Pijpers Derde doet Haitink bijna swingen

Zoals zich middenop het werk van de Belgische beeldende kunstenaar Roger Raveel soms een leeg vierkant bevindt, zo gaat het concertprogramma dat het Koninklijk Concertgebouworkest dezer dagen uitvoert onder leiding van Bernard Haitink over een stuk dat niet tot klinken komt: Strawinsky's Le sacre du printemps. De wèl uitgevoerde muziek groepeert zich om die muziekrevolutie uit 1913: La mer van Debussy uit 1903-1905, De vuurvogel van Strawinsky uit 1910 en de Derde symfonie van Willem Pijper uit 1926. Zonder La mer en De vuurvogel wellicht geen Le sacre du printemps. Zonder Le sacre du printemps zeker niet Pijpers Derde symfonie, die in 1926 in première werd gebracht door Pierre Monteux, die ook de geruchtmakende eerste uitvoering van Le sacre du printemps dirigeerde.

Pijper opent het programma en zijn slechts een kwartier durende aansprekende en soms spectaculaire muziek blijft tijdens Debussy en Strawinsky nog als referentie in het gehoor liggen. Na de première van de Derde symfonie in 1926 in het Amsterdamse Concertgebouw schreef Herman Rutters in het Algemeen Handelsblad dat Pijpers muziek, na het échec van de Tweede symfonie, een groot publiek succes was: de componist moest drie keer danken voor de bijval.

Rutters vervolgde met een zwaarwichtige beschouwing over `een kosmisch element', `onopgeloste problematiek', `te veel intellectualisme' en de vraag of we hier te doen hadden met `een zuivere schoonheidsemotie'. Dat muziek was geschreven die de eeuwen of zelfs tientallen jaren kan trotseren, ontkende Rutters voor zichzelf. Maar Monteux was enthousiast en dirigeerde het stuk vele malen in de rest van de wereld, ook Van Beinum speelde de Derde symfonie meer dan eens bij het Concertgebouworkest — een opname uit 1957 bevindt zich in de pas verschenen Van Beinum-box met elf cd's (Q-Disc).

Rutters schreef dat Pijpers muziek ,,dieper in den tijdgeest steekt dan men zou denken'' en dát zag hij goed, zo kunnen we 64 jaar later terugziend op het verleden beter beoordelen dan destijds. Pijpers Derde symfonie typerend voor de roaring twenties: men hoort in de Raveelse leegte vitale en energieke muziek die wordt omringd door Gershwin, Antheil, Strawinsky en Ravel, afgewisseld met een Wagneriaanse drakengrom en een Mahleriaans mandolineluchtigheidje. Met ook nog partijen voor piano en saxofoon lijkt het Concertgebouworkest wel een symfonische bigband, al staat Haitink nog net niet Bernsteiniaans te swingen en met zijn vingers te knippen.

Juist als tijdsbeeld is Pijpers Derde symfonie nu nog zo interessant en heeft die alles in zich om weer veel vaker te worden gespeeld als crossover van toen en een roerige opmaat voor andere 20ste eeuwse muziek. Na Pijper krijgt men een ander oor voor andere stukken. La mer leek niet langer beeldende programmamuziek volgens het laat-19de eeuwse model, maar een stevig modernistisch stuk dat een cadeautje voor de koperblazers wil zijn. En De vuurvogel — fantastisch en enerverend gespeeld — beluistert men deels als een lange voorstudie voor Le sacre du printemps, terwijl de finale daarvan weer een voorbeeld voor Pijpers plots afgebroken werk kan zijn geweest.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Gehoord: 23/11 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 24/11 Amsterdam; 25/11 Brussel. Radio 4: 24/12 14 uur.