Het geld kwam niet meer

Wie was Jopie Pengel? De beroemdste Surinaamse politicus aller tijden hield leeuwen, las Machiavelli, en wilde vooral respect. Over de complexen van een prille natie en de troebele relatie met de voormalige kolonisator.

Over Suriname hebben in Nederland altijd volop clichés bestaan. De constatering is zelf alweer bijna een cliché. Het idee dat het niks wordt met `dat land', de overtuiging dat Suriname een `misverstand' is, een kunstmatige natie, die eigenlijk geen bestaansrecht heeft. En er is, als symbool voor alles wat er mis is, de identificatie met `Bouterse'.

Natuurlijk is er allemaal wel iets van waar, maar de clichés zeggen ook veel over de altijd moeizame verhouding tussen Nederland en Suriname. Het negatieve beeld bestond al ver vóór de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975. In de koloniale periode werden `rasphuisboeven' naar Paramaribo gestuurd wegens het tekort aan blanke kolonisten. Voor Nederlandse ambtenaren was `Indië' een promotie en `West-Indië' een verbanning.

Schrijvers dachten er soms ook zo over. W.F. Hermans schreef in De laatste resten tropisch Nederland (1969) over de toenmalige, legendarische Surinaamse premier Johan Adolf (`Jopie') Pengel als een `zwaarlijvige aspirant-dictator' en een `verkwistende dikkerd'. Een denigrerend oordeel dat, achteraf gezien, veel meer van toepassing zou zijn op de man die een kwart eeuw later aan de macht kwam, voormalig Amsterdams gemeenteambtenaar drs. J.F. Wijdenbosch, die de op de pof gebouwde brug over de Surinamerivier naar zichzelf noemde.

Ook in de toon van Nederlandse journalisten klinkt soms meewarigheid door wanneer het om Suriname gaat. Volkskrant-redacteur Jeroen Trommelen betrapt zich erop door het open raam van zijn taxi te willen roepen: `No span! Maak je niet druk, het heeft allemaal geen zin. Over een paar jaar groeit het gras hier door de brievenbus en doet de laatste bewoner het licht uit.' Maar hij corrigeert zichzelf meteen, want hij beseft ook dat je in Suriname al gauw verkeerd zit als je denkt het te weten. `De waarheid heeft in Suriname vaak meerdere gezichten', constateert hij in zijn aardige reportagebundel Dwars door Suriname. Drie Guyana's in een tegendraads portret.

Guyana`s

Trommelen doet daarin op een journalistieke manier wat schrijver Albert Helman deed in zijn Kroniek van Eldorado, en hoogleraar Gerrit Kruijer in Suriname en zijn buren. Hij schetst, niet al te diepgravend, de worstelingen met economie, etniciteit en identiteit in Suriname, (voormalig Brits) Guyana en Frans Guyana. De `drie Guyana's' vertonen grote overeenkomsten, al heeft Frans Guyana het door de miljardenstroom uit Parijs veel gemakkelijker. Uiteindelijk is Trommelens conclusie somber: de Guyana's zullen toevallen aan wie de meeste moeite voor ze doet. Vroeger waren dat Hollanders en Fransen, nu Colombiaanse drugsdealers en Braziliaanse goudzoekers.

Is die somberheid terecht? Het is goed te bedenken dat Suriname morgen pas 25 jaar onafhankelijk is. Dat ondanks emigratie nog altijd veel capabele mensen hun lot aan hun land verbinden. Dat met de nu aangekondigde vervolging van de Decembermoorden een te lang uitgesteld proces van maatschappelijke zelfreiniging op gang kan komen. Dat Surinaamse kiezers, in weerwil van het etnische cliché, de laatste jaren een rijp politiek oordeel hebben geveld zij gaven de partij van Bouterse en Wijdenbosch in 1996 ondanks alle populistische praatjes nog geen kwart van de stemmen en dwongen een paar jaar later met massademonstraties nieuwe verkiezingen af om een eind te maken aan wanbeleid, corruptie en diefstal.

De bundel van Trommelen is een van de vele publicaties rondom het jubileum van de Surinaamse onafhankelijkheid. Journalist John Jansen van Galen, die eerder in Kapotte Plantage een scherp beeld schetste van de moeizame natievorming, laat in Hetenachtsdroom. Suriname, erfenis van de slavernij nationalisten van het eerste uur aan het woord. Het is een interessante orale geschiedenis annex reportage over Suriname geworden. De nationalisten vertellen over hun zoektocht naar de eigen (creoolse) identiteit en eerherstel voor het sranan tongo. Jansen van Galen sprak ook met een van de nationalisten die een bomaanslag pleegden op de toenmalige premier Pengel – het ding ontplofte in Pengels tuin – en die later met een jachtgeweer op Pengel werd afgestuurd, maar op het beslissende moment de trekker niet overhaalde.

De aanslag was koren op Pengels molen, die de nationalisten als `communisten' afschilderde en zo het eigen electoraat bijeen kon houden. Begin jaren vijftig had hij nog de leus van een `vrij en onafhankelijk Suriname' gepropageerd. Maar Pengel maakte er later nooit meer een halszaak van, omdat hij geen breuk met de hindostanen wilde. Dat was hem komen te staan op een steeds meer gespannen verhouding met de creoolse nationalisten. Advocaat Eddy Bruma – de deze maand overleden inspirator van de creoolse beweging Wi egi sani (`Onze eigen dingen') werd Pengels grote kwelgeest.

Uit Jansen van Galens rondgang wordt duidelijk dat de creoolse nationalisten ook om inhoudelijke redenen nooit een politiek alternatief konden vormen. Hun activiteiten waren vooral gericht op de creoolse cultuur; rijpe politieke en economische ideeën hadden ze niet. Pengel deed zijn land niet zozeer schade door zulke nationalisten links te laten liggen, maar veel meer door hoogopgeleiden, ook in zijn eigen partij, geen kansen te geven uit vrees door hen te worden overvleugeld. Het politiek-economische bestel in Suriname raakte hierdoor steeds meer naar binnen gericht. Paradoxaal genoeg stimuleerde Pengel de verstrekking van studiebeurzen aan landgenoten altijd sterk, maar vervolgens zag hij ze liever niet terugkomen. In het kleinschalige Suriname werden `eigenwijze' terugkeerders altijd al gewantrouwd.

Dierentuin

Wie was deze `Jopie' Pengel? Ofschoon hij al dertig jaar dood is, werd hij in een enquête van het Historisch Nieuwsblad deze maand nog opvallend vaak genoemd als de belangrijkste Surinamer van de afgelopen 25 jaar. Het zal deels nostalgie zijn. De journalisten Han Hansen en Gabri de Wagt hadden het in hun boek Wat doen we in Suriname? (1967) al over `een legendarische figuur' over wie `spectaculaire verhalen' de ronde deden. Hij bezat een privé-dierentuin, met leeuwen. Zijn lievelinsgboek was Machiavelli's De Vorst. Een lijfwacht bewaakte hem dag en nacht, aldus Hansen en De Wagt, `alsof honderden onderkruipers het op zijn leven hebben voorzien'.

Vrijwel gelijktijdig met de publicaties van Trommelen en Jansen van Galen is nu een lang verwachte biografie (en proefschrift) over de charismatische politicus en volksleider verschenen, geschreven door de Surinaamse publicist, universiteitsdocent en politicus Hans Breeveld, wiens kritische politieke brochures en gedichten in Suriname zeer populair zijn.

In Jopie Pengel 1916-1970; Leven en werk van een Surinaams politicus memoreert Breeveld een gebeurtenis die tekenend is voor Pengel. Hij kwam in 1964 in conflict met de Nederlandse vice-premier Biesheuvel over de benoeming van de Surinamer Hein de Vries tot gouverneur van het land. Biesheuvel liet Pengel per brief weten dat hij De Vries `de meest aangewezen' persoon vond, maar Pengel week geen duimbreed, ook niet toen Biesheuvel meldde dat De Vries inmiddels zelf had ingestemd. Uiteindelijk ging Pengel om, bij een bezoek van Biesheuvel, en onthulde waarom hij zoveel bezwaar had gemaakt: `Hein was mijn eerste kandididaat, maar hij zei niet te kunnen ingaan op mijn verzoek. Als ik nu merk dat het wèl kan bij jou, hoe zou jij je in mijn plaats voelen?' Breeveld meent dat Pengel pas inbond nadat hij de Surinaamse nationalisten had laten zien aan Nederland tegengas te kunnen geven. Bovendien zou Pengel door het bezoek van Biesheuvel `de nodige erkenning' hebben gekregen. Hier rijst bij de lezer het beeld op van een Surinaamse neger die vooral uit was op wat tegenwoordig zo modieus `respect' heet. Zijn frustratie doet denken aan die van zwarte Nederlandse voetballers als Seedorf en Davids.

Breeveld geeft een uitvoerig beeld van Pengels jeugd en vroege loopbaan. Pengel, geboren in 1916 als zoon van een onderwijzer, had als schooljongen al het hoogste woord. Hij was intelligent en blonk uit in dammen en kaarten. Geïnteresseerd in politiek, besefte hij dat zijn donkere huid een handicap was in de koloniale samenleving, die werd gedomineerd door blanke Nederlanders, joden en lichtgekleurde creolen. Het zou Pengels politieke gedrag en zijn soms wispelturige houding jegens Nederland bepalen; zijn grootvader was in 1848 nog als slaaf geboren aan de Parakreek. Sociale bewogenheid was naast zucht naar respect en erkenning misschien wel Pengels tweede belangrijke drijfveer. Na de mulo – toen de hoogste opleiding in Suriname – werkte Pengel op de griffie van het kantongerecht, waar hij zich ontpopte als een vakbondsleider in spe, maar nooit zijn diploma als praktizijn haalde. Breeveld maakt aannemelijk dat zijn huidskleur en assertieve gedrag tegenover de elite Pengel het diploma kostten. `Ik zou beginnen te groeten als ik u was', zei hij eens tegen de blanke vrouw van de ook blanke procureur-generaal toen die hem bij een bezoek aan het griffiekantoor gebood op te staan.

Zonder diploma gaf Pengel als nengre-oso-afkati (letterlijk: neger-huis-advocaat) adviezen aan de volksklasse, wat hem grote populariteit opleverde. Hij had al een grote achterban toen hij in 1949 parlementslid werd voor de Nationale Partij Suriname (NPS), de partij van de huidige president Venetiaan. Met het voorzitterschap van de vakcentrale Moederland (de combinatie politicus/vakbondsleider is in het Caraïbisch gebied nog steeds gangbaar) legde hij de basis voor zijn politieke carrière. Als journalist en kranteneigenaar schreef hij ook nog het dagblad Nieuw Suriname vol.

Creoolse elite

Pengel ging al snel de strijd aan met de lichtgekleurde creoolse elite die de partij domineerde. Door een coalitie te smeden met Jaggernath Lachmon van de hindostaanse VHP kon hij uiteindelijk ook de meerderheid in de Surinaamse Staten verwerven. Het was een cruciale alliantie door Lachmon aangeduid als `verbroederingspolitiek' – waarin twee belangen samengingen. Pengel kon de emancipatie van de zwarte volkscreolen dichterbij brengen, terwijl Lachmon het lot van de arme hindostaanse bevolkingsgroep kon verbeteren.

Voor Pengel was het ook een persoonlijke keuze. Breeveld wijst op de hindoestaanse vrienden die hij vanaf zijn jeugd al had. Bovendien besefte hij – net als Lachmon – dat Suriname niet goed door een etnisch eenzijdige regering kon worden bestuurd. In 1967 kwam het weliswaar tot een breuk tussen NPS en VHP, maar Pengel regeerde door met een andere hindoestaanse partij. De breuk had vooral te maken met de eis van VHP om meer ministersposten te krijgen, een eis die Pengel afwees omdat dat zijn armslag voor patronage te veel hebben verkleind. Breeveld vergoelijkt die praktijk van het uitdelen van overheidsbanen en andere gunsten onder de eigen achterban. Pengel wilde volgens hem de achterstand van de donkere creool gewoon rechttrekken. `Bij deze inhaalmanoeuvre is Pengel waarschijnlijk al dan niet opzettelijk zijn doel voorbijgeschoten.' Zeker in het licht van de latere economische neergang van Suriname is dat een al te milde beoordeling.

Vreemd genoeg laat Breeveld de ambigue relatie tussen Pengel en Nederland grotendeels buiten beschouwing. Wie een helder beeld wil schetsen van zijn persoon kan niet om die haat-liefdeverhouding heen. Nederlandse gouverneurs hadden geen al te hoge pet van Pengel op, wat duidt op onderschatting van de man. `Laat men toch in Suriname goed begrijpen dat een door negers bestuurd land vandaag voor een investeerder beslist niet aantrekkelijk is', schreef de sociaal-democratische gouverneur Van Tilburg aan Den Haag.

Pengel sprak zelf in Duitsland en Frankrijk met investeerders, maar van de diverse plannen kwam nooit iets terecht. Volgens Breeveld wilde Pengel wel degelijk een ommekeer brengen in de economische monocultuur (bauxiet) en de `mono-afhankelijkheid' van Nederland. Hij wijt het mislukken van Pengels ambitieuze economische plannen aan diens onbegrip van economie. Daarnaast noemt Breeveld het patronagesysteem, dat eigen initiatief niet stimuleerde. Hij had er de Nederlandse hulp nog aan toe kunnen voegen, die meer de consumptie stimuleerde dan de productie.

Al deze elementen spelen Suriname nog steeds parten. Venetiaan maakte in zijn eerste regeerperiode (1992-1996) na lang aarzelen een begin met sanering en hervorming van de economie, die door de grote staatsrol Oost-Europese trekken heeft. Na de desastreuze periode-Wijdenbosch wacht hem nu een nog immenser taak, waarbij Nederlandse hulp opnieuw een belangrijke rol zal spelen.

Hoe afhankelijk Pengel van Nederland was, bleek bij zijn val in 1969, na massale onderwijsstakingen. Nederland stopte de begrotingssteun aan Suriname wegens het slechte financiële beleid en trok zo het kleed weg onder Pengels kabinet. In het verleden was Pengel altijd uit Nederland teruggekeerd met de boodschap a moni doro (`het geld is gekomen'). Volgens Breeveld wordt te veel nadruk gelegd op de rol van de Nederlandse regering. Dat valt te betwisten. Het is in dit verband ook niet goed te begrijpen dat de schrijver vrijwel geen aandacht heeft voor het hoogoplopende grensconflict tussen Suriname en Guyana. Nederland wilde er zijn handen niet aan branden, toen Guyana een militaire post in betwist gebied inrichtte. Pengel haalde zich vervolgens het ongenoegen van Den Haag op de hals door op eigen houtje een `defensiepolitie' op te richten. Ook waren er aanwijzingen van geheime wapenleveranties door Venezuela. Genoeg redenen voor Nederland om van Pengel af te willen.

Pengels leven en denken

Breeveld heeft met tientallen informanten gesproken en persoonlijke correspondentie gezien. Dat levert soms aardige inzichten op in Pengels leven en denken. Maar de schrijver laat het te veel aan de lezer over om de krenten uit de tamelijk grauwe pap te vissen. Bovendien wordt Breeveld te zeer geremd door de houding om academische afstand te bewaren, waardoor het verhaal nogal steriel wordt en het beeld van Pengel te fragmentarisch blijft.

Het aardigste zijn de passages over Pengels jeugd en zijn vroege loopbaan. Met de sterke verhalen over zijn privéleven blijkt het nogal mee te vallen. Hij had een buitenechtelijk kind, wat ook toen in creoolse families in Suriname niet ongewoon was. Hij trouwde na een echtscheiding alsnog met de moeder van zijn eerste kind. Pengel vergaderde als politicus het liefst achter de winkel van een Chinese vriend en ging letterlijk door de modder voor de achtergestelden. Zijn religieuze achtergrond – zoals veel Surinaamse creolen hoorde hij tot de Evangelische Broedergemeente – speelde hierin een rol. In die kerk moet hij ook zijn gedragen spreektrant hebben aangeleerd.

Per saldo blijft de statuur van Pengel en zijn belang voor Suriname onbetwistbaar. Was Pengel een `aspirant-dictator', zoals Hermans schreef? Zijn grootste `vergrijp' was wellicht dat hij Eddy Bruma diens kritische radiocolumn bij de staatsomroep ontnam. Maar de Surinaamse dagbladen konden ongeremd hun traditioneel vurige polemieken voortzetten. Pengel trok weliswaar veel politieke macht naar zich toe, maar die machtsconcentratie werd hem dan ook noodlottig, mede door verzet binnen zijn eigen partij. Bij de verkiezingen van 1969 moest Pengel buigen voor een andere, gematigde creoolse partij. De overname van de vakbeweging door de nationalisten was de genadeslag geweest. Pengel overleed in 1970, 54 jaar oud.

Hoe had de creoolse volksleider zo de greep op de zaken kunnen verliezen? Breeveld houdt het – waarschijnlijk terecht – simpel. Pengels zwakke gezondheid had hem eind jaren zestig minder mobiel gemaakt, waardoor hij te veel moest afgaan op een kleine kring vertrouwelingen en het contact met de werkelijkheid verloor. Een syndroom waar wel meer politieke leiders in deze wereld aan ten onder gaan. Breeveld suggereert Pengel (en Lachmon) tot `nationale helden' uit te roepen wegens hun verdiensten voor de verwezenlijking van een etnisch harmonische samenleving. Daar valt iets voor te zeggen, al sluimeren etnische tegenstellingen ook in Suriname nog altijd. De etnische vrede is Pengels belangrijkste prestatie – zie de talrijke etnische twisten elders in de wereld. Voorlopig moet Pengel het doen met een naar hem genoemd vliegveld en een standbeeld op het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo.

Hans Breeveld: Jopie Pengel 1916-1970; Leven en werk van een Surinaams politicus.

Conserve, 501 blz. ƒ65,-

John Jansen van Galen: Hetenachtsdroom. Suriname, erfenis van de slavernij.

Contact, 367 blz. ƒ49,90

Jeroen Trommelen: Dwars door Suriname. Drie Guyana's in een tegendraads portret.

Arena, 192 blz. ƒ36,50