Het is de nieuwe wereld

In Japan dromen de meisjes van loeiharde vechtsport. De documentaire `Gaea Girls' laat zien wat ze ervoor over hebben.

In beeld verschijnt een meisje van vijftien, zestien. Ze is timide, niet gewend om voor een camera iets te zeggen, niet gewend om ooit iets te zeggen. Zo'n meisje naar wie niemand ook maar eens een keer luistert, zo'n meisje dat je over het hoofd ziet. Ze zegt: `Als je de worstelaarsters in de ring ziet zijn ze zo bezield, ze stralen. Ik wil ook zo zijn. Dat is mijn droom.'

Overal op de wereld zijn er zulke meisjes die hun sommen moeten maken en boodschappen moeten doen en op balletles mogen, of op volleybal en intussen met hun hoofd in de wolken lopen dromen over hun helden of heldinnen, de bezielden, de stralenden, de middelpunten van het leven. Het enige verschil is dat dit meisje niet uit West-Europa of uit Amerika komt, maar uit Japan en dat het niet gaat om popster te worden, of prima ballerina of om een medaille op de Olympische Spelen te winnen, maar om worstelaarster te worden.

Worstelaarster! Zijn er nog verschillen in deze wereld? Dit meisje wil worstelaarster worden!

In de documentaire Gaea Girls is het Japanse vrouwenworstelen een geaccepteerde topsport waaraan de Japanse bourgeoisie verslingerd is. De camera glijdt in het begin van de film over de hele tent, tot aan de nok toe gevuld met goed geklede Japanse dames en heren die niet genoeg van zo'n spektakel kunnen krijgen. Geen enkele wereldcup voetballen kan op tegen de hartstocht waarmee de Japanse burgers hun worstelende vrouwen bijstaan.

Enige minuten nadat het timide meisje heeft gezegd dat worstelaarster-zijn haar grootse wens is, volgt de camera zo'n topwedstrijd. Het is de nieuwe wereld. Het is prachtig, het is verschrikkelijk. De documentaire toont het op het witte doek. `We can fight the power! We can fight forever! We are liberty! We are violent! We áááre ....the Gaea Girls!!!', schalt het uit de luidsprekers. Het discolicht flikkert over de duizenden toeschouwers en daar gaat het goud en zilveren glitterdoek open en op de catwalk verschijnt, met hooghartige en soepele gang, Nagayo Chigusa, topworstelaarster, met langzame pas op weg naar haar ontmoeting met `leeuwin Aska'.

Nagayo Chigusa is hoofd van een worstelschool voor meisjes. Laat niemand zich daar een florissant beeld van vormen. De school ligt aan de rand van een moderne stad en bestaat uit een armoedig gebouwtje met slaaphokken, een keukentje en een oefenring. De school telt vier of vijf leerlingen, twee of drie trainsters en een staf van twee personen. Het geheel maakt de indruk van een jeugdkamp, waar de leiding het opgegeven heeft nog iets op te ruimen. Overal slingeren kledingstukken, stripboeken, dekentjes, slaapzakken, spiegeltjes, terwijl ze toch niet meer bezit hebben dan een oud hemd en een oude broek om in te trainen. Kniebuigingen, strekoefeningen, opduwoefeningen, de hele dag door hoor je niets anders dan tellen een...twee...drie...vier.... Of je hoort het gekrijs van twee meiden die elkaar te lijf gaan. Ze zijn er om gedrild te worden tot professionele worstelaarsters, van binnen en van buiten zullen ze worstelaarsters zijn, want daartoe zijn ze op aarde; daartoe beulen ze zich de godganse dag af: een....twee....drie....vier....; daartoe doen ze nog knieoefeningen als ze bami eten; daartoe brengen ze hun rustpauze op de hometrainer door; daartoe slapen ze als kippen boven elkaar, zien ze op die paar vierkante meter niemand anders dan elkaar, hebben ze geen privacy. Zelfs die paar rondschuimende honden kunnen ze niks schelen.

Glorie

Het schijnt dat de Japanse Sumo-worstelaars worden vetgemest in stallen. Deze meisjes worden niet vetgemest, maar afgetraind in wat je `meisjesstallen' zou kunnen noemen. Alles staat in dienst van de glorie, straks, in de ring.

Koel registreert de camera de opvoeding van de meisjes. 's Morgens vroeg maken ze met een diepe buiging hun opwachting bij de twee leidsters, Nagayo Chigusa en haar kreng van een vriendin: `Goedemorgen, goedemorgen.' Dan begint de training. Het is zo zwaar dat een van de nieuwelingen zich 's nachts uit de voeten maakt. Maar dat is alleen nog maar het fysieke aspect. Veel verbazingwekkender is hoe het moreel wordt gekweekt.

Eerst slaat een trainster een dun grietje in de ring volledig aan flarden. Niet één keer, wel vijfentwintig keer wordt het grietje aan haar haren door de ring gesleept, in haar buik getrapt, tegen de touwen geworpen, de arm uit de kom gedraaid, de vingers net niet gebroken, in het gezicht gestompt, terwijl de trainster met wellust roept: `Zó doe je dat, zó doe je dat.' Na afloop spreekt de trainster haar toe: `Je probeert het niet.' `Denk je dat dit goed genoeg is?' `Ben je zacht voor jezelf, nou? Ben je zacht voor jezelf?' `Wie heeft je geleerd zo te vechten?' `In de ring was je al dood geweest, je mag van geluk spreken dat ik het was.' `Vind je dit professioneel?' Op alle vragen wordt `nee' verwacht. Nee, nee, nee.

Dan volgt het examen. Chigusa en haar magere compagnon zitten aan een tafeltje en kijken toe. Het mag niet baten. `Vocht je terug? Vocht je terug? Vocht je terug?' vraagt Chigusa na afloop. Er ís geen ander antwoord dan: nee. Alle antwoorden zijn of ja, of nee, maar alleen het wenselijke antwoord is goed. De meisjes zijn kapot. Bibberende wezentjes waar de forse Chigusa bovenuit torent. Bloedende onderkruipstertjes tegen wie Chigusa zegt: `Drup, drup, drup, dit zijn geen echte tranen. Bel je vader en moeder dat je er aan komt. Wij zijn professionals. Je bent waardeloos.' De trainsters kijken toe zonder uitdrukking op hun gezicht. `Alstublieft, alstublieft' loopt het weggestuurde meisje huilend achter Chigusa aan.

Wat de documentaire helder laat zien is dat dit fascisme is: de ongecontroleerde macht die wordt verheerlijkt; de gehoorzaamheid zonder pardon, de dank voor slaag. En ja hoor, daar is ook de sentimentele kant ervan: `Ik beschouw deze meisjes als mijn kinderen', zegt Chigusa tegen de documentairemaaksters, `ik heb alles voor ze over, mijn hele leven.' En de kinderen bibberen voor haar, maar willen haar goedkeuring.

Sla met je ene hand en streel met je andere, dat is het principe van de opleiding. `Jullie zijn mijn kinderen. Ik had kinderen moeten krijgen, maar ik heb alles opgegeven voor jullie.' `Je bent een ondankbaar kind. Ga maar weg.' `Mijn hand doet pijn als ik je moet slaan.' De debutante is waardeloos, maar de debutante is geslaagd. De `doublebind' is het wapentuig.

Vernederd

Er wordt in de film geen antwoord gegeven op vragen als: wíllen de leerlingen geslagen worden; wíllen ze hun botten bijna breken? Zijn het meisjes die vragen om te worden vernederd? Zijn ze vroeger door hun vaders geslagen? Denken ze dat ze door slaag te incasseren liefde kunnen winnen? Alleen Chigusa wordt er naar gevraagd. `Ik ben door mijn vader in het worstelen opgevoed', zegt ze, `hij sloeg me en sloeg me. Ik werd steeds kwader. Ik werd zo woedend dat ik dacht: op een dag versla ik jou, bastaard, op een dag pak ik jou in en dan ben je alleen. Ik was zo woedend dat het me heeft gebracht tot waar ik nu ben.' Het onthullendste zinnetje uit deze bekentenis is het `...en dan ben je alleen...' In de filosofie van deze opleiding ben je alleen als je verliest. Verliezers zijn geen `losers' maar `loners' en dat is in deze moderne Japanse maatschappij het ergste lot dat iemand kan treffen. Buitengesloten en verstoten.

Vlak voor het grote gevecht tussen Nagayo Chigusa en Leeuwin Aska, geeft Chigusa een interview voor de radio af. `Mijn naam is Nagayo Chigusa', begint ze haar `statement', alsof dat het enige is dat telt. Ze mág niet verliezen, want dan `zal mijn naam worden uitgewist. Mijn naam zal nul zijn. Zero! Zero! Ik zal uitgewist zijn.'

De openbare naam als identiteit. Wat in de ring in Tokyo of in Osaka wordt bevochten is alles of niets, de eigen naam of Zero, bestaan of niet bestaan, zijn of niet zijn. Je identiteit bevechten met je lichamelijke kracht, middeleeuwser kan het niet. Maar duidelijker kan het ook niet. De fysieke training van jaren, het ontzeggen van een normaal, min of meer comfortabel leven, loopt uit op een krachtmeting in de ring, vol kleuren en zilver, temidden van duizenden schreeuwende kelen, terwijl het bloed in het rond spat, er vuur wordt gespuwd en de lichamen keer op keer met geweldige dreunen op de grond terecht komen. Alles is geoorloofd, alleen de overwinning telt. Met een bebloede kop stoot Chigusa een tijgerinnen gebrul uit, het hoofd in de nek, de knie op de gebroken leeuwin. De identiteit is geen zero maar Number One! Voor zolang het duurt: Zijn in plaats van Niet Zijn.

Dit worstelen is niet te vergelijken met sport, want eerlijkheid of `fairness' speelt geen rol. Niet de beste wint, maar degene met de vuilste trucs. Het is spektakel, het is showbussiness. De film spreekt duidelijke taal bij het gevecht: deze vrouwen zijn mooi, zowel Chigusa als de leeuwin; sterk maar niet monsterlijk; geweldig maar aantrekkelijk. Hun kostuums zijn zorgvuldig uitgezocht, de belichting is geraffineerd. Eigenlijk is het een prachtig schouwspel. Het appelleert aan diepste driften van geweld en macht. Het zet alle redelijkheid en scepsis van de moderne maatschappij overboord. Het voortdurend gesjacher van de moderne `beschaafde' mens, die vierentwintig uur per dag wikt en weegt om zichzelf staande te houden, om anderen niet teveel schade te berokkenen zodat de maatschappij kan draaien, speelt hier geen rol. Leve onze diepste drijfveren, leve onze instincten die hier worden losgelaten in de wereld van glans en glitter.

Het is plat en het is niet plat. Je kijkt naar zoiets stompzinnigs en wreeds als twee vrouwen die elkaar in elkaar trimmen. Je weet dat er een bijna fascistische training achter zit, dat het een opleiding is die het eigen ego op het spel zet, dat het om niets meer of minder gaat dan het bestaan van een van de twee vrouwen. Al die dingen zijn genoeg om je te doen gruwen. Maar je kijkt ademloos toe, je wordt overweldigd door de show die geen show is, door de kleuren, de spotlights, het geschreeuw en gevloek, het féést tenslotte, dat dit worstelen lijkt. Dat het vrouwen zijn stelt alles nog veel meer op het scherp van de snede. Je wilt niet waar hebben dat vrouwen elkaar aan de haren door de ring zeulen, van grote hoogte op elkaars buik springen, elkaars ruggen bijna breken. Maar vrouwelijke waarden of vrouwelijke solidariteit zijn woorden uit een ver verleden. Dit keer dragen vrouwen hun kleuren, zoals in vroegere toernooien ridders hun kleur droegen. Afschuw en fascinatie strijden om de voorrang. Is er weer een grens verlegd? Bewijzen deze vrouwen zichzelf?

Dat dit keer de onverwachte sekse aan bod is doet je beseffen dat dit festijn voor de zintuigen en driften een façade is, een onverzadigbare schijnwereld, waarachter doodsdrift schuilgaat. Al die oppassende, hardwerkende toeschouwers willen uit de glazen stolp breken, willen hun ingesnoerde oerkrachten weer voelen, willen iets vernietigen. Als het meisje uit het begin van de film, eindelijk mag debuteren, zie je haar moeder in de zaal zitten. Eerst wendt ze nog quasi haar hoofd af, als haar dochter de eerste dreunen incasseert, maar allengs wordt het goedgekapte, goedverzorgde moederhoofd opgetogener: het is haar dochter die in dat geweld mag figureren, haar dochter wórdt iemand. Die moeder is de personificatie van de doodsdrift van de keurige bourgeoisie, die er tabak van heeft te produceren en in de pas te lopen. Hoe killer de maatschappij, hoe grover het vertier. Geweld wordt kleurrijk, geweld wordt betoverend.

In de Middeleeuwen was het feest als er een stelletje werd gehangen. In het moderne Japan juicht men bij iets dergelijks. Het diep gewortelde verlangen tot macht en overwinning wordt door geen beschaving uitgeroeid. Het krijgt in onze eeuw de zoete kleurtjes van de showbussiness. Heel het leven wordt showbussiness, fysiek molest lijkt op feest, serpentines begeleiden lichamelijk letsel. We worden ertoe verlokt van deze werkelijkheid te houden: dat de een de ander kapot slaat. Het wordt angstaanjagend als je vermoedt dat dit de toekomst van ons vermaak is.

`Gaea Girls' van Kim Longinotto & Jane Williams wordt tijdens het IDFA-festival eenmalig vertoond. Amsterdam, City 1, wo 29/11, 20.15 uur. Inl. tel. 020 6261939. www.idfa.nl

`Mijn hand doet pijn