Hoe een doodklap in twee levens natrilt

Aan het einde van een lange oprijlaan, tussen de midgetgolfbaan en de rozentuin, staat een vervallen landhuis. Ooit was het een kuuroord. Nu wonen er twee gezinnen, beide met een dochtertje. Ze eten er bij kaarslicht in de eetzaal, drinken uit de wijnkelder en geven feesten die een goddelijke puinhoop achterlaten van vertrapte sigarettenpeuken, afwas voor de eeuwigheid en korrelige vlekken in de beddenlakens van de oude gastenkamers. Ze leven in een paradijs.

Dan, als de twee dochtertjes een jaar of elf zijn, keert het lot. Op een beschonken zomerdag stappen de ouders met z'n vieren in de auto, rijden de oprijlaan af en een bosweg op, een hert steekt over en de auto remt, te laat, en crasht. De ouders van het ene meisje zijn dood. De moeder van het andere wordt gek en eindigt in een inrichting, de vader neemt de benen naar Parijs en begint daar een nieuw leven. De meisjes zelf blijven achter, ouderloos.

Wat doet dat met die jonge levens?

Rond die vraag cirkelt Het bottenpaleis, de eerste roman van Pam Emmerik, die twee jaar terug al bijval oogstte met de verhalenbundel Soms feest. De meisjes nemen om en om het woord, in een terugblik die een jaar of tien of vijftien na de crash begint wanneer het ene meisje, Isabel, een einde aan haar leven maakt en het andere, Frances, naar het oude landhuis terugkeert om de as daar te verstrooien. Allebei kijken ze terug, de een vanuit het leven en de ander uit de dood, en zo wordt zichtbaarder hoe de doodklap van hun ouders natrilt in hun eigen leven.

Bij Isabel, degene wier ouders op slag dood waren, lijkt die klap het hardst te zijn geweest. Ze heeft er haar geheugen bij verloren. Na het ongeluk herinnert ze zich niets meer van de tijd daarvoor, zelfs niets meer van haar ouders, en ze hoopt daarom sindsdien een indruk van hen te krijgen uit verhalen. `Hoe kon ik de feiten zo met elkaar in verband brengen dat er een kloppend beeld van hen zou ontstaan?'

Daar lijkt een schone taak te liggen voor haar oma, Hannah, die de weken na het ongeluk in het huis intrekt om de meisjes te verzorgen. Maar Hannah blijkt een stug en zwijgzaam wezen, niet van plan om het verleden op te rakelen, omdat er daar voor haar wel meer verdriet ligt opgeslagen. Ze kwam uit de oorlog na `verzet, verraad, kamp, ontsnapping, hertenvlees, bevrijding', zoals ze het zelf in minimale woorden samenvat, en sinds die tijd sluit ze zich af voor elk gevoel en elk verleden.

Zo wordt het oude landhuis, dat met al zijn kamers een mooi huis van de herinnering zou kunnen worden, in de jaren na het ongeluk een ijskoud huis van het vergeten. Oma Hannah trekt de deuren voor de meisjes dicht en die groeien daardoor `heel herinneringsmager alleen' op, zoals de meest woordkunstige van de twee, Isabel, het zegt. Ze leven met `de omtrek van een gemis'.

Het bottenpaleis past daarmee in een lange lijn van romans over een breuk met het persoonlijke verleden, aangericht door het geweld van de moderne wereld – een thema dat de laatste jaren in ons land weer regelmatig opduikt. Erwin Mortier beweent in Marcel en Mijn tweede huid de breuk met een familietraditie, ook bij hem trouwens verbonden met een oud familiehuis, en Marcel Möring schrijft over het vacuüm van zo'n ontbrekende traditie. (En schreef met Het grote verlangen trouwens ook al een roman over kinderen die met een stuk geheugen achterblijven als hun ouders bij een autorit verongelukken.)

Waartoe zo'n breuk met het verleden leidt, laat Emmerik zien als de meisjes opgroeien en uitvliegen. Isabel trekt op haar veertiende of vijftiende naar Amsterdam, raakt daar op drift en stort zich op een stoet van mannen in de hoop het gat in haar ziel daarmee te kunnen vullen, of in elk geval zichzelf te kunnen vergeten. `Het was te zwaar voor mij voortdurend mezelf te moeten zijn', zoals ze zegt, en in die woorden kondigt zich de nood aan die haar later tot haar zelfmoord zal brengen.

Frances raakt, iets later, evenzeer de weg kwijt. Ze gaat na haar eindexamen voor een studie kunstgeschiedenis naar Utrecht, begint een scriptie over de verbeelding van `kousen op schilderijen' en loopt daarin vast. Er zijn zoveel kousen, zoveel details, er is zo weinig orde. Het bestaan ontpopt zich voor haar ogen als een overdaad zonder systeem, volstrekt ongrijpbaar, en ze raakt een instorting nabij.

Zo komt Het bottenpaleis uit op een punt waar menige roman over een breuk met het verleden bij eindigt. Bij zinloosheid en ontworteling, bij zelfdestructie en onaangepastheid. Maar Emmerik wil het daar blijkbaar niet bij laten zitten en geeft al die droefenis tegen het slot van de roman een onverwachte draai, door die te laten zien als keerzijde van iets wat juist heel vrolijk stemt: de `rijkdom en complexiteit van het leven'.

Om aan die rijkdom recht te doen schrijft Frances in plaats van een scriptie een verhaal, dat ze zelf onnavolgbaar samenvat. `Het verhaal begon met een boot vol Soedanese vrouwen die in de ochtendvroegte langzaam de Niger afvoer, schakelde over naar een nagenoeg blinde dichter in Bombay die aan een epos over Basmatirijst werkte, er kwamen Poolse verzetshelden in voor, krengige Engelse schoolmeisjes met smoezelige plooirokjes en afgezakte kniekousen op excursie in Frankrijk, plastic tuinstoelen, plastic sushi' – en zo een halve bladzij voort.

Bij alle overdrijving geeft die opsomming een aardige beeld van de manier waarop Emmerik ook zelf haar boek vormgeeft. In de verhalen van de meisjes duiken om de haverklap uitheemse bijfiguren op, uit Lagos, China, Californië, met levensgeschiedenissen die nog ongewoner zijn dan die van henzelf.

Met al die levensverhalen vermenigvuldigen zich vervolgens ook de thema's. Het gaat over het verlangen naar de dood, het zoeken naar vergetelheid of juist naar liefde, over seks en lichamen, verminking en schoonheid, over woord en beeld en bovenal over de taal. `Taal is wat mensen levend maakt, taal drijft ons lichaam voort'. Wat weer leidt tot het uitproberen van de mogelijkheden van de taal. Er worden woorden verzonnen, opsommingen op de tong geproefd en zinnen van een volle pagina gemaakt. Er wordt staccato geschreven en legato, licht en zwaar, het hele repertoire.

Rijkdom en complexiteit. Het is allemaal van een enorm stilistisch overwicht, van een briljante taalbelustheid en een onvoorwaardelijke inzet. Het doet denken aan het werk van Jeanette Winterson, ook al zo'n virtuoos van de veelkleurigheid, die de verhalen uit vier windstreken versmelt en de pijn van dood en leven omzet in de schoonheid van de taal. Je kunt niet anders dan er met bewondering naar kijken.

Maar helaas raakt die bewondering al gauw vermengd met ergernis, want net als bij vooral de late Winterson gaat al die pracht gepaard met een onstuitbare bewijsdrift. De complexiteit en rijkdom van de dingen mag je niet terloops ontdekken, die wordt je met ieder woord en elke wending ingewreven. De vitale zijsprongen van de roman lees je daardoor niet als spontaan maar als berekenend, de humor wordt te zelfbewust om je tot zoiets argeloos als lachen aan te zetten. Er sluipt iets verbetens in de toon, iets agressiefs zelfs, en het resultaat is honderdtachtig graden anders dan bedoeld. De taal brengt al dat kleurrijks niet tot leven, maar slaat het eigenhandig dood.

Pam Emmerik: Het bottenpaleis. Querido, 184 blz. ƒ34,90