Stinkend naar genie

,,Hij stonk naar genie.'' Zo herinnerde de Parijse schilder Jean-Louis Forain zich Arthur Rimbaud. Mooi gezegd, je proeft in die woorden de mengeling van ontzag en ontzetting die de vriendenkring van de dichter Verlaine moet hebben gevoeld, toen hij in 1871 zijn nieuwste ontdekking uit de provincie aan hen voorstelde. Rimbaud was een onmogelijk rotjoch, vuil en gemeen, en toch was er bijna niemand in de artistieke bohème van Parijs die zich niet aangesproken voelde door zijn plotselinge aanwezigheid, die zijn eigen artistieke aspiraties en overtuigingen niet voelde wankelen onder de blik van die helblauwe ogen. Zijn vreemde gedichten waren grotendeels onbegrijpelijk, maar ze sloegen niettemin in als een bom. Verlaine's vrienden hadden zich prettig uitverkoren gewaand, zich aan hun vaste tafeltjes in de cafés gekoesterd in hun kunstzinnige gemeenzaamheid – en toen was daar Rimbaud. De geur die hij verspreidde was niet alleen die van de goot, of van de mest van het platteland waar hij vandaan kwam, hij moet ook naar zwavel geroken hebben.

Literaire tijdbommen

De Engelse biograaf Graham Robb citeert Forain dankbaar in zijn nieuwe biografie, want die geniaal stinkende Rimbaud is ook zijn Rimbaud. Niemand heeft zó'n vernietigende en bevrijdende invloed op de cultuur van de twintigste eeuw gehad, volgens Robb. De schok die Verlaine's vrienden kregen toen de kwaadaardige tienerdichter zich aandiende, was slechts een voorproefje van wat de Europese cultuur te wachten stond. Zijn gedichten, `Le bateau ivre', het geheimzinnige klinkersonnet `Voyelles' en de bundels prozagedichten Un saison en enfer en de Illuminations, zijn `literaire tijdbommen' gebleken. Rimbauds leven heeft de mythe van de dichterlijke rebel in het leven geroepen, de jongensachtige ziener, heen en weer geslingerd door vernietigingsdrang en de neiging tot zelfdestructie. Er zijn weinig jongens die tijdens hun adolescentie die gevoelens niet moeten ondergaan en een onderzoek op de Franse lycées begin jaren negentig heeft uitgewezen dat een op de vijf jongens zich met Rimbaud identificeerde. Ook Robb zelf ziet de ontdekking van Rimbaud en zijn gedichten als een van de beslissende invloeden tijdens zijn jongensjaren. Ze brachten geen verlies van onschuld, maar eerder `een besef dat onschuld veel meer mogelijkheden biedt dan je dacht.'

Is Rimbaud wel een onderwerp voor volwassenen, vraagt de biograaf zich af. Hij geeft meteen het antwoord: `Ik heb tenminste geprobeerd Rimbaud volwassen te laten worden.' Robbs Rimbaud is een poging om het leven van Rimbaud als een geheel te zien, om zijn tweede helft, de schimmige Afrikaanse jaren, waarin hij de literatuur had afgezworen, op gelijke hoogte naast die hel verlichte, mythische episode van zijn dichterschap te zetten.

Bovendien is zijn biografie een oefening in demystificatie. Rimbauds levensverhaal is overbekend, de wilde kinderjaren in Charleville met de botte moeder en verdwenen vader, de ontsnappingpogingen naar Parijs, de heftige relaties met Verlaine, het schot in de Brusselse hotelkamer, het zwerven over de wereld, de verloren laatste jaren als handelaar in een donkere uithoek van Afrika en een hopeloze dood – het is allemaal zo vertrouwd dat het een cliché dreigt te worden. Niet weer Rimbaud! Maar Robb heeft met eerdere boeken over Balzac en Victor Hugo bewezen een van Engelands beste biografen te zijn en hij lijkt zich eerder uitgedaagd te hebben gevoeld door de overvloed aan boeken over Rimbaud. Vol overgave stort hij zich niet alleen op de bekende feiten, maar ook op de door tijdgenoten en latere bio- en hagiografen verdraaide feiten en zet ze met een elegant tikje weer in het gelid. In Robbs Rimbaud wordt niets voor kennisgeving aangenomen. Anders dan zoveel van zijn voorgangers ontfermt deze biograaf zich niet over de dichter. Hij treedt hem en zijn tijdgenoten tegemoet met een gezonde dosis scepsis, stelt bij de al te mythische episodes consequent nuchtere vragen en gaat geen debat uit de weg. Het resultaat is niet een totaal andere Rimbaud dan we kennen uit recente biografieën, en gelukkig ook geen alledaagse, ontraadselde Rimbaud. Het is eerder een dieper geëtst portret, waarbij empathie nu eens niet verward wordt met pathos. Robbs Rimbaud is dan misschien wel een tragische figuur, die zijn grootse, wilde dichtersvisie ziet verkruimelen, maar hij is allesbehalve zielig. En, belangrijker, hij is niet romantisch.

Nietsontziend, dat eerder. In de beroemde brief die Rimbaud op 17-jarige leeftijd aan zijn vriend Paul Demeny in Douai schreef (`Ik zeg dat je ziener moet zijn, jezelf tot ziener moet maken'), geeft hij het veel geciteerde recept van zijn dichterschap: de ontregeling van alle zinnen. Maar dat staat er niet, zegt Robb, er staat letterlijk `een langdurige, mateloze en beredeneerde ontregeling van alle zinnen.' In dat beredeneerde schuilt een eigenschap van Rimbaud die de romantici graag over het hoofd zien, zijn koelbloedigheid. De ontregeling van de werkelijkheid, het herscheppen van de werkelijkheid werd op alle niveaus met een moedwillige hardheid doorgevoerd. En met humor. Robb geeft twee voorbeelden van Rimbauds boosaardigheid die volledig in overeenstemming zijn met zijn poëtische programma: tijdens een koude winter sneed hij zorgvuldig het glas uit de vensters van de vriend waar hij tijdelijk onderdak had gevonden, bij een andere gelegenheid trok hij zich af boven een glas melk van een andere vriend, die even de kamer uit was. Degenen die later geamuseerd geschokt het verhaal doorvertelden dat Rimbaud in dat glas gepist had, hebben niets van hem begrepen, stelt Robb terecht. Sperma en melk – de ontregeling van de werkelijkheid was een subtiele zaak.

Rimbaud was geen hemelbestormer maar een wereldbestormer. Hij erkende geen enkele werkelijkheid. Zijn politieke overtuigingen waren al gauw het anarchisme voorbij, alles moest op een gegeven moment vernietigd worden. Ook zijn homoseksualiteit heeft van begin tot eind (er was een einde aan, na het debacle met Verlaine zijn er geen overtuigende bewijzen van seksuele contacten met andere mannen gevonden), iets berekenends; zijn luid verkondigde seksuele uitspattingen met mannen waren doelbewuste daden van verzet, geen gevolg van zoiets onveranderlijks en passiefs als een geaardheid. Zijn ontketende gedichten moesten de werkelijkheid niet weergeven, ze moesten haar op een gegeven moment ook niet meer veranderen, ze moesten de enige werkelijkheid worden. `Ik is een ander', schreef hij in die andere beroemde dichtersbrief, maar beter kun je zeggen dat in Un saison en enfer en de Illuminations de ik telkens weer iemand anders is, of niet eens meer iemand, maar alleen taal. Robb stelt min of meer dat het afgelopen was met Rimbauds dichterschap toen de kloof tussen taal en werkelijkheid gedicht was, al was het afscheid volgens hem veel minder abrupt en doelbewust dan altijd naar aanleiding van Un saison en enfer is verondersteld.

Gewiekst

Rimbauds Afrikaanse jaren zijn door veel biografen verwaarloosd, omdat ze in die periode in het voormalige genie niets anders dan een lege huls herkennen. Dat beeld werd al eerder bijgesteld in Somebody Else, Rimbaud in Africa (1997) van Charles Nicholl, maar Robb ziet in die laatste periode van Rimbaud niets anders dan een voortzetting van dezelfde levenshouding, alleen met andere middelen. Rimbaud in Harar mag dan in brieven naar huis telkens weer roepen dat zijn leven daar een verschrikking is, hij was niet uitgeblust of opgebrand. Robb toont overtuigend aan dat Rimbaud zich met dezelfde energie op de werkelijkheid stortte als hij eerder op de taal had gedaan. Naast een gewiekst ondernemer (hij handelde in alles wat los en vast zat, in wapens en naar alle waarschijnlijkheid ook in mensen) ontpopte hij zich ook als ontdekkingsreiziger, een man die alles wilde weten. Met ander woorden, hij werd verzamelaar van feiten, een visionair realist. Opnieuw verdween zijn persoonlijkheid in woorden, alleen hadden die nu op een direct herkenbare werkelijkheid betrekking. Hij ontsloot onbekende gebieden, werkte aan een geografische studie over Abessinië. Hij klaagde aan een stuk door, vervloekte de barre woestenij waarin hij terecht was gekomen, maar eerder als een tevreden misantroop dan als een wanhopige in de wildernis. Bovendien, en Robb is de eerste die dat beweert, was hij als zakenman bijzonder ambitieus en ook meer dan geslaagd. Er is sprake van enkele geheime bankrekeningen, waarvan Robb zegt het bewijs te hebben gevonden. Ze moeten echter nog steeds bestaan, want toen Rimbaud in 1891 doodziek naar Frankrijk terugkeerde, had hij nauwelijks geld bij zich.

Robbs nuchtere blik, die godzijdank nergens debunking is, heeft van Rimbaud inderdaad een volwassen figuur gemaakt, die in weinig lijkt op de romantische boosaardige engel uit de literaire overlevering. Tegelijkertijd, en dat is de kracht van deze magnifieke biografie, verliest Arthur Rimbaud niets van zijn aantrekkingskracht en ook niets van zijn uiteindelijke ongrijpbaarheid. Je zou tegen Robbs visie in kunnen brengen dat hij te weinig oog heeft voor Rimbauds kwetsbaarheid, bijvoorbeeld wanneer hij Verlaine vanuit Londen smeekt om bij hem terug te komen of later wanneer hij zijn wanhopige brieven vanuit Afrika schrijft. Rimbaud werd zijn leven lang heen en weer geslingerd tussen uitersten, ook tussen koelbloedigheid en verlangen naar geborgenheid, maar Robb behoedt hem tenminste voor medelijden. Robb citeert ter illustratie van Rimbauds leven ook veel van zijn poëzie zonder die verder uit te leggen, maar dat lijkt me eerder een verdienste dan een zwakte. Voeg daaraan toe dat zijn Rimbaud geschreven is in een uitdagende stijl, vol staat met prikkelende en zo nu en dan hilarische observaties en je kunt gerust stellen dat dit de beste biografie van de dichter is die we hebben. Dit boek stinkt naar genie.

Graham Robb: Rimbaud.

Picador, 545 blz. ƒ85,60 (geb.)

    • Bas Heijne