) kon ik het giechelen niet onderdrukken. Even vroeg ik me af of Kousbroek wellicht woordvoerder van de Taliban uit Afghanistan was geworden. Zijn boutade tegen Amerika, de commercie en de vrije markt had ook uitgesproken kunnen worden door Taliban-leider Mullah Muhammed Omar. Het moest de heer Kousbroek dan ook van het hart dat ayatollah Khomeiny een profeet en een ziener was, die heel goed in de gaten had waar de grote Satan woont: in Amerika. Ik dacht, in de volgende alinea lees ik: `Zoals de grote denker en filosoof Julius Streicher, helaas ondergewaardeerd in Nederland, reeds opmerkte: de bankiers in de Verenigde Staten zijn ons ongeluk.'

Maar Streicher hoefde Kousbroek er niet meer bij te slepen, het bleef bij de ayatollah. Uit betrouwbare bron hoorde ik dat de heer Kousbroek ooit een intellectueel baken was voor de intelligentsia van Nederland. Helaas was dat voor mijn tijd. Kousbroeks begrijpelijke wens de lezer wakker te schudden en te provoceren mondt uit in schouderklopjes voor de ayatollah. De wanhoop moet hem overmeesterd hebben. Hoe moeilijk Kousbroek mij het met zijn artikel ook maakt, ik zal mijn vijand serieus nemen. En dan blijkt het opstel van Kousbroek het verslag te zijn van een angstige, woedende en machteloze man. Angstig omdat hij de wereld niet begrijpt. Woedend omdat de wereld niet is zoals hij hoopte. En machteloos omdat hij niet het gevoel heeft enige invloed op de wereld uit te kunnen oefenen. En daarom Satan maar voorzien van een adres en een postcode. Kousbroek reageert op de zesdelige serie van Hofland over engagement en gevaar. Ook die serie leek, tot mijn verbazing, geschreven door een angstige en machteloze man, die de vijand naderbij ziet komen. Maar die vijand maar niet kan benoemen. En daarom beweert de lelijkheid, de vrije markt en de `talentloze narigheid' als een tank te zien oprukken. Overigens, wat is het verschil tussen narigheid en talentloze narigheid? Hofland en Kousbroek doen mij denken aan Josef K.

Josef K. werd beschuldigd.

Hofland en Kousbroek vrezen in staat van beschuldiging te worden gesteld, maar ze weten niet wie dat zal doen, en daarom beschuldigen ze maar zelf. Ze vrezen dat er geen plaats meer voor hen is in deze wereld, en daarom moet de wereld verworpen worden en afgeschilderd als een onderzeeboot die recht op zijn ondergang afkoerst. (Kousbroek: `Hoe komt het dat niet iedereen zo langzamerhand wel inziet dat het een weergaloze ramp wordt met dat vrije marktmechanisme?')

Ik heb weinig geruststellends over de mens te zeggen, en ik twijfel er niet aan dat wij onszelf vroeg of laat zullen uitroeien, maar dat is te weinig reden voor chagrijnig proza. En precies daarvan beschuldig ik Kousbroek.

Als je door zijn niet erg geestige hyperbolen heenkijkt, houd je het chagrijnig proza over van een oude man die de wereld de schuld geeft dat hij zelf niet weet hoe een strippenkaart werkt. Want waar de mens ook aan ten onder gaat, niet aan de vrije markt, niet aan de commercie, niet aan Hollywood, niet aan Walt Disney, niet aan McDonald's, ook niet aan b-acteurs die president worden.

Van de zomer hoorde ik in Zwitserland aan het meer van Locarno een Nederlandse mevrouw een soortgelijk verhaal houden als dat van de heer Kousbroek. Alleen had ze het niet over Amerika, maar over de zigeuners en de Turken. Ze gaf Satan een ander adres, maar de woede en de machteloosheid waren hetzelfde. Karel van het Reve was oud maar niet chagrijnig. Als Kousbroek Karel van het Reve beter had bestudeerd, had hij in een van de essays van Van het Reve kunnen lezen hoe onzinnig het is om te beweren dat het vroeger beter is. Hoe stompzinnig het is te poneren dat `alles verslechtert'. Dat zeggen chagrijnige oude mannen al eeuwen, en als het waar is, hadden we allang en masse aan de tering moeten sterven. Van het Reve schrijft in Was vroeger alles beter?: `Naarmate je ouder wordt, wordt je leven minder leuk, en daarom ben je geneigd te denken dat alles minder leuk wordt.' Dat lijkt mij een plausibele verklaring voor veel van Kousbroeks misvattingen. Kousbroek had, als hij langer had nagedacht, zijn eigen naam niet hoeven te besmeuren met de ranzigheid van dat gezellige ouderwetse anti-Amerikanisme. En het moet maar eens gezegd, ranzig is het.

Zoals de borreltafelpraat over zigeuners, Turken, joden, Marokkanen, uitkeringstrekkers en asielzoekers ranzig is. Dezelfde machteloosheid, dezelfde verongelijktheid, dezelfde slachtoffermentaliteit. Kousbroek kan zo aanschuiven aan de Stammtisch. Een mening over alles, gebaseerd op niets dan vooroordeel en onwetendheid. Of op welk wetenschappelijk onderzoek baseert Kousbroek zich als hij pleit voor een Staatspostkantoor?

Misschien houdt Kousbroek niet van concurrentie, misschien vindt hij dat ordinair. Volgens hem `wordt er misbruik gemaakt van het gebrek aan wetenschappelijke kennis bij het grote publiek'.

Ik vermoed dat hij bedoelt dat hij misbruik maakt van dat gebrek aan kennis. Overigens, wanneer is kennis wetenschappelijk? Kousbroek gelooft dat in de `postmoderne wereld' – wat is dat voor wereld? – een `systematische hersenspoeling' plaatsvindt, waardoor we ons alleen met `schijnproblemen' bezighouden en we bijvoorbeeld vergeten dat `op het hoogtepunt van het varkensdrama dagelijks tienduizenden biggen werden gedood'. Over schijnproblemen gesproken. Ik geloof dat het beter is dat dagelijks tienduizenden biggen worden gedood dan dat één mens zijn been verliest.

We hebben Voskuil al, die dacht als ik geen Jezus kan zijn voor de mensen, dan maar voor de varkens. En wellicht dat Kousbroek dacht, nou dan kan ik mooi de Maagd Maria voor de varkens worden. Van iemand die de ayatollah als profeet ziet, kun je alles verwachten.

Mijn lieve meneer Kousbroek, er is een mensendrama aan de gang. Het varkensdrama is dan inderdaad een schijnprobleem. En dan die pose van buitenstaander, van intellectuele toeschouwer, die niet alleen Kousbroek aanneemt, Hofland had er in zijn stukken over het engagement ook een handje van. De wereld is hun overkomen. Ze stonden erbij en ze keken ernaar. En ze hebben ons gewaarschuwd, vanaf de kansel, zoals Kousbroek opmerkt in een zeldzaam moment van zelfkennis. Maar we hebben niet geluisterd.

Kijk. Of je gaat in de innere Emigration. Met boeken van Balzac, Heine, Malaparte en Babel, je creëert je eigen wereld, je doet de gordijnen dicht. Daar heb ik alle respect voor. Maar dan moet je niet vanaf de kansel op een huilerige toon gaan roepen dat je beschermd wil worden tegen de zakenmannen. Tegen wie? Tegen de zakenmannen. Ja, Kousbroek wil beschermd worden tegen de zakenmannen. Die mevrouw in Zwitserland wilde beschermd worden tegen zigeuners, dat soort mensen heb je.

Of je gaat niet in die innere Emigration, en dan moet je niet janken als de wereld minder overzichtelijk blijkt te zijn dan toen je voor het eerst een boekje van Sartre las. Dan moet je niet doen alsof de wereld je is overkomen als een verkoudheid, waaraan je niets kunt doen, en waar je verder ook niets mee te maken hebt. En dan moet je ook niet Nokia en AOL als de barbaren aanwijzen die op onze poort kloppen, alleen omdat je te laat was met het kopen van aandelen AOL en Nokia.

Kousbroek noemt een paar medestrijders, en de namen die hij noemt zijn veelzeggend. Michel Houellebecq, de Franse schrijver. Hij heeft aardige romans geschreven, maar ideologisch is hij iets minder consistent dan Streicher. Tegen de vrije markt, maar Houellebecq laat zich wel groot voor The New York Times Magazine interviewen in zijn huis in Dublin en valt voor de ogen van de journalist dronken met zijn hoofd in de soep in slaap.

Want je hoeft alleen maar tegen de vrije markt te zijn als de anderen er beter van worden, word je er zelf beter van, mag je de ideologie tijdelijk opzij schuiven. Dat is de derderangs studentenromantiek waar Kousbroek dol op is. Tegen Amerika, tegen de zakenman, met je hoofd in de soep in slaap vallen. Ja! Creatief, moedig, een bohémien, niet?

Mevrouw Dubravka Ugresic is blijkbaar ook een medestrijdster van Kousbroek. Haar humanisme kan adequaat worden samengevat als verbale liftmuziek. Ik ben mild in haar geval. Kousbroek schrijft: `Hij (Huxley) vreesde dat de waarheid ten onder zou gaan in een zee van irrelevante bijzaken.' Kousbroek mag nu toch wel weten dat waarheid per definitie ten onder gaat in een zee van irrelevante bijzaken. Dat alleen de waarheden van ayatollahs van alle gezindten nooit ten onder zullen gaan in die zee van bijzaken, omdat ze Waarheden met een Doel zijn en dwars over alle bijzaken heen marcheren om dat doel te bereiken.

Ik bezing de vrije markt, want commercie is de beste voortzetting van oorlog met andere middelen die we ons kunnen wensen. Ik bezing Walt Disney en McDonald's. Want de meeste mensen moeten worden afgeleid en beziggehouden. En zij die op een adequate manier voor afleiding zorgen, verdienen lof. Misschien vindt Kousbroek het wenselijker dat de mensen zich afleiden door op het dorpsplein te kijken hoe Kousbroek gevierendeeld wordt, want niets erger dan een familiefilm van Disney, niet?

Wie de afleiding van Disney niet bevalt, kan bijvoorbeeld Balzac lezen en alles te weten komen over de aasgier die in de mens woont. In het land van de duivel, Amerika, zijn meer boeken van Balzac in vertaling verkrijgbaar dan in Nederland. Maar misschien spannen Balzac en de duivel wel samen tegen Kousbroek. Misschien zijn Balzac en de duivel bezig ons `systematisch te hersenspoelen'. Wij kunnen rustig Balzac lezen, omdat de mensen die geen boodschap hebben aan Balzac, in de bioscoop naar de pulp van Disney kijken en relatief tevreden op hun popcorn kauwen.

Daarom zeg ik: meer popcorn. Meer Disney. Dat is de beste garantie dat zij die niet elke dag popcorn willen eten en niet elke dag een soap willen zien, relatief ongestoord de boeken kunnen lezen die ze willen zien, in de restaurants kunnen eten waar ze willen eten, en de artikelen kunnen schrijven die ze willen schrijven.

Zonder dat een of andere ayatollah het volk de weg meent te moeten wijzen. En het is geen enkel probleem dat slechts weinigen zich verdiepen in pakweg een liefdesgedicht van Heine. Het zijn altijd maar weinigen geweest. Wie de mens wil opvoeden, zal andere pedagogische wegen moeten bewandelen dan die van Kousbroek. Want met Kousbroek als onderwijzer heb je geen boekverbranders meer nodig. En het is een leugen dat er dankzij Disney geen mooie films meer worden gemaakt, het is een leugen dat er geen mooie boeken meer worden geschreven omdat de vrije markt als een hyena achter ons aan zit, het is zelfs een leugen dat er uit Hollywood alleen maar stront komt.

Duizendmaal liever zie ik dat de rijkdom als een halfgod wordt aanbeden, dan dat het opperwezen als een echte God wordt aanbeden. In Afghanistan zijn geen televisies, er is geen McDonald's, en de talentloze lelijkheid van de moderne kunst zul je er ook tevergeefs zoeken. Exil zoeken in Afghanistan zou een oplossing voor de heren kunnen zijn.

Kousbroek wil dat de politiek ons beschermt tegen de zakenmannen. Alle zakenmannen? Of alleen de multinationals? En dan alleen het bovenkader of ook de kantinejuffrouw? De politiek. Als ergens de woorden `talentloze narigheid' op van toepassing zijn, dan toch wel op de politiek.

De aasgier die in de mens woont zal door meer staatseigendom alleen maar roofzuchtiger worden. De voorbeelden zijn er en Kousbroek behoort ze te kennen.

`De commercie is de vijand van alles, en dus ook van zichzelf', schrijft Kousbroek. Jezus Christus, dan word je zo oud, dan bedien je je nog van een quasi-anarchistische strijdkreet uit de brugklas. En zelfs tegen een brugklasser zou je zeggen, doe dit eens over.

Kousbroek is de vijand van alles, en dus ook van zichzelf. Dat is een leugen. Maar dat Kousbroek wel degelijk een vijand is van zichzelf, blijkt uit zijn meer recente proza. En even verderop in zijn artikel komt de aap uit de mouw.

`Jeugd! Jeugd! is een schuilnaam voor commercie', schrijft Kousbroek, `Jeugd! Houdt niet van lezen.'

Aha. De jeugd is de vijand.

En de fietsers zijn ons ongeluk.

We kennen deze machteloze retoriek, we kennen deze uitroeptekens, lieve meneer Kousbroek.

Als u niets meer te zeggen heeft, zwijg. In plaats van melige Volksverhetzung te bedrijven.

Laten we bidden dat de politiek ons niet zal beschermen en ons niet zal vertellen wie de barbaren zijn en wie niet.

Laten we bidden dat de stompzinnigheden van Kousbroek nooit waarheid zullen worden.

Laten we bidden dat Kousbroek beseft dat hij misschien een roman moet schrijven over een oude verongelijkte man die niet weet hoe een strippenkaart werkt, maar dat hij het essay een tijdje moet laten voor wat het is.

Als de duivel in Amerika woont, dan is Nederland de voortzetting van het Roergebied met andere middelen en Kousbroek een Messerschmitt 109, bezig aan zijn laatste noodlanding.