De polsslag van het mensbeest

Elf jaar deed Tom Wolfe over zijn meest recente, tweede roman, A Man in Full (1998). Het veldwerk voor deze massieve roman over het Amerikaanse zuiden bracht hem naar Atlanta en andere steden in die regio, maar ook naar allerlei plekken die achteraf overbodig bleken voor het verhaal. Wolfe bezocht de kunstwereld van New York, Sikh-immigranten uit India, en Japan, waar hij zich `terminaal vernederd' voelde omdat hij maar 900 dollar op zak had voor een avond met twee zakenmannen in een geisha-bar. `Mijn kinderen groeiden op met het idee dat dit was wat hun vader deed', schrijft hij in Hooking Up, `altijd bezig, maar nooit klaar, met een boek dat A Man in Full heette.' Het boek verscheen ten slotte toch, en werd een fenomenaal succes, met een eerste druk van 1,2 miljoen exemplaren, en een overdonderende publiciteit die Wolfe pontificaal op het omslag bracht van het weekblad Time (voor de gelegenheid geheel wit, als eerbewijs aan de dito pakken van de auteur), een heiligverklaring waar zijn collega-schrijvers alleen maar jaloers op kunnen zijn. Het boek hoefde de bestseller-lijst van The New York Times niet te beklimmen, schrijft Wolfe zelf, het sprong meteen naar de eerste plaats, en maakte het zich daar tien weken lang gemakkelijk.

De terugslag kwam kort daarop. Drie Amerikaanse literaire kanonnen, Norman Mailer, John Updike en John Irving, haalden woedend uit naar het boek, volgens hen een `journalistiek' wanproduct dat niets met verbeelding te maken had maar alles met de mediawereld van woordkunst en amusement, en waarvan het eclatante succes aangaf hoe diep de Amerikaanse letteren waren gezonken. Mailer vernietigde het boek in een zes pagina's lange tirade in The New York Review Of Books, John Irving werkte zich in een tv-programma op tot zulke stotterende woede, dat zijn tekst bijna onbegrijpelijk werd door de bliepjes die de vele krachttermen moesten camoufleren. Dit was geen literatuur, bulderde het drietal vanaf de Olympus, hier waren we in de vulgaire wereld van Mega-verkoop en luchthavenromans. Het was een prachtige rel.

In `My Three Stooges', een van de betere stukken in zijn nieuwe bundel Hooking Up, verweert Wolfe zich tegen de kritiek met een onnavolgbare mengeling van sarcasme en ernst. Hij sneert naar hartelust over de `uitgeputte karkassen', van de drie `oude knarren', en maakt zich vrolijk over foto's van de 75-jarige Mailer `die zich op de been houdt met twee krukken, een voor elke doorgeroeste heup'. Toch had hij het offensief van de drie senioren kunnen verwachten, geeft hij toe. In The New Journalism (1973) had Wolfe al de klassieke roman doodverklaard ten gunste van realistische, met literaire technieken bedreven journalistiek. Jaren later kwam zijn eerste grote eigen roman, The Bonfire of the Vanities (1987), een hilarisch portret van de raciale en financiële turbulentie in het New York van de jaren tachtig. Wolfe combineerde de scherpe pen van de satiricus met de research van de verslaggever en het oog voor sociale codes en gevoeligheden van de antropoloog. A Man in Full borduurde voort op dezelfde methode, met nog meer succes.

Drie oude leeuwen

Precies dat succes jaagt de drie `oude leeuwen' angst aan, aldus Wolfe, vooral omdat hun eigen recente boeken `spoorloos van het radarscherm' verdwenen. Het bewijst de impotentie van hun onthechte exercities en laat de opkomst zien van een nieuwe, vitale roman die meer geïnteresseerd is in een beschrijving van `het bruisende hier en nu' dan in kunst om de kunst. Dat is een herontdekking, aldus Wolfe, van het sociale realisme van Zola, Balzac en Dickens, dat volgens hem in Amerika vanaf de jaren vijftig werd gesmoord in het intellectualisme van `zweterige kolonialen' die bang waren onder te doen voor de Europese avantgarde. Mailer, Updike en Irving hebben hun carrières verkwanseld door de buitenwereld te vergeten: ze hebben hun vermoeide rug gekeerd naar `het rijke materiaal van een wonderbaarlijk land op een fantastisch moment in haar geschiedenis'.

Van zulke schrijvers valt geen `dionysisch ja' meer te verwachten, smaalt Wolfe. `De Amerikaanse roman lijdt niet aan ouderdom, maar aan anorexia. Het heeft voedsel nodig. Schrijvers met een enorme eetlust en ongeleste dorst naar het huidige Amerika.' Volgens Wolfe zijn het vandaag de dag eerder filmmakers die de energie, de vitaliteit, het joie de vivre hebben om zich in het `lugubere carnaval' van de Amerikaanse realiteit te storten. Maar film ontbeert een aantal eigenschappen van de roman: het vermogen om complexe kwesties uit te leggen – of het nu gaat om rakettechniek of rassenrelaties – en, vooral, om in het innerlijk van personages door te dringen. Vandaar Wolfe's pleidooi voor méér romans zoals die van: Tom Wolfe. Die romankunst van de 21ste eeuw zal niet draaien om vormkwesties, maar om de inhoud, het leven, `de polsslag van het menselijke beest'.

Wolfe's apologie, en literatuuropvatting, zijn een lust om te lezen, alleen al omdat de 70-jarige nog niets heeft verloren van zijn vermogen andermans zwakke plekken te vinden. Susan Sontag, die ooit het blanke ras `de kanker van de mensheid' noemde, wordt in een ander opstel afgedaan als `een antropologische epidemiologiste', wiens lamme proza `een gratis gehandicapten-parkeerplaats heeft bij Partisan Review' (een links opinieblad – sdj). Ook nog steeds schitterend is Wolfe's beruchte persiflage uit 1964 op de ingedutte New Yorker, een stuk dat destijds tot in het Witte Huis voor beroering zorgde.

Toch geven vooral de recente stukken in Hooking Up (een tieneruitdrukking voor seks), Mailer meer gelijk dan Wolfe zou willen. In zijn essays en het eerder als novelle gepubliceerde `Ambush at Fort Bragg' amuseert Wolfe meer dan hij overtuigt. Zijn observaties over het moderne Amerika geven blijk van een gevoelige antenne voor de Zeitgeist, maar van weinig originaliteit of gevoel voor dubbele bodems. Wolfe duikt in neurobiologie, onderzoekt als opmaat naar een nieuwe roman het moderne studentenleven (en beantwoordt en passant de vraag waarom fellatio voor Amerikaans pubers geen echte seks is), en keert zich tegen `Digibabble' en politieke correctheid.

Karikaturaal

Veel nieuws heeft hij over al die eigentijdse verschijnselen alleen niet te melden, niet alleen in de journalistieke zin van het woord maar ook in de literaire: het ontrafelen van een ambivalente, gelaagde werkelijkheid en het beschrijven en het `innerlijk' van personages. Wolfe's schetsen van het moderne leven zijn vermakelijk omdát ze karikaturaal zijn, met alle hyperbolen, klappen op de vuurpijl, en gebrek aan reliëf die ook te vinden zijn in tekenfilms.

Soms doet Wolfe ook te zeer zijn best de lezer in te prenten (of zichzelf ervan te overtuigen?) dat we in revolutionaire tijden leven. In het jaar 2000 is het `routine' voor topfuctionarissen in het bedrijfsleven om hun vrouw aan de kant te zetten `omdat haar onderhuidse versteviging aan het slijten is', en met een jong ding aan de haal te gaan. In het jaar 2000 bestaat `het proletariaat' niet meer. In het jaar 2000 bidden oude mensen: `God, laat me er alstublieft niet oud uit zien'. Dat is allemaal geestig geformuleerd vaak, maar als inzicht in het `carnaval' van het moderne leven niet astronomisch verheven boven de biosfeer waarin bladen als HP/De Tijd af en toe de barometer buiten hangen. Prikkelende journalistiek, maar literatuur?

In een eerder opstel, `The Great Relearning', beklaagt Wolfe zich er bovendien over dat de 21ste eeuw, na alle geweld en spektakel van de twintigste, een `Slaapwandelende Eeuw' dreigt te worden. Niks carnaval, of wild kloppende pols van het mensbeest, maar een `Katerige Eeuw', vol retro-trends naar ouderwets wonen (na het Bauhaus), veilige seks (na aids) en persoonlijke hygiëne (na de hippies). Het kan verkeren, met de Zeitgeist. Morgen weer een krant, zeggen ze dan in de journalistiek.

Tom Wolfe: Hooking Up.

Essays and fiction.

Jonathan Cape, 293 blz. ƒ49,95

    • Sjoerd de Jong