Dit is een open huis

Robert Noortman is een van de belangrijkste handelaren ter wereld van 17de-eeuwse Hollandse kunst. `Ik ben wel hard. Maar op mijn manier.'

,,Daar zijn ze, ze komen er al aan'', waarschuwt de secretaresse. Het is woensdag 8 november, elf uur. Kunsthandelaar Robert Noortman (54) heeft zich voor het bezoek in een grijs pak gestoken, gisteren droeg hij een trui en spijkerbroek. Hij staat op vanachter zijn Spaanse tafel die dienst doet als bureau en even later wandelen drie heren zijn kamer binnen: een New-Yorkse kunstverzamelaar, zijn adviseur en Noortmans advocaat, die voor deze gelegenheid is overgekomen uit Parijs. Noortman heeft me net het doel van hun komst uitgelegd: ,,De verzamelaar wil dat ik een schilderij voor hem verkoop, Het portaal van het Pantheon in Rome door Pieter Saenredam uit 1643. Er moet nu een contract opgesteld en daarna komt het doek hierheen. Of ik een kunsthandel in Londen, Parijs of Maastricht heb, maakt voor zulke verzamelaars niets uit. Ze willen zaken doen met Noortman. Dat heb ik opgebouwd. Noortman heeft een naam in de schilderijenhandel, is betrouwbaar, heeft goede contacten. Dat zeg ik niet van mezelf, dat vinden deze mensen.''

Terwijl de vier mannen in bespreking zijn, dwaal ik door de expositiezalen in het 17de-eeuwse pand aan het Maastrichtse Vrijthof. Boven hangen schilderijen van de impressionisten en hun tijdgenoten, beneden en op de eerste verdieping is werk te zien van Hollandse en Vlaamse meesters uit de Gouden Eeuw. Ik loop langs een schilderijtje van Paulus Potter waarop een paar geteisterde varkens beschutting zoeken tegen de stormwind, langs een zeegezicht van Willem van de Velde, een aandoenlijk kinderportret van Nicolaes Maes, landschappen van Salomon van Ruisdael en Aert van der Neer en een kerkinterieur van Emanuel de Witte. Bij dit doek stond ik al eerder stil met kunsthistoricus Eddy Schavemaker, die bij Noortman in dienst is. Hij betoogde dat De Witte beter was dan Saenredam in het schilderen van het gedempte licht in kerkruimtes, hij wees me hoe subtiel de lichtbundels neerslaan op een van de kerkwanden en op de `dramatiek' van een zuil op de voorgrond.

Net als veel andere schilderijen in deze zalen zal het kerkinterieur van De Witte binnenkort verhuizen naar de Pan in Amsterdam, de beurs van Nederlandse kunst- en antiekhandelaren, waar het 1,8 miljoen gulden moet opbrengen. De echte topstukken in de zalen van Noortman, zoals een ijsgezicht van Henrick Avercamp – prijs: 3 miljoen dollar – mogen niet mee naar de Pan. Zij worden bewaard voor de Tefaf, The European Fine Art Fair die elk voorjaar in Maastricht wordt gehouden.

Als de bespreking en de lunch die Noortman voor zijn bezoek heeft laten aanrukken beëindigd zijn, kunnen we weer doorpraten. Hij vertelt dat het Saenredam-contract getekend is: ,,Dit schilderij komt nu naar Maastricht. We gaan eerst de conditie onderzoeken, het heeft 25 jaar in een berging gestaan, dus het moet worden opgefrist door een restaurateur. Ik wil nagaan of het belangrijk is om het schilderij in Nederland te houden, en of er geld voor is. Daar moet ik een paar kunsthistorici voor polsen. Het doek kost zo'n acht miljoen dollar. Als ik het na drie jaar nog heb, neem ik het mee naar de beurs.''

Hij noemt het `de plicht van de kunsthandel' om te zorgen dat bepaalde schilderijen `op de juiste plek terechtkomen', om doeken die voor Nederland interessant zijn, in een Nederlands museum te `plaatsen': ,,Ik heb nu bijvoorbeeld een Amsterdams stadsgezicht van Monet. Ik heb daar met Leighton over gesproken, de directeur van het Van Gogh Museum. Hij zei: `Het interesseert me'. Als ik het nu in het voorjaar op de Tefaf heb en hij zegt: `Het interesseert me heel erg', dan verkoop ik het niet, maar houd het voor hem apart, hoewel ik niet zeker weet of het Van Gogh Museum het ook daadwerkelijk zal aankopen.''

Concurrenten

Robert Noortman geldt al tientallen jaren als een van de belangrijkste handelaren ter wereld in de 17de-eeuwse Hollandse schilderkunst en het Franse impressionisme. De twee dagen die ik in zijn kunsthandel doorbreng worden grotendeels door hem volgepraat. Maar ik spreek ook met de taxateur en de accountant, die allebei schilderijen verzamelen. Die schilderijen kopen ze bij Noortman. Taxateur René de Jong: ,,We zijn de baas niet ontrouw.''

Kunsthistoricus Eddy Schavemaker, die onderzoek doet naar alle aangekochte kunstwerken, vertelt dat lang niet alle schilderijen die Noortman verhandelt in Maastricht terechtkomen: ,,Kostbare aankopen doen we vaak samen met andere handelaars. Als we bijvoorbeeld samen met Bob Haboldt, die kunsthandels in Parijs en New York heeft, een doek kopen dat interessant is voor de Franse markt, dan hangen we dat eerst bij hem in Parijs. Als het daar niet verkoopt, proberen we het hier. Maar de handelaren met wie we samenwerken zijn natuurlijk ook onze concurrenten. Als er een langskomt, moet er soms weleens een doek in de kast – dan wil mijn baas niet dat zij zien dat we dat in huis hebben. Ze zouden er bijvoorbeeld achter kunnen komen dat zo'n doek in een mooie collectie zat en dan gaan ze daar ook heen.''

In de dagelijkse werkbespreking heeft Schavemaker net de opdracht gekregen om informatie te verzamelen over de 17de-eeuwse schilder Adriaan Borm, van wie een schilderijtje is aangekocht, een curieus tafereel van een man bij een waarzegster. Schavemaker: ,,Ik heb nooit van Borm gehoord, er schijnen maar drie werken van hem bekend te zijn. Dit is geen topstuk, maar het is wel een leuke voorstelling waarvoor altijd kopers te vinden zijn.''

Tijdens mijn bezoek aan de kunsthandel zie ik geen klanten binnenlopen. Op mijn vraag of het sinds de opkomst van de grote kunstbeurzen, de Pan en de Tefaf, stil geworden is in zijn kunstzalen, zegt Noortman: ,,Nee, de handel heeft zich wel meer naar de beurzen verplaatst, maar het is hier nog druk genoeg. Buiten de afspraken om lopen er per week tussen de vijf en de dertig mensen binnen. Sommige mensen komen regelmatig terug, alleen om te kijken. Maar je weet nooit of ze toch niet kopen, want het kan zijn dat ze dat door een ander laten doen. We ontvangen ook groepen, bijvoorbeeld als er een congres is in Maastricht of een vergadering van de buitenlandse vestigingen van DSM. Dan moeten ze de dames van de directeuren van de straat houden. Er worden uitstapjes georganiseerd en daar houd ik wel eens klanten aan over.''

Zijn kunsthandel is geen winkel. Er is geen etalage en er moet worden aangebeld. Het is ook geen `gesloten huis' waar klanten alleen op afspraak terechtkunnen. ,,Dit is een open huis, dat zit er tussenin.''

Het gesprek met Noortman wordt steeds onderbroken door de telefoon. Ik mag meeluisteren naar alle gesprekken en openhartig geeft hij me uitleg over de inhoud. Er komt een aanbieding van een Brusselse makelaar die `in contact is' met een oude dame die haar verzameling van zo'n honderd schilderijen van de hand wil doen en de makelaar vraagt of Noortman even komt kijken. Om de paar uur wordt hij gebeld door een partner uit Amsterdam, de kunsthandelaar Salomon Lilian, die voor hen beiden aan het bieden is op een veiling van Oude Meesters bij Sotheby's. Over die veiling zal Sotheby's in een persbericht melden dat de richtprijzen `ruimschoots overtroffen' werden. In de veilingzaal valt Lilian zo te horen om van verbazing. ,,Wat een geld hier'', kreunt hij door de telefoon. ,,Moet je zien wat het opbrengt. Wat een geld allemaal. Het is een verschrikking. Moet je dit zien: meer dan drie ton voor die twee doekjes van Bout.'' Noortman, tegen mij: ,,Tja, dat krijg je, met al die nieuwe rijken. Ik doe niet mee aan die gekke prijzen, ik krijg de goede schilderijen toch wel.''

De meeste werken koopt hij bij particulieren en niet op de veiling, want: ,,Bij de veiling is het opbieden en bij particulieren is het afdingen en dat is een enorm verschil. Veel particulieren verkopen hun kunst liever aan een handelaar dan op de veiling. Bij een veiling loop je de kans dat een schilderij onverkocht blijft, dan is het `verbrand', en kun je er niks meer mee.'' Hij vertelt over zijn netwerk van informanten – advocaten en notarissen over de hele wereld die hem tippen bij boedelscheidingen of het overlijden van collectioneurs. ,,Ik weet welke mensen belangrijke kunstwerken hebben. Je moet ook goed op de hoogte zijn van het reilen en zeilen van je klanten. Mensen gaan failliet, hebben een strop en dan willen ze hun kunst verkopen. Ik moet alles in de gaten houden, als bij bepaalde bedrijven de aandelen in elkaar lazeren of oplopen, dan moet ik dat weten.''

Na een telefoontje waarbij ik woorden opvang als voting rights, synergieën, slagkracht en e-commerce, zegt hij: ,,Ik heb ook belangen in financiële instellingen en in een onroerendgoedmaatschappij in de Verenigde Staten. Dat is een beetje een uit de hand gelopen hobby. Je doet eens een investering, dat gaat goed en dan ga je door. Maar ik ben in de eerste plaats kunsthandelaar.''

Hij vertelt dat hij alleen kunst verkoopt die hij zelf mooi vindt: ,,De zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst heeft me altijd aangesproken. Als je van Maastricht naar Amsterdam rijdt, zie je al die Ruisdael-luchten. De schilders uit die tijd wilden geen plaatjes maken, maar een atmosfeer weergeven, de dreiging van wolken, het vee, het bosgezicht. Als je dat vergelijkt met de Hollandse Romantiek uit de negentiende eeuw, met schilders als Schelfhout, Leickert en Koekkoek, dan zie je dat zij alles mooier wilden maken dan het was. Dat waren plaatjesschilders en daar houd ik niet van. Er is nu veel geld te verdienen aan de Hollandse Romantiek, mensen vinden die plaatjes mooi, er is een enorme markt voor, maar ik waai daar niet in mee. Ik kan die schilderijen niet met overtuiging verkopen en het overtuigen van mensen vind ik het aardigste aan een verkoop. Als u zegt: `Ik wil dat schilderij, plak er maar een sticker op', dan heeft u het gekocht, maar ik heb niks verkocht. Maar als iemand staat te aarzelen en ik kan zijn smaak een beetje peilen, dan is het leuk om hem te overtuigen. Bij een goede verkoop loop je allebei tevreden weg.''

Tapijten

Robert Noortman groeide op in Noord-Holland, waar zijn vader politieagent was. Hij maakte de middelbare school niet af, maar ging in de handel. Hij verkocht van alles, van auto's tot ijskasten, voor hij eind jaren zestig in Heerlen in een tapijtenzaakje terechtkwam. Zijn compagnon scharrelde ook een beetje in schilderijen en Noortman stelde voor om af en toe een schilderijtje bij de tapijten in de etalage te zetten. ,,Tegenover ons in Heerlen was het hoofdkantoor van DSM en op een goed moment kocht een van de hoofddirecteuren van de Mijnen een doekje van Apol uit onze etalage. Zo is het begonnen.''

Noortman kwam in contact met een restaurateur die hem leerde om bij oude schilderijen `door het vuil heen te kijken' en de conditie te bepalen. In Amerika kocht hij schilderijen op van de Haagse School die hij doorverkocht aan Nederlandse handelaren en vervolgens begon hij in 1969 een eigen zaak in een boerderij in het Limburgse dorpje Hulsberg. In de jaren tachtig had hij drie zaken, de kunsthandel Noortman & Brod in New York, een zaak in Londen en, vanaf 1979, een in Maastricht.

De New-Yorkse kunsthandel moest hij na zeven jaar sluiten: ,,We hadden daar 22 man personeel, ik was alleen nog maar manager. De schilderijen waren altijd op de verkeerde plek, dat krijg je als je drie kunsthandels hebt. En bovendien vinden Amerikaanse verzamelaars en museumlui het veel interessanter om in het oude Europa een schilderij te `ontdekken' bij een veiling of bij Noortman in Maastricht dan dat ze het op hun doorstep geleverd krijgen. De eerste jaren ging het goed in New York, maar na de tweede oliecrisis ben ik er behoorlijk uitgegleden en heb ik de boel opgedoekt.'' Vorig jaar, toen de directeur van zijn Londense vestiging aan Old Bondstreet ziek werd en zijn werk moest neerleggen, besloot Noortman om ook dit filiaal, na 25 jaar, te sluiten en verder alleen nog zaken te doen in Maastricht.

Zijn werkkamer in Maastricht is een soort prentenboek van zijn leven. Tussen de veilingcatalogi en wanden vol kunstboeken staan overal foto's: van zijn vrouw en kinderen, van hemzelf met Margaret Thatcher, met koning Hussein en andere beroemdheden en van zijn privé-jet waarin hij vroeger van Londen naar Maastricht vloog. Hij laat me een fotoreportage in het blad Architectural Digest zien van het Belgische kasteeltje waar hij woont en vertelt over zijn verzamelmanie: ,,Ik verzamel vanitas-voorstellingen, tapijten, 17de-eeuwse tekeningen, antieke lijsten, voorwerpen die op oude stillevens staan afgebeeld, etnografica, moderne kunst, ledenpoppen, Chinese potten, oldtimers, alles wat ik mooi vind. Nee, de schilderijen waar ik in handel, heb ik niet in huis hangen. Die kan ik niet betalen. Ik ben geen concurrent van mijn klanten.'' Even later, met nadruk: ,,Ik heb dan wel een vliegtuig gehad en ik houd van oldtimers, maar ik ben geen snelle, poenerige jongen. Ik ben een degelijke kunsthandelaar. Ik wil geld verdienen, maar ik doe er ook wat voor terug. Bij de uitbreiding van de National Gallery in Londen heb ik een zaal cadeau gedaan, de Noortmanzaal, ik heb schilderijen aan het Mauritshuis en het Rijksmuseum geschonken en ik geef vaak werken in bruikleen. Ik sponsor een tijdschrift over de Nederlandse prentkunst dat wordt uitgegeven door het kunsthistorisch instituut in Leiden en onlangs heb ik ook een symposium over de schilder Antoni van Dyck gesponsord. Ik zie dat als diepte-investeringen. Bij zo'n Van Dycksymposium ontmoet ik alle Van Dyck-bonzen van de wereld. Dus heb ik een probleem met een Van Dyck, dan hoef ik die jongens maar op te bellen.''

Behalve met boeken en foto's is zijn werkkamer ook vol met schilderijen. Naast de 17de-eeuwse zetel waarin hij me liet plaatsnemen, staat een kleine Rubens op de vloer, ik zie een zeegezicht van Manet, een stilleventje van Fantin-Latour en achter me leunt een imposant pronkstilleven van Jan Davidsz. de Heem uit 1651 tegen de muur. Noortman: ,,Dit is een van de allermooiste schilderijen van De Heem, een sleutelwerk in zijn oeuvre. Het moet ruim zeven miljoen gulden opbrengen en het wordt in het voorjaar de sensatie van de Tefaf. Ik heb het doek in consignatie, het komt van een Engelse familie. Omdat het in 1935 in Berlijn is geveild door een zekere meneer B. zou het van Duitse joden afkomstig kunnen zijn die hun bezit verkochten omdat ze wilden vluchten. Daarom heb ik de herkomst laten onderzoeken en het Art Loss Register ingeschakeld. Het ALR is negen jaar geleden opgericht. Het heeft een database van gestolen en vermiste kunstwerken en het geeft adviezen voor herkomstonderzoek. Gelukkig bleek meneer B. niet joods te zijn geweest. Maar stel dat dat wel zo was en ik het niet had laten onderzoeken en er meldt zich een achterneef van meneer B. die zegt: `Dat doek komt uit mijn familie', dan zit ik fout. De research voor dit ene schilderij heeft me veertigduizend gulden gekost. De laatste jaren doen we dit onderzoek consequent bij alle kostbare schilderijen waarvan we de herkomst niet kennen. Om diefstal uit te sluiten, maar ook om de oorlogsgeschiedenis na te trekken. Als er aan een schilderij maar een klein vraagteken zit, kopen musea het tegenwoordig niet meer.''

Noortman maakt gemiddeld 22 procent winst bij zijn verkopen. ,,Om de kennis waarmee ik iets aankocht, het risico, de garantie op echtheid, de research en de BTW die ik over de winst moet betalen. Maar ik heb ook wel eens geluk. Ik kocht bijvoorbeeld twintig jaar geleden op een veiling in Parijs samen met een collega een doek van Jacob de Wet. Ik dacht meteen: het is geen De Wet, het is een Jan Weenix of een Nicolaes Berchem. We laten het schoonmaken en wat komt er te voorschijn: `Weenix gemaakt, Berchem gedaan', dus een werk van hen beiden. Daardoor was het ineens veel meer waard. Voor een veelvoud van de aankoopprijs heb ik het aan het Mauritshuis verkocht. Maar ik heb het uitgelegd, dus ze begrepen het surplus.''

Hij voorspelt dat in de komende jaren de kleinere Franse meesters die in de schaduw van de impressionisten werkten – schilders als Lebourg en Raffaeli die niet meededen aan het Parijse mondaine leven – interessant worden voor de markt. Maar ook in een ondergewaardeerde schilder als Maurice de Vlaminck zit volgens hem een `enorm groeipotentieel'.

Op mijn vraag of hij zichzelf als een keiharde handelaar ziet, aarzelt Noortman. Dan zegt hij: ,,Ik ben wel hard. Maar op mijn manier. Bij de inkoop: you won't like my offer, but you'll like my money. Want ik betaal meteen.''

Kunst- en antiekbeurs Pan Amsterdam in de RAI. 26 nov-3 dec, ma-vrij: 11-20u., za en zo 11-18u.