De vrouw van la Mancha

Drie jaar geleden publiceerde Barber van de Pol een nieuwe vertaling van Cervantes' Don Quichot. Het was een uitgave zonder voetnoten en (bijna) zonder toelichting, omdat – zo verklaarde Van de Pol – Cervantes het zelf nu eenmaal ook zonder noten gedaan had. Wat zij als vertaalster toe te lichten had, vond allereerst zijn neerslag in interviews en vervolgens in lezingen en in artikelen. Daarvan heeft zij er nu tien gebundeld `in plaats van voetnoten', zoals de ondertitel van Cervantes & co luidt. Het is een prachtig bundeltje geworden, waaruit de passie van het vertalen aanstekelijk opspringt en we tegelijk het nodige te weten komen over Cervantes, zijn wereld en vooral zijn taal.

Dat die twee bij elkaar horen maakt Van de Pol keer op keer duidelijk. Vertalen is altijd iets vertalen en hoe dat in zijn werk gaat laat zich dan ook het best met concrete voorbeelden illustreren. Zoals met de openingswoorden van Don Quichot, die in de nieuwe vertaling luiden: `In een plaatsje in La Mancha, waarvan de naam mij niet te binnen wil schieten...' en niet – zoals gebruikelijk was: `waarvan ik mij de naam niet wens te herinneren'.

In een fascinerend essay dat geheel aan het vertalen van de titel en openingszin van het boek gewijd is, beschrijft Van de Pol hoe zij tot die keuze gekomen is. Ze beroept zich op de geleerde commentaren die hebben aangetoond dat Cervantes met dat quiero (`wil') geen opzet of intentie wilde uitdrukken. Zij kon daarbij nog niet steunen op de nieuwe, door Francisco Rico bezorgde kritische editie van Don Quichot, die nu als maatgevend geldt, maar ook die geeft haar gelijk. Het werk van de vertaler begint dan echter pas goed. Kan het `wensen' worden vermeden terwijl het `willen' toch in de zin blijft staan? Stap voor stap beschrijft Van de Pol hoe ze tenslotte haar virtuoze oplossing gevonden heeft.

Van dat soort problemen is Don Quichot vol. Alleen al in de eerste tien regels kan Van de Pol er een handvol aanwijzen en de beschrijving van haar zoektocht naar een Nederlands alternatief is even gedetailleerd als meeslepend. Wat doe je met de voltooide en onvoltooide deelwoorden waar het Spaans zo dol op is? Je kunt er bijzinnen van maken, maar dan ben je de directheid van het origineel kwijt. Eerdere vertalers zaten daar niet zo mee, omdat die zich lieten leiden door het ideaal van de negentiende-eeuwse roman met zijn gelaagde structuur en al even gelaagde zinnen. Maar Cervantes schreef een avonturenroman, waarin het aankomt op de snelheid die wij ook van de hedendaagse literatuur weer verwachten. Daarom, zo concludeert Van de Pol, mag een vertaler Cervantes' zinnen best in stukken hakken, want wat telt is uiteindelijk de nieuwe literaire eenheid die in een vertaling tot stand moet worden gebracht.

Toegepaste kunst

Een vertaler, zo betoogt Van de Pol, is dan ook allereerst een schrijver. Hij (Van de Pol vermijdt het nuffige `hij of zij') is een schrijver in de volle zin van het woord, die zijn eigen taal tot in het uiterste benut en bijdraagt aan de verdere vorming daarvan. Het resultaat van zijn werk voegt iets nieuws toe aan de literatuur. Een vertaler beoefent een toegepaste kunst, maar is daarin tegelijkertijd een literaire schepper.

In haar essays over het werk dat een vertaler doet is Van de Pol even meeslepend als enthousiasmerend. Dat geldt veel minder voor het tweetal reisverslagen waarmee de bundel eindigt en waarin ze vertelt hoe ze terwille van haar vertaling letterlijk Don Quichot achterna is getrokken. Met hun enigszins schoolkrant-achtige opwinding (`Onze Minolta's hebben het erg naar hun zin') kunnen ze niet in de schaduw staan van de daaraan voorafgaande opstellen, waarin Van de Pol op virtuoze wijze heen en weer springt tussen het detailwerk van het vertalen en het brede panorama van geschiedenis, politiek, sociale verhoudingen en culturele eigenaardigheden die daarvan niet alleen altijd de achtergrond vormt, maar die zich juist vanuit die taalnuances zo prachtig laat beschrijven.

Met deze bundel betoont Barber van de Pol zich de best mogelijke pleitbezorgster van de vertaalkunst, zo vaak onderschat. Zij wijt die geringschatting mede aan de geringe aandacht die in de literaire kritiek aan het vertalen wordt besteed. Mogelijk heeft zij daar gelijk in, maar met haar eigen, prachtige voorbeelden laat zij (ongewild) tegelijkertijd zien waarom er in de pers maar zo weinig over vertalingen wordt gezegd. Goede vertaalkritiek is werken op de vierkante millimeter, met het vergrootglas erboven. Dat vraagt tijd en ruimte en daarvoor is het blikveld van een krant nu eenmaal te globaal.

Des te gelukkiger is het dat deze essays zijn samengebracht in een bundel die hier en daar de toon van een manifest heeft. Men kan met Van de Pol van mening verschillen over haar geringschatting van de vertaalwetenschap, waaraan zij vanuit haar praktische instelling niet geheel recht doet. Maar we moeten haar dankbaar zijn voor de begeestering waarmee zij haar vak verdedigt en de eruditie waarmee ze de schoonheid ervan laat zien. Met deze essays schreef ze een klein en welverdiend monument voor de vertaalkunst.

Barber van de Pol: Cervantes & co. Querido, 135 blz. ƒ34,90