Experiment moet leiden tot geïnspireerde leraren

Leren moet weer leuk worden en lesgeven weer aantrekkelijk. Gisteren presenteerden A. Rinnooy Kan en R. in `t Veld een `gedachte-experiment'.

Inspiratie. Dat woord viel bij herhaling.

Inspiratie is het sleutelwoord van de toekomstvisie voor het onderwijs van Alexander Rinnooy Kan, lid van de raad van bestuur van de ING, bestuurskundige Roel in `t Veld en Frans de Vijlder (beleidsadviseur van minister Hermans). Leren moet voor leerlingen weer leuk worden, en lesgeven weer aantrekkelijk. Het gaat vergeleken bij andere landen niet slecht met de prestaties van de Nederlandse leerlingen, maar het kan véél beter, vinden ze. Geïnspireerde leraren en leerlingen en ook ouders kunnen gezamenlijk het onderwijs opstuwen tot wereldklasse.

Gisteren presenteerden ze Bij de les! Het is een `gedachte-experiment' gemaakt op verzoek van de Max Geldens Stichting, genoemd naar de oud-topman van het adviesbureau McKinsey. Elk jaar vraagt het bureau enkele wijze mensen zich te buigen over een maatschappelijk onderwerp waarna de betreffende bewindspersoon het advies ontvangt. Vandaag wordt minister Hermans (Onderwijs) Bij de les! aangeboden.

Scholen moeten, als het aan Rinnooy Kan, In `t Veld en De Vijlder ligt, kleine eenheden worden waar leerlingen en leraren zich thuis voelen. Weg met de reusachtige scholengemeenschappen met duizenden leerlingen. Maximaal zeventig `professionals' (lees: leraren) geven les aan zo'n vierhonderd leerlingen. Op die manier voelen leerlingen en leraren zich verbonden met de school. Met als belangrijk neveneffect dat er minder leerlingen zullen uitvallen.

Leraren moeten meer verantwoordelijkheid en zeggenschap krijgen. Daarvoor zouden ze zich, in de visie van de drie, moeten verenigen in teams die de school runnen. Die teams zijn te vergelijken met maatschappen van advocatenbureau's en artsenpraktijken. De `maatschap' is verantwoordelijk voor het lesprogramma, de prestaties van leerlingen en voor verantwoording naar buiten toe met een jaarverslag. Het team kiest de rector en eventuele andere managers. De beste maten (superdocenten) worden het hoogst beloond. In `t Veld: ,,Een gewone professionele organisatie, dus.''

Scholen kunnen zich profileren met innovatief en gevarieerd onderwijs. Hierdoor gaan scholen van elkaar verschillen en valt er voor ouders meer te kiezen. Om als kleine organisatie toch van de voordelen van schaalvergroting te kunnen profiteren, moeten gelijkgezinde scholen zich organiseren in een soort franchise-verband.

Om de leerlingen onderwijs op maat te kunnen bieden, is de grootscheepse inzet van computers vereist. Een computer kan de zwakke en sterke kanten van een leerling registreren en daarop met lesmateriaal op inspelen. Zo zouden klassen van zestig, zeventig leerlingen die ieder op een eigen computer werken, geen probleem zijn. Daardoor komt menskracht vrij voor individuele begeleiding. ,,We moeten af van de standaard klasse-grootte'', zegt In `t Veld.

Ook de financiering van het onderwijs moet op de schop. Scholen moeten het geld niet uit Zoetermeer krijgen, maar van ouders en leerlingen. Dit kan met het `vouchersysteem' waarbij leerlingen bonnen krijgen die ze kunnen verzilveren voor onderwijs. Ouders zullen hun kinderen naar de kwalitatief beste scholen sturen, zodat die meer geld krijgen en zo gesteund worden. Scholen die onvoldoende vouchers binnenhalen, moeten zich verbeteren of sluiten.

De waarde van de voucher moet afhankelijk worden van de achtergrond van de leerlingen. Kinderen uit kansarme gezinnen en allochtonen krijgen dure vouchers, het kroost van de bankdirecteur en de tandarts de goedkoopste. Zo wordt het voor scholen aantrekkelijk om kansarme kinderen te werven en zo goed mogelijk door de school heen te loodsen.