Gewoon helemaal niet

Het wadionieuws begon met ministew Bwinkhojst en de gekkekoeienziekte. Toen ministew Borsjt en de euthnasie. Awafat en het vjedespwoses. De boewen en hun watewoverlast. En eindelijk het weejbewicht. Wegen! En windstoten. En in de vwoege mojgen nog meej wegen.

In de tram las ik de Volkskrantcolumn van Jan Mulder. Hij is allergisch voor de uitspraak van s, z en g of ch. Hij betrapt de nieuwslezers erop dat ze zeggen: in het gedinch in plaats van geding. Mijn sympathie heeft hij.

Op de redactie, bij de koffieautomaat, trof ik de landbouwredacteur, een jongeman die met zijn tijd meegaat. Hij heet Krijn. Ik zei: `Hallo Kwijn. Nog iets nieuws over Bwinkhojst en het Fwanse wundvlees?' Hij vertrok geen spier, was ook niet verwonderd dat ik zo vroeg al het laatste nieuws over de Franse runderen wilde weten. Hij zei: `Ew mag weej gewoon geimpojteewd wojden.' Toen wist ik het zeker. Ik sprak zijn taal, die ook Nederlands is. Wat mij tot mijn laatste snik als niet goed! in de oren zal klinken, is normaal Nederlands geworden. Over een paar jaar spreek ik een Nederlands waarover de columnisten die dan hun kolommetjes vullen, hun licht meewarig zegje zullen doen, tenzij ik me aanpas.

De taal verandert. De mensen die de oude versie spreken, keuren de nieuwe versie af. Geen wonder, want daar wordt een stukje van hun leven bijgezet. De vernieuwers verdedigen hun verworvenheden, omdat ze daarin kenmerken van hun tijd zien. Ik zag en hoorde eens een journaalfragment: minister-president Hendrik Colijn in Hoorn, in een kerk. Hij hield een toespraak om te herdenken dat Jan Pierszoon Coen 400 jaar geleden geboren was. Je kon je oren niet geloven. Het was Nederlands, woord voor woord te verstaan, maar niet alleen sprak hij alle woorden anders uit; het leek ook alsof ze uit een andere constructie van strottenhoofd en stembanden kwamen. Wim Kok zou eens moeten proberen, met deze dictie, in zulke bewoordingen te verklaren dat mevrouw Maxima en prins Willem-Alexander een hechte vriendschap hebben. Eigenlijk - denk ik terwijl ik dit schrijf – is het een wonder dat wij van de pers en het volk deze hypereufemistische flauwekul pikken. Ook zo'n woord: pikken. Een jaar of dertig geleden zou het niet in je hoofd zijn opgekomen, dit woord in deze context op te schrijven in een krant die de nuance zoekt.

De vraag is: heeft het zin, van tijd tot tijd een columnpje over `taal' te schrijven? Tja! Het is maar hoe je het opvat. Als kind las ik in De Groene de stukjes van Charivarius, over de fnaffers en de fnuiters. Dat waren de mensen die `vanaf hier gezien' en `vanuit Amsterdam' schreven in plaats van `van hier af gezien' en `van Amsterdam uit'. Na de oorlog ging in De Groene mr. E.Elias als Edouard Bouquin op de taal letten. In deze krant betrapte J.L.Heldring menig journalist en schrijver op kromme taal en rammelende redeneringen, tot hij meldde dat hij `er geen zin meer in had'. Ik zie hoe in de Volkskrant Jan Blokker uit zijn vel springt bij het lezen van politiek Haags. Hoe goed kan ik het begrijpen. Bij het lezen van sommig Haags taalgeknutsel springt het glazuur van je tanden, zoals Wim T.Schippers zegt als hij weer eens hoort dat iemand het `met name' verkeerd gebruikt. `Naar de mensen toe'.

Maar je kunt wel aan de gang blijven. Deze tijd is de vorige niet en het gaat snel. In de Amsterdamse metro riep een jaar geleden nog Philip Bloemendal op een bandje om bij welk station je was aangekomen. Station Nieuwmarkt. Soms heb ik een fractie van een seconde gedacht: is het weer oorlog? Het leek alsof ik in 1936 in de Cineac zat. Zo gedateerd was zijn dictie geworden. Maar natuurlijk spijt het me dat hij weg is.

Niet alleen veranderen de tijden; het gaat ook sneller. Wie voor een microfoon staat of voor de camera komt (en wie gebeurt dat niet?), voelt zich verplicht origineel uit de hoek te komen, de blits te maken. En de blits van gisteren is niet die van vandaag. Is dat goed of verkeerd? Wie zal het nog zeggen. Je moet het bijhouden, beschrijven, maar waardevrij, zoals Jan Stroop met zijn poldernederlands heeft gedaan. Dat is voor de geschiedenis; niet voor de zuiverheid.

Tot slot laat ik nog twee stokpaarden de verte in draven. Door gaan in de zin van voortzetting wordt langzamerhand vervangen door gewoon door gaan. Het eerst viel het me op in het nieuws over de luchtaanvallen op Servische doelen. De bombardementen gingen gewoon door, zei de nieuwslezer. Ik kan niet vermoeden waar het vandaan komt. Meer en meer gaat gewoon door, ook het meest absurde. Is het een poging tot bagatellisering? Of een nieuw spraakgebruik waar we niets achter moeten zoeken? Het andere stokpaard is: de aftakeling van niet en geen. Deze woorden worden in het spraakgebruik te zwak bevonden. Het wordt: helemaal niet en helemaal geen. Woensdag nog op de voorpagina van de Volkskrant. CBS: werkdruk neemt helemaal niet toe. Dames en heren, hoe vaak moet ik het nog zeggen: er is geen minder niet dan niet. Antwoord: Dat is niet helemaal waar.

Het zij zo.