De weg naar het volgende uur

De titel suggereert het al: in het debuut van Mark Boog voeren stilstand en inertie de boventoon. Er gebeurt niet veel in het leven dat hier beschreven wordt. De dichter koestert nog wel verwachtingen, maar ook die vallen aan stremming ten prooi. `Er staat iets te gebeuren' stelt Boog hoopvol in een vers, maar de volgende regel slaat de hoop alweer de bodem in: `Misschien gewoon het vallen van een avond.'

Tussen ochtend en avond voltrekt zich `het dagelijks verplaatsen van de dingen'. Waar en hoe dat toegaat wordt niet duidelijk. Heeft de `ik' in deze poëzie een baan? Of zit hij werkloos thuis, en verklaart dat zijn desolate geesteshouding? `Van dit uur naar het volgende/ de weg te vinden,' blijkt voor Boog een levensopgave. Van wegwijzers de weifelende volgelingen/ schuifelen wij dwaas/ de desondanks vorderende dag door./ Wij dragen gewaden die tot de grond reiken./ Wat ons voortbeweegt blijft duister.

Bij al dit schuifelen en voortbewegen is het vooral zaak om koers te houden, je niet `door het natuurlijke,/ het gebogene, het onvoorspelbare te laten leiden'. Dan kom je wel waar je bent, en voor Mark Boog betekent dat `thuis'. Want in het levenslabyrint is thuis een baken, waar je niet op aan hoeft te koersen; want je bent `erin' en kunt met een simpel gordijn de werkelijkheid buitensluiten.

`Huis' is het sleutelwoord in Alsof er iets gebeurt. Het leven beweegt zich binnen de muren, aan tafel of bij het raam. Zo wordt het blijkbaar ook beleefd, maar niet door de dichter zelf, want die houdt zich behoedzaam op afstand. Wat hij ervaart beschrijft hij met het oog van de filosoof, en diens distantie wordt benadrukt door het taalgebruik. Dat is vooral redenerend, met listig gebruik vaak van zowel onvoltooide als voltooide deelwoorden:

Niet gestoord willende worden,

slechts gestoord door het niet gestoord willen worden,

zachtjes zingend om het ruisen van de stilte niet te horen,

de ogen neergeslagen om het licht niet te zien spelen,

handenwrijvend zit ik, in zalig niets,

en wacht ik op wat komen zal –

want het kan nu. Als het ooit kan, kan het nu.

Verbetenheid en wanhoop wisselen elkander af. Het is geen vrolijke poëzie. Zesenvijftig verzen lang bezingt Mark Boog de schrale vreugden van een troosteloos bestaan. `Het is de levenslust waaraan wij lijden,' stelt hij, graaiend `naar de hoop waarin we niet geloofden'.

De sombere tonen ten spijt, dringt een vergelijking met het werk van Peter van Lier zich op. Diens poëzie is per definitie ontspannener, maar ook Boog heeft soms lichtvoetige passages en dan speelt hij op dezelfde snaren als Van Lier. Het openingskwartet van `Windstilte' is een duidelijk voorbeeld van hun verwantschap:

Deze windstilte is bedrieglijk.

Buiten, namelijk, waait het. Niet hard, maar het waait:

duidelijk bewegen aan de bomen de

frisgroene blaadjes,

een enkel laat zelfs los en valt, sierlijk- wanhopig zoals blaadjes doen.

Van dit soort quasi onbekommerde passages had ik er wel meer willen lezen in Alsof er iets gebeurt. Het is indrukwekkend hoe de boog in deze bundel zestig pagina's gespannen blijft, maar des te groter is mijn behoefte aan diverterende momenten. `Windstilte' biedt zo'n moment, en ook `Lichtval'. In dat vers beschrijft Mark Boog hoe de zon niet alleen zijn blik op de kamer verandert, maar ook een gesprek stillegt en tot schuchterheid maant. `Het is,' ontdekt hij in de slotregels, `te mooi hier om waar/ te zijn, we ontkennen dat – we leven nog.'

Het is een flinterdun koord waarop Boog balanceert. Verveling en falen krijgen prachtig woorden in Alsof er iets gebeurt, maar voor een tweede bundel lijkt de thematiek te smal. Van mij mogen de ramen van het huis straks wel open, zodat we te zien krijgen wie Mark Boog is, en wat hij heeft met de rest van de wereld. In het laatste katern van zijn debuutbundel staat het venster in feite al op een kier. Vooral het onvermogen van de liefde is daarin onderwerp. Meer dan in de eerste veertig verzen is Boog hier concreet over zijn relatie tot de `jij', en daarmee geeft hij niet alleen die partner maar ook zichzelf herkenbare contouren. Dat leidt tot zijn beste verzen, zoals `Zo moet het zijn':

Zo moet het zijn:

zoals – en niet anders! – de bomen in de stad

naar de lucht reiken, zo wij naar de avond,

zoals de tijd aan ons voorbijgaat, zo wij aan elkaar.

Zo, en niet anders. Niet als vogels kijken wij neer

vanaf het balkon, maar wij vliegen dan.Niet engelgelijkend jij, maar een engel.

Zo moet het zijn. De prijs moet betaald.Nooit mag vergeefs zijn ons noemen van elkaar

bij de vernuftigste namen, niets zijn gruwelen

die na genoemd te zijn niet

daadwerkelijk voorvallen.

Mark Boog: Alsof er iets gebeurt. Meulenhoff, 64 blz. ƒ20,-