Dood op verzoek

IN EEN VEELZEGGENDE rust heeft de Tweede Kamer gisteravond het driedaagse debat over de euthanasiewetgeving afgerond. Een parlementaire meerderheid bestaande uit de regeringsfracties van PvdA, VVD en D66 en oppositiepartij GroenLinks schaarde zich achter het kabinetsvoorstel dat euthanasie in Nederland een wettelijk kader zal geven. De rust is tekenend voor de atmosfeer waarin het debat over de zogeheten dood op verzoek de voorbije jaren is gevoerd. Het euthanasiebeleid, voor het buitenland altijd weer een van de negatieve voorbeelden van het `bijzondere' Nederland, is in eigen land geen onderwerp dat tot hooglopende emotionele discussie leidt. Wat overigens niet wil zeggen dat euthanasie hiermee een algemeen aanvaard iets is. Voor de christelijke fracties en de Socialistische Partij, ofwel bijna eenderde deel van de Tweede Kamer, gaat de wetgeving te ver zo bleek deze week eveneens.

Hoewel moet worden opgepast met het woord `historisch' is deze typering voor het nu afgeronde debat wel degelijk op zijn plaats. Nederland is het eerste land ter wereld dat de bestaande euthanasiepraktijk een wettelijke verankering geeft. Dat dit mogelijk is heeft zonder meer te maken met de politieke constellatie van het kabinet. De euthanasiewetgeving, gekenmerkt door erkenning van het recht op zelfbeschikking, is bij uitstek een product van niet-confessioneel beleid.

ZOALS DEZE WEEK terecht werd opgemerkt betreft de wetgeving een sluitstuk van een al veel langer lopend proces. De grote winst van de wet is dat er nu vaste grond is geschapen voor de arts. In het Wetboek van Strafrecht wordt een strafuitsluitingsgrond opgenomen voor de arts die euthanasie verricht heeft volgens vastgelegde zorgvuldigheidscriteria. Daarmee wordt een schemergebied opgeheven. Een schemergebied dat er volgens onderzoek toe leidde dat artsen in meer dan de helft van de gevallen euthanasie niet aanmelden. Anders gezegd: uit angst voor strafvervolging een valse doodsoorzaak opgeven. Dat nu alle gevallen van euthanasie wel zullen worden aangemeld, is uitgesloten. Op een uiteindelijk zeer persoonlijke kwestie als de vraag om levensbeëindiging kan niet het wetboek een sluitend antwoord geven.

Het geval Brongersma waarbij euthanasie werd verricht bij iemand die had aangegeven levensmoe te zijn, onderstreept dit nogmaals. De Haarlemse rechtbank verleende onlangs ontslag van rechtsvervolging aan de betrokken arts. Een besluit waar minister Korthals (Justitie) tegen in beroep is gegaan. Ook voor een meerderheid in de Tweede Kamer is deze reden voor euthanasie een stap te ver, bleek deze week.

Naast de casus Brongersma zijn er nog vele andere te bedenken. Die zullen er ook zeker komen waarna toch weer de rechter het oordeel zal moeten vellen. Er is nu eindelijk wetgeving, maar daarmee is het debat over euthanasie niet afgesloten. Terecht, want het debat over dit onderwerp kan nooit afgesloten zijn.