Geschiedenis met de hamer

Gore Vidal laat in `The Golden Age' talloze historische en verzonnen personages opdraven. Dat is logisch voor een man die de roman jaren geleden al dood verklaarde. De `Lope de Vega van de televisie' is onderhoudend en pikant als altijd.

Gore Vidal heeft al zo lang geleden het einde van de roman voorspeld dat de vraag, naar aanleiding van zijn laatste werk, niet geheel academisch is: ís The Golden Age eigenlijk wel een roman? Ja, in de zin dat het boek een uitgebreide reeks van (verzonnen en historische) personages heeft. Ja, in de zin dat ze met elkaar roddelen, politiek en liefde bedrijven, huwen, scheiden, sterven en nageslacht voortbrengen. Ja, in de zin dat het boek een kloek formaat heeft en het afsluitende (zevende) deel vormt van wat Vidals `American Saga' is gaan heten.

Maar voor het overige? De auteur lijkt nauwelijks geïnteresseerd in een coherente verhaallijn. Verzonnen en historische karakters mengen in dit boek zo slecht als de gasten op een veel te haastig georganiseerde party. Het verzonnen deel van die cast komt in al die honderden pagina's nauwelijks tot leven, alsof de auteur zijn belangstelling voor hen al halverwege zijn saga heeft opgeofferd aan het imposante wereldgebeuren dat zo nadrukkelijk de voorgrond vormt. En de dialogen zijn op sommige plekken niets meer dan gefragmenteerde en willekeurig beurtelings opgedreunde flarden exposé, die in belangrijke mate dienen om Vidals gelijk te bevestigen.

Is het daarmee ook een slecht boek? Nee. Het is onderhoudend, pikant, het zit vol ideeën, het is, kortom, vintage Vidal.

Zeker voor wie er niet tegenop ziet in een roman zulke uiteenlopende historische personen als de Roosevelts, Tennessee Williams, William Hearst, Harry Truman, Leonard Bernstein – en Gore Vidal zelf te zien praten, roddelen en intrigeren. Ze worden met dezelfde mate van respect en disrespect behandeld als de fictieve karakters, met name de familie Sanford, wier geschiedenis Vidal als leidraad hanteert in de hele zevendelige romanreeks.

In een aangenaam hautain nawoord neemt Vidal al bij voorbaat de critici onder handen die hem deze mengeling van feiten en fictie zullen verwijten. Het is een misverstand geschiedschrijving als een waarheidsgetrouw verslag van de gebeurtenissen te zien en de roman als een verzinsel, schrijft hij: soms kan het precies andersom zijn. Toch lijkt het Vidal warempel zinvol om even stil te staan bij de vraag: wat heb je verzonnen en wat heb je ontleend aan wat hij noemt de agreed-upon record?

Vidal heeft zelf veel van de personen goed gekend. Hij was aanwezig bij de Democratische Conventie van 1940, die hij met zoveel kleur beschrijft. Wat Eleanor Roosevelt tegen hem zei in de vroege jaren zestig is misschien niet woord voor woord wat er in het boek staat, `maar ik vermoed dat mijn herinnering aan wat ze zei een stuk dichter bij haar feitelijke woorden staat dan, zeg, de reconstructie van een toespraak van Pericles door [...] Thucydides.'

Ik heb de neiging Vidal hier gelijk te geven, al is hij, zoals zijn lezers weten, mans genoeg zijn eigen I-told-you-so's te formuleren. Dat doet hij met veel smaak in een aantal gevallen, maar met name om zijn gelijk te halen aangaande zijn (door historici tegengesproken maar ondertussen door DNA-onderzoek bevestigde) bewering dat Thomas Jefferson kinderen verwekte bij zijn slavin Sally Hemmings.

Wat dat betreft zullen de door hem zo verguisde historici hun eigen polemieken met dit boek uit te vechten hebben. Veel van de historie berust op de (niet nieuwe) veronderstelling dat Roosevelt, na geduldig wachten tot zijn oorlogsmachine op sterkte was, de Japanners heeft geprovoceerd tot de aanval op Pearl Harbor teneinde een excuus te hebben Amerika te betrekken in de oorlog. Het was Roosevelts `meesterplan' in de woorden van Senator Gore, Vidals grootvader. De bewering dat Japan in 1945 al maanden lang vóór Hiroshima `pogingen deed zich over te geven' is nog controversiëler.

Gouden periode

Vidal houdt van de brede historische penseelstreken; de wenselijkheid van een oorlogseconomie, na de falende economische ingrepen volgend op de depressie, wordt met een al even achteloze vanzelfsprekendheid tijdens Roosevelts presidentschap verklaarbaar gemaakt. Interessant is daarbij hoe Vidal de oude, uitgerangeerde Herbert Hoover de eer geeft van een profetische uitspraak. `Ik ben ervan overtuigd,' aldus de weggestemde ex-president, `dat de volgende oorlog ons absoluut zal transformeren. Ik zie meer macht voor de grote corporaties. Meer macht voor de regering. Minder macht voor het volk. Want als dat eenmaal op gang komt, is het niet meer terug te draaien.'

De titel van het boek is intrigerend: hoe kan iemand anders dan met ironie een periode van vijftien jaar als `gouden' betitelen die begint met een verwoestende wereldoorlog en eindigt met Korea en de bitterste kou van de koude oorlog? Vidal is vrij duidelijk in zijn antwoord: voor hemzelf was het een gouden tijd, waarin hij zijn eerste romans publiceerde (The City and the Pillar verscheen in 1948). Het is dan ook rond die periode dat een figuur genaamd Gore Vidal zelf zijn intrede doet in de vertelling, en de auteur laat hem met smaak, en met Marlon Brando en Leonard Bernstein als getuigen, de culturele veranderingen van die tijd waarnemen. `Mijn moeder houdt vol dat Gore net zo schrijft als Shakespeare', zegt een van de vrouwelijke personages. Dat brengt zelfs de auteur tot blozen. `Ik zou nooit van die rijmende coupletten aan het eind van de scènes kunnen schrijven,' antwoordt hij bescheiden. Verderop laat hij zich minzaam de betiteling `Lope de Vega van de televisie' welgevallen.

Amerikaanse saga

In een curieus slothoofdstuk neemt de auteur ons een halve eeuw verder mee naar het jaar 2000, naar zijn huis in Ravello, in Italië. Op een toon die nadrukkelijk herinnert aan zijn memoires (Palimpsest) beschrijft hij een ontmoeting met de fictieve Peter Sanford, die in grote delen van dit boek als spreekbuis voor de auteur optreedt, en met een tv-maker met de initialen A.B., die als nakomeling van Aaron Burr de saga rond moet maken.

Wat dat betreft is de slotalinea van het boek nog intrigerender, die woord voor woord identiek is aan die van het boek waarmee de cyclus begon (Washington D.C.). Peter Sanford en zijn schepper zijn dan tot het oordeel gekomen dat `the generations of man come and go and are in eternity no more than bacteria upon a luminous slide, and the fall of a republic or the rise of an empire [...] are not detectable upon the slide even were there an interested eye to behold that steadily proliferating species which would either end in time or, with luck, become something else, since change is the nature of life, and its hope.'

Aldus genoteerd in 1966 en nu, opnieuw, in 2000. Niets is toevallig in Vidals oeuvre en ook dit niet. Blijkbaar wil hij zijn lezers op het hart drukken dat hij, wat hij 34 jaar geleden schreef niet voor verbetering vatbaar vindt. Deze cirkel is rond, zoals er ander cirkels worden rond gemaakt in deze moeizaam geconstrueerde, maar toch voortdurend prikkelende... nou vooruit: roman.

Met The Golden Age heeft Vidal zijn Amerikaanse saga afgesloten. De serie werd niet in historische chronologie geschreven; eerst was er het cynische Washington D.C dat in de jaren dertig van de twintigste eeuw is gesitueerd, vervolgens Burr dat honderd jaar eerder speelt, met zijn meesterlijke evocatie van het roerige New York in de eerste helft van die eeuw. Nu de hele reeks er ligt kan geconcludeerd worden dat Vidal met deze twee eerste delen zijn meesterwerken schreef. De volgende vier delen (1876, Lincoln, Empire en Hollywood) vulden de tussenliggende eeuw in maar waren om verschillende redenen zwakker. Dat geldt ook voor deze coda, The Golden Age; het is een boek dat ondanks alle bezwaren heerlijk te lezen is, vooropgesteld dat de lezer van geschiedenis houdt, van provocerende roddel, en van speculatief schrijven.

Gore Vidal: The Golden Age. Doubleday, 467 blz. ƒ49,95