Twee heren stappen voort

De schrijver Jacob van Lennep wandelde in 1823 met een adellijke vriend door een veranderend Nederland. Ze kregen maar één keer ruzie: over de schoonheid van ruïnes.

Twee heren in een leeg landschap. De een, een opgewekte jongeman van 21 jaren, de ander een wat nurkse vier jaar oudere graaf. Het jaar is 1823, het land Nederland. Gedurende drie maanden maakten ze voor hun plezier een enorme voettocht door het land. Van Amsterdam door Noord-Holland en vandaar per vissersschuit over de Zuiderzee naar Friesland. Daarna ging het naar Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Zeeland en weer terug naar Holland. Beiden hielden een dagboek bij en schreven brieven; de graaf maakte zelfs tekeningetjes in zijn schetsboek. Het meeste materiaal is bewaard gebleven en deze reis leent zich dan ook uitstekend voor een reconstructie en daarmee voor een tijdopname van Nederland in 1823.

De vrolijke wandelaar was Jacob van Lennep, `Ko' voor intimi, later advocaat, lid van de Tweede Kamer en auteur van talloze historische romans. Zijn reisgenoot was Dirk van Hogendorp, pas afgestudeerd in de rechten; hij zou het schoppen tot raadsheer aan het Provinciale Hof van Zuid-Holland.

Het dagboek van Van Lennep, waarvan een afschrift zich in het Gemeentearchief van Amsterdam bevindt, werd in 1942 uitgegeven; in de jaren zestig verscheen een herdruk. Vergeten is het werk dus allerminst, maar de huidige uitgave wijkt op een aantal punten van de oude af. Ten eerste omdat de vroegere uitgave niet volledig was en ten tweede omdat na rijp beraad besloten is deze maal niet het oorspronkelijk Nederlands te handhaven, maar om een `hertaling' te maken. Marita Mathijsen heeft er een soepele wandeling op papier van gemaakt. In deze krant (Wetenschap & Onderwijs 11.11.2000) heeft ze uiteengezet op welke onverwachte moelijkheden je stuit bij een taal die elke Nederlandse lezer herkent, maar die toch onbegrijpelijke woorden en zinsconstructies bevat.

Het jaar 1823 valt in een periode waarin Nederland nog maar langzaam verandert. Het tamelijk jonge koninkrijk, met België als een vervreemde stiefbroer eraan vastgeplakt, begon te revitaliseren onder leiding van een energieke generatie ambtenaren en ondernemers. Maar in het landschap van de twee wandelaars was daar nog niet veel van te zien. Veel steden in het westen, vaak in verval, veel platteland in het oosten, slechte verbindingen, geen spoorwegen, maar nog heel veel trekschuit. Dat het land in verandering was spreekt allerminst uit dit dagboek.

Dat ligt ten eerste aan de belangstelling van Van Lennep. Hij heeft meer oog voor het oude, voor oude gebouwen in de steden, voor buitenplaatsen, voor grafmonumenten en opschriften (later zou hij ook een tweedelig standaardwerk over Nederlandse uithangborden en gevelstenen publiceren). Toch, ondanks die antiquiserende belangstelling siepelt tussen zijn regels door dat hij in een land in ontwikkeling heeft gelopen. Hij ziet en passant sporen van het werk aan de nieuwe infrastructuur, zoals de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal en van nieuwe verharde wegen.

De twee jongeheren stapten stevig door. Ze moeten een enorme tas met aanbevelingsbrieven in hun ransel hebben meegetorst, want in elke stad bezoeken ze notabelen: burgemeesters, juristen, predikanten, hoge ambtenaren, leden van de adel, vaak academievrindjes van Van Hogendorp of van diens vader. Dat heeft tot gevolg dat ze vooral met personen van de elite in aanraking komen en maar zelden, of hooguit per toeval met mensen uit de lagere klassen. Nog steeds is Nederland een duidelijke standenmaatschappij. Wel bezoeken ze armeninrichtingen en Van Lennep doet op schrijnende wijze verslag van de toestanden die daar heersen.

Modder

De ontmoetingen met de bovenlaag van de samenleving staan in contrast met hun alledaagse wijze van reizen. Ze gaan te voet met een ransel op de rug, de bagage wordt doorgaans apart meegestuurd. De heren zijn niet lui, maken flinke dagmarsen met alle ongemakken van de ware wandelaar: modderige wegen, slechte herbergen, happende honden, blaren en vlooien. Maar dat neemt niet weg dat zeker bij Ko de stemming er altijd in blijft. Een flesje rijnwijn in het logement, een flinke portie karbonades, een mooie jongedame die daar ook logeert, dat soort dingen kikkert hem altijd weer op. Van Hogendorp, `mijn koele reisgenoot', voortdurend van zijn stand bewust, heeft het er moeilijker mee.

De verhouding tussen de twee lijkt aan het eind van de reis te verslechteren. Ze maken zelfs een keer ruzie. Niet eens over een praktisch probleem, zoals een reis die doorgaans oplevert, maar over een cultuurhistorisch onderwerp, namelijk de vraag of ruïnes wel `schoon' zijn. De inhoud van die ruzie wordt helaas niet vermeld, maar waarschijnlijk verdedigde Van Lennep de schoonheid van de bouwval. Hij is het die ook voortdurend de natuur prijst. Dat doet hij met twee criteria. Het landschap kan ten eerste `schoon' zijn omdat het nuttig is. Het land is goed voor de koeien en schapen, of vruchtbaar voor haver en rogge; de bossen leveren hout op. Maar tegelijkertijd heeft hij ook een andere kijk op de natuur. Hij ontpopt zich als een visuele romanticus, die zo nu en dan ook losbarst in bevlogen dichterij. Dan bezingt hij de `deftige eiken' met hun `groene loverdos'. En net zoals wij nu wel eens een mooi uitzicht vergelijken met een ansichtkaart, zo vergelijkt hij de natuur met een schilderij. De kunst stuurt hier dus heel direct het kijken.

Lopen met Van Lennep geeft een levendig beeld van Nederland, gezien door een elitaire bril. Het is geen `inspectiereis', zoals de inleiding stelt, daarvoor zijn de indrukken te impressionistisch. Het was een plezierreis en het verslag staat in een lange traditie van dit soort reisverslagen, al beschikte niet iedere reiziger over Van Lenneps literaire pen.

Landmeter

Deze uitgave is helaas niet het definitieve boek over deze reis geworden. Daarvoor zou men ook Van Hogendorps journaal opgenomen moeten hebben. Dit staat wel op het internet (www.negentiende-eeuw.nl). Maar afgezien daarvan lijdt het boek aan twee tekortkomingen. Het bevat maar een beperkt aantal voetnoten; de uitgave zou veel aan waarde gewonnen hebben wanneer de genoemde personen waren geïdentificeerd en meer van het beschrevene was verklaard. Zo moeilijk is dat niet. Wat doet die landmeter in de herberg in Bolsward, met wie ze een paar flessen wijn soldaat maken? Een verwijzing naar de wijze waarop Nederland toen in kaart werd gebracht had deze man in perspectief gezet. De schilder die ze in Leeuwarden bezoeken is Willem Bartel van der Kooi en enkele beschreven portretten hangen in openbare collecties en zouden gewoon afgebeeld moeten zijn. Dat brengt ons op het tweede manco. In dit goed vormgegeven boek staan zestig illustraties, waarvan bij nadere beschouwing blijkt dat minstens de helft niet uit de tijd van de wandeling dateert. Een marge van tien jaar is aanvaardbaar, maar niet van tachtig jaar. De bijschriften ontberen bovendien regelmatig de namen van de kunstenaars of een jaartal.

Uit dit dagboek blijkt Jacob van Lenneps hang naar het verleden. Hij refereert nogal eens aan de glorietijd van de zeventiende eeuw, waarin zijn roman Ferdinand Huyck uit 1840 speelt. Van Lennep beschrijft daarin de lotgevallen van zijn held die uit Italië terugkeert. In Nederland reist hij door het Gooi waar hij logeert op `het fraaie lusthof' Guldenhof. Dit stukje van zijn reis is nu na te bewandelen met een leerzaam en verzorgd gidsje in de hand. Daarin worden zowel de geografische eigenaardigheden als de geschiedkundige wetenswaardigheden van deze streek uiteengezet. Nog steeds kan men er lopen langs sporen van de dorpseng en de banscheiding en over stuifzanden en heide. Voor de rest moeten we het doen met de doeken van de negentiende-eeuwse landschapsschilders, die even gefascineerd raakten door veld en bos, lover en lommer als Jacob van Lennep.

De RVU heeft naar aanleiding van dit boek een negendelige documentaire gemaakt, die vanaf aanstaande woensdagavond wordt uitgezonden (Nederland 3; 20.30 uur)

Geert Mak en Marita Mathijsen (bezorging): Lopen met Van Lennep. De zomer van 1823.

Dagboek van zijn voetreis door Nederland.

Waanders, 288 blz. ƒ49,50

Lucas Bezembinder en Hans Renes: In de voetsporen van Jacob van Lennep. Historisch-geografische wandeling in het Gooi.

Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, 27 blz. + kaarten, ƒ21,50