Leerling in de lerarenkamer

Cabaretier Marc-Marie Huijbregts is quasi per ongeluk grappig. ,,Ik hoef er niet voor te werken, ik zit gewoon een uurtje gezellig te praten.''

,,Ik begin altijd langzaam, zodat u aan mijn stem kunt wennen.'' Zo begint Marc-Marie Huijbregts zijn cabaretshow. ,,Sommigen denken dat het mijn eerste grap is, dat ik straks opeens normaal ga praten. Maar het blijft zo.''

Cabaretier Marc-Marie Huijbregts praat alsof een bandje te snel wordt afgedraaid, alsof hij als kind in de ketel met helium is gevallen. ,,Ik ben een doorgefokte Wiener Sangknabe'', zegt hij zelf. In het Amsterdamse café waar dit gesprek plaatsheeft, hoeft hij maar even zijn stem te verheffen om alle blikken op zich te vestigen. `O, het is die jongen van de televisie', zie je ze denken. Huijbregts: ,,Mijn zus Annet heeft ook zo'n stem, maar die komt ermee weg. Als kind speelden we altijd radiootje. Ik heb daar nog een bandje van: pieppieppieppiep. We praatten zo hoog dat het alleen door sommige honden kon worden waargenomen.''

De stem maakt hem herkenbaar uit duizenden, kinderlijk onschuldig en vilein tegelijk; een treffend grappige combinatie die hij iedere zaterdag in de satirische televisiequiz `Dit was het nieuws' weet uit te buiten. Huijbregts is nog maar vier keer op televisie geweest, maar hij is nu al een bekende Nederlander. Hij werd de driedubbele winnaar van het Camerettenfestival en kreeg de Pall Mall Exportprijs. De honderdtwintig voorstellingen van zijn eerste cabaretprogramma waren voor de première al uitverkocht. Een hype in cabaretland is snel gemaakt, maar dit keer lijkt hij terecht.

Huijbregts: ,,In het begin van mijn carrière was mijn stem heel belangrijk. Ik ben countertenor en tenor tegelijk; zo'n combinatie is moeilijk te vinden. Als ze mijn stem wilden hebben, maakte het niet uit dat ik geen enkele scholing heb gehad. Ik kan niet eens noten lezen. Ik heb het zingen zelf geleerd, door altijd mee te zingen met platen van Barbra Streisand.''

Huijbregts is meer dan dat. Hij heeft een grote uitstraling; op televisie ziet hij eruit als een mollig engeltje, met slordige Beatle-haren en eeuwige pretlichtjes in zijn ogen. Hij bedenkt geen grappen, hij speelt gewoon zichzelf, en is dan quasi per ongeluk grappig. Hij babbelt onschuldig en lieflijk, en weet dan terloops een paar dodelijke beledigingen te plaatsen. Als hij het te bont maakt, giechelt hij snel: ,,Néé... nee hoor, dit is tè erg.''

Huijbregts: ,,Alles is ter plekke bedacht. Alleen de teksten van de presentator zijn uitgeschreven. We nemen anderhalf uur op, daar kiezen we de leukste fragmenten uit. Het programma past me zo goed, dat het lijkt alsof het voor mij is geschreven. Ik hoef er niet voor te werken, ik zit gewoon een uurtje gezellig te praten.

,,Ik ben geboren en opgegroeid in Tilburg, maar mijn ouders, die zelf plat Tilburgs spreken, hebben me beschaafd Nederlands geleerd. Als mijn zus Annet en ik het schoolplein op liepen, hadden we meteen een groep jongens om ons heen. `Zeg-es-weh', zeiden ze. `Wat moeten we dan zeggen?' vroeg ik dan. Dat vonden ze leuk: `Kek, jullie proten heel netjes.' Ik voelde me niet bedreigd, ze waren gewoon nieuwsgierig, alsof ze in Artis naar de aapjes keken. Ik was altijd populair op school, omdat ik in een groep zat die The Brotherhood of Men playbackte.

,,Ik ben altijd erg sociaal geweest. Mijn moeder heeft me geleerd juist te spelen met de kinderen met wie niemand om wilde gaan. Dus moest ik altijd volksdansen met Thea. Ik heb een paar jaar sociale academie in Breda gedaan. Het belangrijkste wat ik daar leerde, was groepsdynamica, hoe een groep zich beweegt. Dat kon ik toepassen bij het toneelspelen. Op de eerste dag dat een groep elkaar ontmoet, wordt de pikorde vastgesteld: de baas, de pineut, en de volgelingen. Ik zorg dat ik daarbuiten val. Een regisseur zei een keer: `Het is fijn om jou erbij te hebben, want er is veel minder ruzie'. Ik heb een goede neus voor smeulende conflicten, ik ga er op af en neutraliseer ze met grappen. Ik bedenk dat niet van tevoren, ik doe dat instinctief. Ik kan niet anders, omdat ik niet kan werken in een prutsfeer. Na zo'n ruziedag gaat iedereen blij naar huis: `Wat is die Marc-Marie een lieve jongen'. Maar ik kom doodziek thuis.''

Honderdenvijf kilo

Het lijkt alsof Huijbregts uit de hemel is komen vallen, in werkelijkheid staat hij al tien jaar in opera's, musicals en toneelstukken. Hij viel alleen niet op. Huijbregts: ,,Na de sociale academie heb ik auditie gedaan bij de Musical Company. Ik werd meteen aangenomen. Stond ik daar met mijn honderdenvijf kilo in een musical te dansen. In 1991 heb ik al eens een soloprogramma gemaakt, met alleen maar liedjes; heel serieus en depressief. Ik zong Charles Ives, Elton John, Leiber en Stoller – alles door elkaar. Omdat ik geen contact maakte met het publiek voelde ik me niet gelukkig. Na een paar voorstellingen ging de impresario failliet. Ik heb nog een hele stapel posters liggen.''

Pas nu heeft hij zijn ideale vorm gevonden. Huijbregts: ,,Tot twee jaar geleden heb ik me nooit met cabaret beziggehouden. Ik ben in november 1998 bij de Comedy Train gekomen, anderhalf jaar later deed ik mee in Cameretten, een half jaar later had ik mijn eigen show. Zo is het gegaan. Ik word vaak vergeleken met Paul de Leeuw, maar dat slaat nergens op. Je weet hoe dat gaat: `Oh, een homo... en hij is dik. Jos Brink? Nee. Nou, dan doen we wel Paul de Leeuw.'''

Bij de Comedy Train ontdekte hij zijn grote gave: improviseren en met het publiek spelen. In zijn cabaretprogramma beheerst hij beide perfect. In rafelige kamerjas en op witte sokken speelt hij een jongen die door zijn vader uit huis is gezet en vereenzaamt op z'n kamer. Hij schrijft lange brieven, maar stuurt ze nooit op. Bijna de helft van de tijd praat hij met het publiek. Huijbregts: ,,Ik schrijf nooit wat op. De show die ik doe bestaat alleen in mijn hoofd. Ik bedenk veel verhalen van tevoren, maar het praten met het publiek doe ik spontaan. Zoiets kun je ook niet van tevoren bedenken, dat zou vals zijn.

,,Het raamwerk voor het praatje met het publiek ligt wel vast. Ik neem altijd iemand met een bril. Ik lach met de zaal om de mensen met wie ik praat, maar ik maak ze nooit belachelijk. Ik ben werkelijk geïnteresseerd in ze. Laatst had ik een vrouw die bij de dierenambulance werkt. `Wat doet u als een man op straat ziet met een hartaanval?' vroeg ik uit oprechte interesse. Daar had ze nog nooit over nagedacht. Ze zei bedachtzaam: ,,Ik denk dat we hem helpen, maar als we een melding van een spoedgeval met een hondje krijgen, laten we hem liggen.''

En ik vraag altijd: `Wie geeft er geld aan een goed doel?' In Hoofddorp had ik een vrouw die niet te stoppen was. Het leek wel alsof ze ons gesprek thuis had voorbereid. Ze wist niet in welk werelddeel haar Foster Parents-kind woont. Ze zei dat ze het kind deelde met haar collega's van het postkantoor. Soms kregen ze een brief met de aanhef `lief postkantoor'.

,,Ik laat altijd de zaallichten aan, dat is essentieel. Ik moet de mensen persoonlijk aan kunnen kijken. Ik maak het eerst veilig en gezellig in de zaal, als in een huiskamer. Anders kan ik niet spelen. Ik ben niet de meester, ik ben de leerling die in de lerarenkamer voor achthonderd meesters leuk staat te doen. Als het donker is, is het publiek één groot beest dat klaar zit voor de sprong. Met het licht aan haal ik ze uit elkaar en maak ik ze onschadelijk. Ik ben de Pipo, zij zijn de normale mensen. Zij hebben altijd gelijk. Sommige cabaretiers, zoals Freek de Jonge, hebben een periode dat ze bang worden voor, of een hekel krijgen aan het publiek. Als ik dat zou krijgen, moet ik meteen stoppen.''

Huijbregts laat zijn publiek hikken van het lachen, maar bij momenten krijgt hij de zaal helemaal stil. Gewaagd is dat het einde van zijn voorstelling heel ernstig is, op het sentimentele af. Hij eindigt met een brief aan zijn overleden moeder, waarna hij een smartlap zingt, met veel violen.

Huijbregts: ,,Het is een Songfestivallied van Willeke Alberti. Ze kreeg er vier punten voor. Sommige mensen vinden het hilarisch, lekker camp. Maar ik meen het serieus. Een paar jaar geleden heb ik echt mijn moeder verloren, Toosje. Daar probeer ik in de show iets over te zeggen. Een vrouw uit het publiek vroeg me: `Zou je het laatste nummer ook op schoenen kunnen zingen?' Ik denk van niet. Op sokken ben ik een personage in de show. Als ik het echt als mezelf zou zingen, zou het gênant emotioneel zijn. Maar ik geef toe, het verschil tussen sokken en schoenen is flinterdun.

,,Door de dood van mijn moeder besefte ik dat ik helemaal alleen was, en dat dat niet erg hoeft te zijn. Mijn moeder was de enige bij wie ik niet alleen was. Tegenover de anderen hou ik afstand. Ik kan me nooit helemaal geven. Hoogstens met zingen. Mijn thuis was weg, ik kon nooit meer met de was thuiskomen. Daardoor leerde ik me ook op andere plaatsen op mijn gemak te voelen, en dat was goed. Je alleen bij je moeder thuis voelen is een te smalle basis. Ik ben nog altijd een blije jonge hond die zich doodschrikt als iemand niet met mij wil spelen. Maar ik ben nu ook iemand die daar boven staat en geamuseerd toekijkt.''

    • Wilfred Takken