Journalisten

Sportbladen bestaan al sinds in Nederland sport wordt beoefend. Jarenlang leverde dat elke donderdag verkeersopstoppingen op bij de drukkerij in Amsterdam als Het Sportblad, alias `Het Groentje', verscheen. De trouwste lezer was namelijk de koetsier van de Heineken Brouwerij, die ruim de tijd nam om midden op straat het nieuwste nummer te lezen. Altijd was er wel een boze agent die wilde dat hij zich verwijderde, maar tevergeefs: ,,Ja vader, eerst even kijken wat er over Ajax in staat.''

Sportbladen zijn zelfs ouder dan de sportpagina's bij kranten. Die hadden daarvoor tot 1902 geen belangstelling. In dat jaar stelde De Telegraaf John Coucke als eerste sportjournalist aan. Een belangrijk moment voor de sportjournalistiek was 1909, toen de Nieuwe Rotterdamsche Courant Hans Meerum Terwogt dezelfde functie gaf. Eindelijk erkende een statig dagblad het belang van sport; de liefhebbers hoefden het weinige sportnieuws dat doorsijpelde niet meer te zoeken onder de rubriek `Ongelukken', wat daarvoor nog wel gebeurde. Of, nog erger, onder `Sportgezeur', nadat een toespraak van A.J. Bronkhorst – oud-voetbalbestuurder en auteur van het boek `Hup Holland' uit 1926 – eind negentiende eeuw deze kop had meegekregen.

Het was juist die desinteresse die zorg droeg voor de snelle ontwikkeling van sportbladen, die zowel een mededelingenorgaan als een nieuwsbron waren. Met uitslagen van de afgelopen week, verslagen en nieuwtjes, maar ook adreswijzigingen en de bestuursnotulen. Voor de lezer van nu zijn die bladen een ideale bron, omdat zo'n beetje alles van de toenmalige sport is terug te vinden.

`Papa' Hazenberg geldt als één van de pioniers van de Nederlandse sportbladen. In 1882 verscheen onder zijn hoede het eerste nummer van `De Nederlandsche Sport', het oudste sportblad in Nederland. Het stond vol met berichten uit de wereld van de jacht en paardensport, maar, zoals M.J. Adriani Engels treffend schreef, `was dat te verwonderen als men bedenkt dat de eerste Nederlandse voetbalclub pas drie jaar tevoren was opgericht en dat Jaap Eden zo ongeveer in de derde klasse van de lagere school te vinden was?' Ruim veertig jaar lang zwaaide Hazenberg de scepter in de sportjournalistiek als in feite de eerste nestor van zijn genre.

Met zo'n lange staat van dienst was hij geen uitzondering in zijn wereld. L.A. Heesakker van het clubblad van Feyenoord bijvoorbeeld heeft een halve eeuw lang de leiding over zijn blad gevoerd, dat in die tijd nooit één dag te laat is verschenen. Op de jaren van de Tweede Wereldoorlog na natuurlijk, maar toen kon ook hij niets meer doen behalve stencils maken van het clubnieuws en die in het gebouw op te hangen. Het zijn deze `onzichtbare' journalisten geweest, die een rubriek als deze nu nog mogelijk maken.