Een kindsoldaat leegt de beerput

Vorig jaar vertelde de uit Kongo-Brazzaville afkomstige schrijver Emmanuel Dongala in een interview met deze krant hoe, bij het uitbreken van de burgeroorlog in zijn land, jongens van een jaar of tien, twaalf over zijn leven beschikten. Zijn huis werd in brand gestoken en geplunderd door jongens die, als kindsoldaat in het leger van een stamhoofd, vechtend door het land trokken. `Een verloren generatie' noemde Dongala hen en dat was fataal voor de overdracht van cultuur, normen en waarden. Het kind als slachtoffer – dat zou het onderwerp zijn van zijn volgende boek.

Ahmadou Kourouma was hem voor. In Allah n'est pas obligé beschrijft de in Ivoorkust geboren auteur hoe een jongen van een jaar of tien, twaalf (niemand die hem dat precies kan vertellen) terecht komt in een leger van kindsoldaten, dat moordt, verkracht en plundert in de brandhaarden van Liberia, Sierra Leone en Ivoorkust. Ook in zijn vorige romans hekelde Kourouma de corruptie van de Afrikaanse dictators en de zinloosheid van de voortdurende burgeroorlogen, waarin alleen het recht van de sterkste geldt. In 1976 verscheen zijn eerste roman Les soleils des indépendances, die onder andere werd bekroond door de Koninklijke Academie van België. Vorig jaar kreeg Kourouma de Prix Inter voor En attendant le vote des bêtes sauvages, een roman waarin de hoofdpersoon, tijdens de koude oorlog, bij de hem omringende dictators lessen neemt in despotisme.

Kourouma kreeg dit jaar de Prix Renaudot. Hij is daarmee de enige niet-Franse, franstalige auteur die een grote literaire prijs kreeg en, na de Kameroense Calixthe Beyala, de tweede Afrikaan in tien jaar die in de belangrijke prijzen viel. Het aantal in het Frans schrijvende Aziaten, Arabieren, Noord-Afrikanen en Antillianen lijkt jaarlijks toe te nemen en ook in de Franse pers steeds meer aandacht te krijgen. Het tijdschrift Lire veronderstelde onlangs dat de Franse roman voornamelijk nieuw bloed krijgt toegevoerd vanuit een `elders', dat zich in ieder geval ver van Parijs bevindt. Als de Franse literatuur zich al zou vernieuwen, zou dat te danken zijn aan le métissage littéraire, aan in het Frans schrijvende `buitenlanders', die van verre relaties met Frankrijk zouden onderhouden, in welke vorm en hoe vaag dan ook. Lire besteedde dan ook uitgebreid aandacht aan schrijvers als Boualem Sansal (Algerije), Nina Bouraoui (Frans-Algerijns), Roland Brival (Martinique), Ahmed Abodehman (Saudi-Arabië) en, natuurlijk, Ahmadou Kourouma.

Wat Kourouma onderscheidt van andere uit Afrika afkomstige schrijvers – of dat nu Calixthe Beyala is, Emmanuel Dongala of de inmiddels ook in het Frans vertaalde Moses Isegawa – is zijn preoccupatie met de taal. Dat Kourouma zijn hele boek schrijft vanuit het perspectief van een tien-, twaalfjarige jongen is op zich niet opmerkelijk. Dat zijn boek een gewelddadigheid beschrijft waar je maag zich soms bij omkeert is, helaas, ook niet nieuw. Wat opvalt is het gevecht dat Kourouma levert met de Franse taal. Hij doet in geen enkel opzicht een poging om te voldoen aan de wetten van de grammatica zoals die door de Académie française worden verdedigd. Integendeel, hij laat het Frans dansen naar de pijpen van de Afrikaanse talen, naar het ritme, de klanken en de compositie van het malinké, de taal van de `zwarte, Afrikaanse, inheemse negers waarvan er veel zijn in het Noorden van Ivoorkust en in andere verrotte bananenrepublieken'. Kourouma annexeert het Frans, doorspekt het met lokale zegswijzen, uitdrukkingen en scheldwoorden en maakt er zo zijn eigen célineske Frans van. Hij vertelt eigentijdse fabels, wrede sprookjes en gruwelijke verhalen over bijgeloof en fetisjisme, zoals Afrikaanse kinderen ze eeuwenlang van hun ouders gehoord moeten hebben. Tegelijkertijd steekt hij de draak met de superioriteit van het Frans door zijn jonge verteller voortdurend woorden te laten opzoeken in vier prestigieuze franstalige woordenboeken. Veel Franse woorden en uitdrukkingen worden tussen haakjes verklaard, met scheldwoorden en al, om te laten zien dat het hem ernst is. Door dit procédé maakt Kourouma het niet alleen aannemelijker dat zijn verteller een kleine jongen is, maar doorbreekt hij ook de spanning die de gruwelijke inhoud van het boek bij de lezer oproept.

Want Kourouma vertelt het verhaal van achter de krantenfoto's. Die tonen maar al te vaak breed glimlachende tieners, high van de drugs en met een blik van onoverwinnelijkheid in de ogen, hun kalasjnikov stevig tegen zich aan gedrukt. Birahima, Kourouma's verteller, is één van hen. Na de verdwijning van zijn vader en de dood van zijn moeder, gaat hij op zoek naar zijn tante, samen met een vage oom, Yacouba, die in zijn levensonderhoud voorziet als grigriman, fetisjpriester, smokkelaar, waarzegger en meer van dat soort beroepen waaraan in Afrikaanse stammenoorlogen een grote behoefte blijkt te bestaan. Het is het begin van een zwerftocht, waarbij Birahima als kindsoldaat onder het bevel van menig waanzinnig stamhoofd, in een beerput van geweld en ellende terecht komt. `Maar wat doe je als je op aarde niemand meer hebt, geen vader, geen moeder, geen broer of zus, en als je klein bent, een klein schatje in een verrot en barbaars land, waar iedereen elkaar de strot afsnijdt? Dan word je natuurlijk kindsoldaat, je moet toch eten, en dan sla je op jouw beurt aan het moorden.' Allah n'est pas obligé, luidt de titel van Kourouma's boek: Allah is niet verplicht, Allah is tot niets verplicht. Niet tot rechtvaardigheid, niet tot meededogen en ook niet tot het verstrekken van een menswaardig bestaan aan degenen die hem dagelijks aanroepen.

Ahmadou Kourouma: Allah n'est pas obligé. Seuil, 233 blz. ƒ54,-