Het grote publiek?

In 1991-'92 schreven regisseur Gerardjan Rijnders en toneelrecensent Kester Freriks elkaar maandelijks een open brief over het toneel.

Op 1 januari treedt Rijnders terug als artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam. Aanleiding voor een laatste brief van beiden.

AMSTERDAM, 8 NOVEMBER 2000

Beste Gerardjan,

Op een herfstige zaterdagavond bezocht ik in een stad buiten Amsterdam de voorstelling vol afscheid, Bernhard. De schouwburg lag aan een kade, de verlichte gevel weerspiegelde zich in het water. Ik denk dat, hemelsbreed gemeten, deze schouwburg en de Stadsschouwburg aan het Leidseplein ongeveer veertig kilometer van elkaar liggen. Geen noemenswaardige afstand. Ik laat in het midden of de stad nu Haarlem heet, Leiden, Utrecht, Hilversum of Delft. In het door jou geschreven stuk Bernhard neemt een oudere actrice afscheid van het toneel. Ze krijgt een laatste rol aangeboden in een stuk van de Oostenrijkse toneelschrijver Thomas Bernhard. Vandaar de titel. We kunnen ook even denken aan onze prins-gemaal. Die associatie is niet verboden. De actrice die de hoofdrol vertolkt, Sigrid Koetse, neemt in het werkelijke leven ook afscheid: zij heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en verlaat Toneelgroep Amsterdam. En jij vertrekt na dertien jaar bij Toneelgroep Amsterdam als artistiek leider.

Voor Sigrid Koetse schreef je deze tekst, je regisseerde haar ook. De actrice heeft in het stuk een toneeldochter, voor die rol engageerde je Sjoera Retel, de echte dochter van Koetse. Verder schreef je er een schrijver in.

Ik trof het die avond. De acteur die de schrijver speelt, Paul Rigter, hield een korte voorbespreking. Ik wist niet dat zoiets nog bestond. De toeschouwers nestelden zich intussen in het pluche. Want wie gingen ze zien: Sigrid Koetse! De voorbespreker vertelde iets over Toneelgroep Amsterdam, dat er met het vertrek van Koetse en jou een `traditie' verloren ging. Hij repte van Thomas Bernhard. Er kwam een wat ijzige sfeer in de zaal te hangen. De gemiddelde leeftijd van het publiek lag hoog. Thomas Bernhard? Rigter vroeg wie er weleens van deze auteur had gehoord. Niemand. En wie kende het werk van Gerardjan Rijnders? Nagenoeg niemand.

Het doek ging open en daar zat ze, rcht op: la Koetse. Ze brandde los in een alleenspraak, een manische monoloogactrice, een echt Thomas Bernhard-personage. Ze fulmineert tegen het toneel. Ze gaat tekeer tegen toneel zonder plot, toneel met honden op de bühne, toneel dat bestaat uit een video met een muis die opkomt... en diezelfde muis die afgaat. Namen vliegen voorbij: Tsjechov, Ibsen. De actrice leeft op. Beckett en Heijermans verafschuwt ze. Wat ze wil is een op de klassieke leest geschoeide voorstelling: `In het eerste bedrijf/ Zien we een pistool/ In het laatste bedrijf/ Horen we een schot.'

Met bewondering verhaalt Koetse over een voorstelling die ze dertig jaar geleden zag: de Duitse actrice Marianne Hoppe in de hoofdrol van Bernhards, Am Ziel, het stuk waaraan dit stuk doet denken. De ene dubbele bodem na de andere diende zich aan. Gaandeweg werd de voorstelling een duizelingwekkend spel van namen, associaties, verdubbelingen. Het ging, in deze schouwburg buiten de Amsterdamse grachten, over `Coen' en dat is Coen Flink; over `het Plein', en dat is het Leidseplein; over `de Brakke Grond' en de andere theaters `in de Nes'. `De Brakke Grond/ Is dat een theater?' vraagt ze zich hardop af. `Klinkt als een beerput,' geeft ze als antwoord.

Het werd pauze. Loop jij in de pauze weleens rond? Nog geen seconde gingen de gesprekken over de voorstelling. Men haastte zich naar de koffietafel, alsof een voorstelling dient tot pauze en koffie. Ik ving gespreksflarden op over loodgieters, vloerbedekking en roeien. Een enkeling zat wat verweesd met een uitgeknipte recensie in de hand met als uitnodigende kop: `Koetse gaat als koningin Beatrix met pensioen.' Maar we hadden nog geen koningin Beatrix gezien.

Die kwam na de pauze. De zaallichten doven, toneellicht aan. Koetse prijkt op een verhoging, mantel van nertsbont aan, in een treffende gelijkenis met koningin Beatrix. Ze gaat woedend tekeer tegen de schrijver die nu een afgevaardigde is van een nepregering, die het cultuurbeleid `omploegt'. De toneeldochter is prinsesje geworden. Aan het slot schiet de regeringsman zich dood. Heeft de actrice uit het eerste deel haar zin: `In het laatste bedrijf/ Horen we een schot.'

Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat het publiek teleurgesteld was. De meesten spoedden zich de nacht in, sommigen bleven napraten en toonden zich `bekocht'. Was het een farce? Maakte Koetse Beatrix belachelijk? Waar was de sfeer van het afscheid, de pijn van de oudere actrice die met verdriet het toneel vaarwel moet zeggen?

`Toneel is de vluchtigste van alle kunsten,' staat in het programmablad van de voorstelling. Ernaast is een keur aan foto's, terruggaand tot 1957, afgedrukt van Sigrid Koetse in haar geliefde rollen. Voorstellingen die allemaal voorbij zijn. Misschien bestaan ze nog wel in de herinnering van deze bezoekers, voor wie de Haagse Comedie nog steeds een levend gezelschap is. Maar ik vrees dat Bernhard snel vergeten zal zijn.

Bij de oprichting van Toneelgroep Amsterdam liet jij, als een van de oprichters, weten `geestdrift te willen, en geen huisstijl'. Eén van de opmerkelijkste beslissingen die je nam was het sterrenstysteem af te schaffen. De acteursnamen stonden alfabetisch gerangschikt op de affiches.

Ik beleefde veel plezier aan Bernhard. Ik vond Koetse schitterend in haar ijzige venijn, in de dodelijke verbaliteit waarmee ze haar dochter vernedert. Daarom waren die verzuchtingen en desillusies om me heen me des te vreemder. Maar ik ben ervan overtuigd dat die teleurstelling wezenlijk is en een dieper probleem openbaart. Bernhard is geschreven voor hetLeidseplein in Amsterdam, voor een groep ingewijden voor wie Thomas Bernhard, Marianne Hoppe, `Coen', en `de Brakke Grond' bekende begrippen zijn. Bij de première in de Amsterdamse Stadsschouwburg oogstte de voorstelling bijval - natuurlijk, vertrouwd publiek bij een voorstelling als een sneer naar het theater. Bij toneel over toneel,dus. Elders komt het publiek daar niet voor. Daar komen ze voor Sigrid Koetse, voor een ster - een ster die jij hebt afgeschaft.

Jij jongleert in Bernhard met de werkelijkheid op en buiten het toneel. De echte dochter als de dochter, Koetse die een actrice speelt die afscheid neemt en die dat zelf daadwerkelijk doet.

De klemmende vraag blijft: schep je geen distantie tussen jouw kennis en de toeschouwers die die kennis missen? Vervreemd je ze zo niet van je voorstelling?Ik kan me niet voorstellen dat de Amsterdamse incrowd je ultieme doel is. In een van je brieven maakte je gewag van sublieme toneelmomenten, maar die beleef jij tijdens repetities. In die beslotenheid floreer je kennelijk. Maar een voorstelling is er voor de toeschouwers, voor mensen die ontroerd willen raken, of verrijkt, geëmotioneerd misschien. Vergeet het Amsterdamse `Plein', denk aan de bezoekers van elke schouwburg in Nederland, al zijn de zalen daar soms dramatisch leeg.

Ik had te doen met de bezoekers die ontgoocheld de schouwburg in Meppel, Purmerend of Lochem zullen verlaten. Hen te bereiken, dat had onder jouw hoede een van de dromen kunnen zijn van Toneelgroep Amsterdam.

Met hartelijke groet,

KESTER FRERIKS

AMSTERDAM, 13 NOVEMBER 2000

este Kester,

Bedankt voor je brief. Bedankt dat je schrijft: ' Ik beleefde veel plezier aan Bernhard. Ik vond Koetse schitterend in haar ijzige venijn, in de dodelijke verbaliteit waarmee ze haar dochter vernedert.' Ik som maar even op wat je aan positiefs te melden hebt. Ik realiseer me dat deze briefwisseling niet interessant is als ik intens dankbaar de ene na de andere veer in mijn reet in ontvangst mag nemen. Het moet over meer gaan dan over die ene voorstelling waarvan jij weliswaar hebt genoten maar waar jij je bij afvraagt: wie nog meer? De vraag die jij aan de orde stelt is: waarom bekommert het - gesubsidieerde - toneel zich niet om 'het grote publiek'?

Ik kan heel nuffig antwoorden, dat in een moderne democratie 'het grote publiek' gelukkig niet meer bestaat. In dictatoriaal geregeerde landen zindert iedere voorstelling - de kracht van toneel, het is 'echt', het gebeurt hier en nu - van mogelijke subversieve verwijzingen naar een gehaat regime. In een verwende democratie als die van het Koninkrijk der Nederlanden is dat gelukkig niet zo. Nederlanders maken zich misschien nog massaal druk over sportsuccessen op olympisch of champions league-niveau, over wie wat doet onder een laken in Big Brother , over het weer en de files. De meeste Nederlanders zijn vooral bezig om in hun eentje of in kleine groepjes het beste ervan te maken. Sommigen bezoeken daartoe soms een toneelvoorstelling. Waarom? Om antwoord te krijgen op fundamentele vragen? Om een idool bijna te kunnen aanraken? Is dat misschien niet hetzelfde? Waarom vond jij destijds Am Ziel zo mooi? Het stuk? De legende Marianne Hoppe?

Terug naar Bernhard. Ik was niet bij de voorstelling in X die de acteurs overigens als prettig hebben ervaren. Ze vonden het publiek alert reageren. Ik was wel bij een voorstelling in Utrecht. Er waren ongeveer 400 mensen. Ze kwamen wat moeizaam op gang. Op veel komisch bedoelde teksten aan het begin kwam wat verspreid gegrinnik, de meeste toeschouwers vroegen zich af waar ze naar zaten te kijken. Langzaam drong het tot ze door dat het om een vrij grimmige komedie ging en niet om een sentimenteel afscheid. 't Is ook geen afscheid. Sigrid Koetse gaat met pensioen maar is nog lang niet weg. Tenslotte werden de acteurs op een warm applaus onthaald. Tevreden liep ik de zaal uit. Achter mij hoorde ik een man op leeftijd zeggen, misschien wel mijn leeftijd: `dit was een historisch dieptepunt.'

Die man was teleurgesteld. Had een andere voorstelling verwacht. Welke? Ik heb geen idee.

Een afscheidsvoorstelling in de stijl van de Haagse Comedie waar Sigrid ooit één seizoen deel van heeft uitgemaakt? Hoe ziet zo een voorstelling er dan uit? Ik denk dat ik dat weet. Ik weet ook dat ik zo een voorstelling niet wil maken. Mag ik niet denken, zeg jij. Ik moet maken wat het publiek wil dat ik maak.

In de Volkskrant van 9 november j.l. beklaagt Ger Thijs, voormalig artistiek leider van het Nationale Toneel in Den Haag, zich erover dat `het toneel geen maatschappelijke rol meer speelt, geen rol meer als laboratorium voor het menselijke gedrag, geen rol in de politieke realiteit. Het houdt de samenleving geen spiegel meer voor. Het heeft de spiegel omgedraaid en op het eigen smoelwerk gericht. Het celebreert mooi spelen. Erger nog, het celebreert beroemdheid. Waarom gaan mensen naar toneel? Om liefst mooi te zien spelen. We zijn verder dan ooit verwijderd van het DENKEN in de zaal van Brecht.' Het klinkt op het eerste gehoor interessant. Het is onzin. Ik ga ook naar toneel om mooi te zien spelen. Anders hoeft het al helemaal niet. Slecht gespeeld toneel is slecht toneel. Maar goed gespeeld toneel is niet per definitie goed of zelfs maar interessant toneel. Wat is dat dan wel? Tijdens ieder repetitie-proces moet dat worden uitgevonden. En steeds opnieuw moet dan maar blijken of een publiek dat ook vindt. Let wel: een publiek.

Het is eigenlijk ontroerend hoe Ger Thijs en jij en volgens mij ook staatssecretaris Van der Ploeg hardnekkig vast houden aan dat volstrekt achterhaalde, romantische ideaal: het grote publiek, het grote nationale podium waarop het toneel voortdurend de ene na de andere brede maatschappelijke discussie uitlokt. Misschien was dat min of meer zo in de tijd van Sofokles en Euripides, hoewel alleen aristocratische mannen die opvoeringen mochten bijwonen. Misschien was het min of meer zo in de tijd van Shakespeare. De meerderheid van de bevolking was analfabeet en als ze er eens uit wilden konden ze kiezen tussen een berengevecht en een toneelvoorstelling. Een minderheid koos denk ik voor het theater, maar toch. Al gauw speelt toneel dan een grotere maatschappelijke rol dan in een tijd die verstopt raakt door boeken, tijdschriften, radio, televisie, theater, film, internet, discotheken en house parties. Is het niet wat naïef om naar dat, ook nog eens geïdealiseerde, verleden terug te verlangen? Is het niet nog veel naïever om het huidige toneel te verwijten dat het dat verleden maar niet kan doen herleven?

Bernhard weer. Dertig kilometer buiten Amsterdam, schrijf je, begrijpt niemand dat stuk. Niemand weet daar wat 'het plein' is, wie 'Coen' zou kunnen zijn, waar 'De Brakke Grond' voor staat etc. etc. De voorstelling is inmiddels ook in Groningen gespeeld en volgens de acteurs kwam ongeveer alles `aan'. `Het plein', `Coen', De Brakke Grond en zelfs Bernhard, de Oostenrijkse toneelschrijver. Het heeft namelijk weinig met kilometers te maken, maar alles met de cultuur in een stad. In Groningen is een bloeiende theatercultuur. Er is een schouwburg, er zijn meerdere kleinere theaters en zo ongeveer het complete Nederlandse en Vlaamse theateraanbod is er te zien. Niet dat alle Groningers avond aan avond in het theater doorbrengen, maar er is wel een behoorlijk groot geïnteresseerd, ingevoerd en trouw publiek. Dat helpt. De schouwburg in X waar jij Bernhard zag is een schattig klein schouwburgje maar gesubsidieerd toneel valt daar weinig te genieten. Niet uit wederzijdse onwil. Gewoon omdat het theatertje eigenlijk te klein is. Natuurlijk, als er dan eens een voorstelling als Bernhard langs komt, met al die verwijzingen naar en toespelingen op het eigentijdse, veelal gesubsidieerde toneel, dan kan dat tot misverstanden leiden. Is dat eigenlijk erg? Is dat eigenlijk niet juist heel goed? Spelen we Bernhard misschien niet daarom ook in X? Om de mensen, ook in X, te bereiken, juist met iets dat ze nog niet kennen? Want dat had toch één van de dromen van Toneelgroep Amsterdam onder mijn hoede moeten zijn, schrijf je: de mensen bereiken.

Echt, geen acteur, geen regisseur en al helemaal geen enkele artistieke leider droomt van lege zalen, behalve in een nachtmerrie. En ook - echt - weet ik bijna zeker wat ik moet programmeren, hoe ik het moet regisseren en met wie, om overal volle zalen te kunnen krijgen. Maar daar gaat het niet om. Mij in elk geval niet. Mij gaat het om interessant, relevant en `noodzakelijk' toneel. Al kots ik inmiddels van dat soort termen. De ene keer probeer ik het via klassiekers als Richard III, De Cid en straks Macbeth. Dan mag ik er van uit gaan dat ik ettelijke schouwburgen vol kan krijgen. Een andere keer probeer ik het via een eigenlijk onspeelbaar stuk als Barnes Beurtzang en mag ik slechts hopen dat ik een aantal weken lang het T.T.A., het eigen theater van Toneelgroep Amsterdam, redelijk vol kan krijgen. En weer een andere keer probeer ik het middels een uiterst actuele, politieke satire als Srebenica en dan blijkt dat als alle cameraploegen weer vertrokken zijn, het grote maatschappelijke debat eindelijk is aangezwengeld en toneel weer eens middelpunt van het maatschappelijke proces is geweest, dan blijkt dat de toeschouwers overwegend weg blijven. Ook al speelt steractrice Kitty Courbois een meeslepende hoofdrol.

Sterren? Die kun je niet afschaffen. Die hoef je niet af te schaffen. Je neemt je alleen maar voor dat alle acteurs van het gezelschap even goed zijn. Dat ze allemaal hoofdrollen kunnen en moeten spelen, maar dat ze ook allemaal van tijd tot tijd mee opschuifelen in een koor in een Griekse tragedie. Ze staan in alfabetische volgorde op het affiche. Als ze er al op staan. Als het publiek sterren wil, maakt het die zelf.

Toen ik ooit aan dit vak begon had ik een droom: ik wilde toneel maken. Het beste, het mooiste toneel ooit. Toneel dat niemand nog gezien had. Het ultieme toneel wilde ik maken. En aan het slot van die droom droomde ik ook nog even dat iedereen dat wilde zien. Dat ze klapten en juichten en 58000 veren in mijn reet stopten. Inmiddels ben ik iets ouder en wijzer. Die droom heb ik nog steeds. Maar dat slot? Ik weet inmiddels hoe je net op tijd wakker kunt worden. In de misschien nog fascinerender werkelijkheid: toneel maken. Tegen de werkelijkheid op. En iedere veer is meegenomen.

Hartelijke groeten,

GERARDJAN RIJNDERS

`Bernhard'. Tournee t/m 3/2. Inl. 020-6279070