Van Krimpens intuïtie leidt tot overvloed

Laat ik dit voorop stellen: Wim van Krimpen heeft de wandschildering van Sol LeWitt, die bij de recente restauratie van het Gemeentemuseum Den Haag door de toenmalige directeur Hans Locher uit het trappenhuis was verwijderd, weer teruggebracht, en dat is prachtig. Het is een van de beste werken van LeWitt, met die spannende, ingenieuze verdeling van vier vlakken over drie wanden, de complexiteit van de verschillende richtingen in de compositie, en de strenge beperking tot zwart/wit. De muurschilderingen van Niele Toroni, Günther Förg en Gunter Tuzina zijn eveneens teruggebracht.

Daarnaast is er de mooie expositie (tot 14 januari) Het oor streelt het oog, muziek in de Japanse prentkunst. Hier zijn 18de- en 19de-eeuwse houtsneden die muziek tot thema hebben, uit de collectie van het Gemeentemuseum, samengebracht met Japanse muziekinstrumenten, eveneens uit de eigen collectie. De tentoonstelling is een vreugde voor het oog, en bovendien zeer instructief.

Alle aandacht aandacht echter, van zowel het publiek als van het museum zelf, gaat uit naar de eerste tentoonstelling van Wim van Krimpen, op 1 september j.l. aangetreden als directeur. Onder de titel Pleidooi voor intuïtie maakt hij zijn statement over de collectie schilder- en beeldhouwkunst van het Gemeentemuseum, en geeft hij aan wat zijn plannen zijn voor het in de nabije toekomst te volgen beleid. Daarbij valt op dat Van Krimpen de inrichting van Locher, vanaf Rodin, de Impressionisten en de Haagse School tot en met Mondriaan, ongemoeid heeft gelaten. Of dit nu betekent dat hij die inrichting gewoon goed vindt, of dat hij geen affiniteit heeft met de oudere kunst, zal nog moeten blijken.

Gezien het feit dat Pleidooi voor intuïtie de eerste klaroenstoot is van de nieuwe directeur van het Gemeentemuseum Den Haag is het wel wat merkwaardig, omdat juist de collectie 19de eeuwse schilderkunst van hoog niveau is. Je mag verwachten dat een directeur op dit punt zijn positie wil bepalen. Het accent van het nieuwe beleid zal blijkbaar komen te liggen op de hedendaagse, voornamelijk Nederlandse kunst.

De titel Pleidooi voor intuïtie wil duidelijk maken dat voor Van Krimpen `intuïtie en ervaring de uitgangspunten zijn voor het maken van keuzen voor kunstenaars en kunstwerken', aldus de begeleidende informatie. Uit de museumcollectie selecteerde hij onder meer werken van vertegenwoordigers van Minimal Art als Carl Andre en Donald Judd, en van anderen als Bruce Nauman, Co Westerik, Rob Birza en Berend Strik. Dit vulde hij aan met werken uit zijn privéverzameling, van bijvoorbeeld Martin Disler, Förg en Rob van Koningsbruggen, en met werken van jonge kunstenaars (veelal nog in hun eigen bezit), zoals fotograaf Koos Breukel en keramist Hella Jongerius.

`Intuïtie' blijkt vooral een excuus te zijn om niet na te hoeven denken en geen overwogen keuze te hoeven doen. Op deze tentoonstelling gaat het vooral om de kwantiteit en om `verrassende' nieuwe verbanden. De hypersubjectieve, oppervlakkige verbandjes van Van Krimpen maken in het geheel niets duidelijk over de getoonde kunst. Voor wie niet vertrouwd is met de ontwikkelingen in de kunst van de afgelopen decennia is er geen beginnen meer aan om er nog iets van te begrijpen.

`Begrip' doet er kennelijk niet toe, en van de bezoeker wordt niet méér verwacht dan dat hij zijn blik even laat glijden langs deze zinloze verzameling van voorwerpen. Het roept in herinnering wat Hofland onlangs in deze krant schreef: `Na 1990 [...] is binnen een paar jaar (voor degenen die `meedraaien in het maatschappelijk proces') de laatste schaarste vervangen door overvloed. En dit is een bijzonder soort overvloed die meer van hetzelfde belooft.'

Een bijzonder soort overvloed die meer van hetzelfde is: dat is precies wat deze tentoonstelling laat zien. Het oorspronkelijke en specifieke gaat verloren in het meer, meer, meer.

Zelfportret als clown van Wouter van Lieshout hangt naast een infantiel verkleedhoekje (`installatie') van Erik van Lieshout, en Floor van Keulen schilderde een weeë salonvariant van graffitischilderkunst, waarvan Van Krimpen vindt dat dit het wel goed doet tegenover werk van Bruce Nauman. Birza, Karel Appel, Jan Schoonhoven, een heel slecht beeld van Rob van Koningsbruggen (aangekocht), een onbenullig fantasieschilderij van Gé Karel van der Sterren dat de gruwelijke loopgravenoorlog uit 1914-18 tot onderwerp zou moeten hebben, bouten van Armando en The holy Family van Ramon van der Werken het maakt niet uit, alles wordt genivelleerd tot plaatjes. De enige werken die enige weerstand weten te bieden zijn van Donald Judd en Carl Andre.

Daarbij doet Van Krimpen aan schaamteloze zelfpromotie door in wandtekstjes te vermelden dat die en die kunstenaar toen al exposeerde bij galerie Van Krimpen. Wim van Krimpen is zijn carrière in de kunstwereld begonnen als galeriehouder. Zijn intuïtie betekent: geen kwaliteit onderscheiden, niet inhoudelijk reflecteren, je niets gelegen laten liggen aan historische continuïteit, en de afwezigheid van ieder vorm van zelfkritiek.

Tentoonstelling: Pleidooi voor intuïtie. T/m 14/1/01 in het Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Open: di t/m zo 11-17 uur.