Meerderheid voor nieuwe euthanasiewet

Een ruime meerderheid in de Tweede Kamer gaat akkoord met het vrijwel ongewijzigde wetsvoorstel dat artsen onder voorwaarden vrijstelt van strafvervolging als zij euthanasie plegen of hulp verlenen bij zelfdoding.

De regeringspartijen spraken aan het slot van het plenaire debat van een ,,historisch moment'' dat een ,,logisch sluitstuk'' is van het al jaren gevoerde euthanasiebeleid.

Minister Borst (Volksgezondheid) was ,,blij dat mensen straks voor een goede dood mogen kiezen, zonder dat een arts zich zorgen hoeft te maken over de juridische gevolgen''.

Haar collega Korthals (Justitie) meende dat ,,een wet die het mogelijk maakt een weloverwogen stervenswens van een ernstig lijdend mens in te willigen, niet misstaat in een volwassen samenleving''.

Voor de kleine christelijke fracties ChristenUnie en SGP was de instemming van de Tweede Kamer met het wetsvoorstel een hard gelag. Beide partijen deden een emotionele oproep aan het kabinet om deze volgens hen ,,doodlopende weg'' te verlaten. Het CDA en de SP, ook tegenstanders van het wetsvoorstel, vinden dat de regering met de wet het onverzoenlijke met elkaar wil verzoenen.

Onder de wet, waarover de Kamer dinsdag zal stemmen, blijven euthanasie en hulp bij zelfdoding als strafbare feiten in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Maar artsen kunnen van strafvervolging worden uitgesloten, als zij voldoen aan de zorgvuldigheidsvereisten die in de wet zijn vermeld. Zo moet er sprake zijn van een vrijwillig en weloverwogen verzoek en moet de patiënt uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts moet bovendien een onafhankelijke tweede medicus raadplegen en dient met de patiënten mogelijke alternatieven te bespreken. Ook moet de arts de euthanasie of hulp bij zelfdoding melden bij de lijkschouwer. Of de arts zorgvuldig heeft gehandeld, wordt beoordeeld door aparte commissies waarin naast een jurist en ethicus ook een arts zitting heeft. Bij een positief oordeel van de commissie is de zaak voor de arts afgedaan, in het andere geval wordt die voorgelegd aan het openbaar ministerie en aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

In de wet krijgt ook de schriftelijke wilsverklaring een wettelijke status die gelijk staat aan het mondelinge verzoek op het moment dat euthanasie of hulp bij zelfdoding daadwerkelijk aan de orde is. Minister Korthals bevestigde dat die wilsverklaring aan kracht wint als deze na overleg met de arts wordt opgesteld en in de loop van de tijd wordt geactualiseerd.

De Kamer stemde ook in met het standpunt van Borst dat patiënten die lijden aan Alzheimer al in een vroeg stadium van hun ziekte (die tot dementie leidt), in aanmerking kunnen komen voor actieve levensbeëindiging.