De huid als sluier

De expositie `Spectacular Bodies' toont vier eeuwen kunst en lichaam. Stem en fez van Tommy Cooper luisteren de hersenen op.

In de eeuwige strijd tussen lichaam en geest viert het lichaam triomfen. Het inspireert onze tijd, boekt successen, laat zich iedere dag beter kennen en heeft nog vele verrassingen in petto. En de geest, ach, wat moet je ervan zeggen? Bestaat die eigenlijk wel?

Het is een radicale omkering ten opzichte van dertig jaar geleden. Randy Newman zei het laatst nog in een televisie-interview: `Dat de psycho-analyse ooit nog voorbij zou gaan, hield je toen niet voor mogelijk'. Maar het is gebeurd, en nergens wordt dat zo uitbundig geïllustreerd als in de Londense voorstad Greenwich, in het educatieve pretpark van de Millennium Dome.

Er is daar een paviljoen Body dat bestaat uit twee huizenhoge, ineengestrengelde lichamen, waar je als bezoeker helemaal doorheen kunt lopen. Je wandelt door de darmen, ziet het hart kloppen, de longen werken en de hersenen denken - in dit geval als het Comedian Brain van Tommy Cooper, wiens stem en fez de hersenen opluisteren. Honderden mensen staan uren in de rij voor deze anatomische les, en daarna gaan ze naar stands die het lichaam nog eens breed uitmeten.

Kom je nu in het paviljoen Mind dan zie je wat optische illusies, iets over taal en het World Wide Web, een krioelende mierenkolonie en nog zo wat. Het meest in het oog springt Boy, een hyperrealistische sculptuur van een jongetje, gemaakt door kunstenaar Ron Mueck. Een mooi beeld, maar geen mind. Integendeel, een vijf meter hoog lichaam. De geest leeft niet, dat is de enige mogelijke conclusie.

Dezelfde triomf van het lichaam komt naar voren op de tentoonstelling Spectacular Bodies in de Londense Hayward Gallery. In een voorruimte van de tentoonstelling, de wachtkamer zou je het kunnen noemen, wordt op de muur een doorlopend videofilmpje getoond van kunstenaar John Isaacs (1968). De sterk uitvergrote zwart-wit beelden tonen, in slowmotion, opnamen van respectievelijk het 16de-eeuwse anatomische amfitheater in Padua en een ultramoderne operatiekliniek in Essen. Beide interieurs zijn door Isaacs gefilmd vanuit het oogpunt van de patiënt. In Padua speurt de camera vanaf de ontleedtafel de lege tribunes af, in Essen draait hij vanaf het hoofdkussen van een ziekenhuisbed, dat door lege gangen naar een operatiekamer wordt gereden.

Behalve een toevallige verpleegster is er geen lichaam te zien in De Cyclische Ontwikkeling van de Stilstand, zoals dit videowerk heet. Toch is het voor Spectacular Bodies de perfecte ouverture. De toeschouwer, zojuist schoorvoetend binnengetreden in de grijze bunker die de Hayward Gallery is, bevindt zich dankzij Isaacs' uitgekiende camerastandpunt onmiddellijk in de goede positie: in die van het opengesneden lichaam waar het in deze tentoonstelling allemaal om draait. Het verhoogt de betrokkenheid tot een maximum.

In Spectacular Bodies zijn griezelig mooie beelden van de opengelegde mens te zien, uit maar liefst vijf voorbije eeuwen. En het blijft niet bij geschiedenis, er wordt ook een groot vertrouwen in de toekomst uitgedragen. Het Verbond van Anatomie en Kunst is niet kapot te krijgen, dat is de boodschap. Het mag dan misschien een tijdje niet geboterd hebben tussen die twee, met name in de twintigste eeuw, maar dat was slechts een voorbijgaande inzinking. Nu floreert het VAK weer als vanouds, dat wordt in Londen gevierd.

Hoogtepunt van het spektakel zijn de driedimensionale, veelal van was gemaakte anatomische beelden. In de meeste gevallen hebben ze op de ene plaats huid en wordt op een andere plaats de sluier van de huid opgelicht, om zicht te bieden op het gedetailleerd nagebouwde innerlijke landschap. De beelden wekken op het eerste gezicht associaties met demonstratiemodellen voor anatomiecolleges, maar dat is in het algemeen niet de achtergrond van waaruit ze gemaakt zijn.

Zoals uit de tentoonstelling valt op te maken, en in begeleidende teksten wordt benadrukt, kwamen anatomische beelden tot in de negentiende eeuw vooral tot stand uit esthetische en theologische motieven. Als kunstenaar kon je op papier, op doek of driedimensionaal laten zien hoe weergaloos mooi God de mens in elkaar gezet had. Voor dokters, die intensief samenwerkten met kunstenaars, was het zicht op de inwendige mens uiteraard ook waardevol, maar toch van beperkt nut. De middelen waarover bijvoorbeeld de chirurgie beschikte waren lange tijd niet verfijnd genoeg om met de gevorderde anatomische kennis iets aan te vangen

Slagersvitrine

De voorspoedige ontwikkeling van de anatomie is dus mede te danken geweest aan kunstenaars. Maar dat wil niet zeggen dat zij zichzelf ook als hele of halve medici beschouwden. Zij streefden er eerder naar om hun werk juist als kunst gewaardeerd te krijgen. Beeldhouwer of schilder wilden zij genoemd worden en niet iets anders. Een voorbeeld uit de 19de eeuw is de Engelsman Joseph Towne, van wie op de tentoonstelling vijf werken te zien zijn. Hij maakte in dienst van een ziekenhuis anatomische modellen, die hij ook regelmatig exposeerde in de Royal Academy.

Groot gelijk had hij, want hoe langer je rondloopt tussen deze virtuoze beelden, hoe meer je de kunst erin gaat zien. Zo is er een wassen beeldje van een vrouw uit de late 18de eeuw, gemaakt door de Fransman André-Pierre Pinson. Het zittende naakt is helemaal ongeschonden, op een stuk huid na dat uit haar voorkant is gelicht. Zij is mooi en elegant, alleen in dat open front, van borstbeen tot kruis, lijkt zij op een slagersvitrine, gevuld met worsten, rib en levertjes. Toch is zij diep ontroerend, gezien haar lichaamshouding, haar zorgelijke blik en vooral haar afwerende handgebaar. Dat zegt: `Nee, niet nog meer huid weghalen, genoeg anatomie zo!'

Het is surrealisme van het zuiverste water, deze antropomorfe vitrine. Een zusje van Dalí's Antropomorf Kabinet, de figuur met de borstpartij van open kastladen en hetzelfde wanhopige handgebaar.

Beelden als die van Pinson hebben in al hun tragiek iets geestigs, ongeveer zoals een kip die met afgehakte kop toch nog een tijdje doorrent. De gruwelen van Spectacular Bodies worden draaglijk doordat ze heimelijk ook op de glimlach spelen. Er staat in Londen een levensgroot beeld, gemaakt door Thomas Banks in 1801, van een man zonder huid die aan een kruis gespijkerd is. De man heeft een bejaarde kop maar hangt er ongebroken bij, hij lijkt een rekstok-oefening te doen met al die spieren. Hij is net een oude maar kranige vader, die aan zijn zoon laat zien hoe je dat doet, kruishangen.

Er is geen twijfel aan, dit kan niet anders dan kunst zijn. Het verruimt de blik, het bevrijdt de geest en het scherpt het inzicht. Precies zoals Arcimboldo dat bewerkstelligde in de 16de eeuw door in zijn schilderijen te laten zien dat de mens onder zijn huid is opgebouwd uit gebraden kippetjes, vis en gevogelte. Of zoals Francis Bacon het deed in de 20ste eeuw door met zijn verf het fysiek van de mens zo verschrikkelijk toe te takelen dat hij diens ware smoel onthulde. De verminkte, uitgeholde, hopeloos gedesoriënteerde hoopjes mens die Bacon kon schilderen, liggen niet ver af van de geamputeerde, uitpuilende rompen van Clemente Susini of F. Calenzuoli, twee eeuwen geleden gemaakt en nu in Londen te bewonderen.

Ja, het Verbond van Anatomie en Kunst leeft, dat is zeker. Om te bewijzen dat iets leeft moet je aantonen dat het zich vernieuwen kan, en dat bewijs wordt in Londen geleverd. De eerder genoemde John Isaacs, die niet alleen video's maakt, laat op de tentoonstelling een beeld zien dat rechtstreeks op Susini is terug te voeren. Het is een wassen beeld van een mannenlichaam, deels met, deels zonder huid, en niet meer in het bezit van al zijn organen en ledematen. Isaacs heeft precies gedaan wat al zijn voorgangers ook deden, en technisch even perfect. Toch zie je gek genoeg al van grote afstand dat het beeld, A Necessary Change of Heart, niet anders dan van onze tijd kan zijn. Waar zit 'm dat in?

Van Gogh

Het enige wezenlijke verschil met andere beelden is dat het beeld van Isaacs in een bloedplas ligt. Daardoor is het realistischer en harder, en in dat harde realisme doet zich onze tijd kennen, blijkbaar. Bij Susini en anderen zie je nauwelijks bloed, alleen een beetje in de aderen. Daardoor zijn hun even macabere beelden net iets minder rauw. Het lichaam van Isaacs is zojuist geslacht om zo te zeggen, dat maakt van de kunstkijker een ooggetuige. Je vraagt je af of dit lichaam hetzelfde is als wat je onlangs nog door een bebloede witte jas uit een koelwagen gesjouwd zag worden.

Daar komt nog iets bij, maar dat weet je pas nadat je het tekstbordje hebt gelezen. Het is John Isaacs' eigen lichaam dat hier is nagebootst. Behalve van Susini zit er in het beeld ook iets van de performance-kunst uit de jaren 1960 en `70.

De performance-kunstenaars komt de eer toe het Verbond van Anatomie en Kunst, dat al jaren een marginaal bestaan leidde, nieuw leven te hebben ingeblazen. De klad was erin gekomen in de tweede helft van de 19de eeuw, toen kunstenaars de anatomie maar een sta-in-de-weg begonnen te vinden. Vincent van Gogh bijvoorbeeld had er geen talent voor en wilde dat ook niet hebben. Als hij studies van handen maakte was hij niet bezig met de onderlinge verhoudingen van vingerkootjes. Hij wilde niet op de eerste plaats doorgronden hoe iets zat, hij wilde uitdrukken wat hij zag. Die houding zou de aandacht voor anatomie in de kunst volledig gaan overwoekeren.

Uitdrukkingskracht, daar ging het voortaan om, en om die te bereiken werd de menselijke figuur steeds verder vervormd en verkleurd - net zolang tot zijn fysiek nagenoeg uit het zicht was verdwenen. Schilders onderzochten liever de schilderkunst dan de mens en ze deden er gloedvol verslag van in abstracte schilderijen. Zoals Rietveld wonderen van stoelen maakte die niet om in te zitten waren, en Denys Lasdun verfrissende statements van gewapend beton bouwde, zoals de Hayward Gallery.

Het moest allemaal gebeuren, maar het Verbond van Anatomie en Kunst treurde. De studie van de anatomie werd in de kunst nog slechts hooggehouden door onverzettelijke figuren als Dalí en Bacon.

Tot in de jaren `60 het nieuwe genre van de performance-kunst het lichaam weer in het centrum van de aandacht plaatste. Kunstenaars begonnen het lichaam weer te ontleden, dat wil zeggen, niet het lichaam maar hun eigen lichaam. Marina Abramovic zette het mes in haar buik, Chris Burden liet een gat in zijn arm schieten, Otto Mühl en Hermann Nitsch lieten in bloederige rituelen hun hele lichaamsinhoud naar buiten komen door al hun openingen.

Uiterst spectaculaire lichamen dus, zou je denken. Het was niet onlogisch geweest als deze zelfontleders in Londen ook een plaatsje hadden gekregen - al was het maar uit dank, omdat ze het lichaam in de kunst hebben teruggebracht. Maar ze zijn er niet bij, en de reden laat zich raden.

Het verschil tussen de performers en bijvoorbeeld Isaacs is dat de laatste van zijn lichaam een object heeft gemaakt. Hij heeft het vormgegeven en valt niet met zijn kunst samen. De performers wel, die wilden subject zijn en blijven, niet zozeer op zoek naar inzicht in het lichaam, als wel naar een extreme beleving ervan. Ze gebruikten hun lichaam als instrument, maar hun motieven waren psychologisch. Zoals alles psychologisch was in het toenmalige tijdsgewricht, iedereen las psychologieboeken. Er was een wijd verbreid geloof dat alle kwalen psychisch waren, dat je alles door geestkracht voor elkaar kon krijgen. Het lichaam, daar stond je boven, het deerde je niet, en precies dat demonstreerden de kunstenaars die hun eigen lichaam te lijf gingen.

Nu, dertig jaar later, is alles omgeslagen. Inmiddels leest niemand meer boeken over psychologie, maar over de hersenen, het humaan genoom en xenotransplantaties. Alle kwalen zijn nu genetisch, en onze gedachten, gevoelens en ideeën zijn uiteindelijk niets anders dan biochemische processen.

Neuzenmeter

Het klinkt weer even overspannen als dertig jaar geleden, en je ziet van die overspannenheid ook symptomen bij Spectacular Bodies. De fysionomie bijvoorbeeld mag er bloeien alsof we nog in het 18de-eeuwse Zwitserland van de beroemde neuzenmeter Lavater leven.

Zo diep werkt de omslag blijkbaar door. In het psychologie-tijdperk van de jaren `60 en `70 was fysionomie, of fysiognomiek, iets bespottelijks, een relict uit primitieve tijden toen de samenleving nog door en door racistisch en seksistisch was, en de mensen überhaupt op hun uiterlijk werden beoordeeld. Nu, in 2000, is het vertrouwen in het lichaam weer zo groot dat die fysionomie opnieuw de schijn mag wekken dat er iets in zit.

Zeker, het is heel interessant om door Da Vinci of Della Porta getekende mannenhoofden te bekijken die de trekken vertonen van leeuwen- of hondenkoppen. Of om te zien hoe de maniakale neef van Darwin, Francis Galton, uit vage 19de-eeuwse groepsfotootjes de individuele gezichtjes knipte en die bij honderden classificeerde, om uiteindelijk tot een theorie ter genetische verbetering van de mensheid te komen. Dat neem je tot je voor wat het is: geschiedenis.

Maar wat heeft het voor zin om dan ook nog de hedendaagse Duitse kunstenaar Gerhard Lang uit te nodigen, die dat oude werk nog eens in alle ernst overdoet? Lang (1963) laat een aantal filmbeelden zien waarbij menselijke gezichten en dierenmaskers over elkaar heen worden geprojecteerd. Palaeanthropical Physiognomy is de titel van het werk. Het is wel grappig, voor heel even, dat is het allerbeste wat je ervan kunt zeggen.

De kunstenaar heeft ook pasfoto's gemaakt van alle 58 inwoners van zijn geboortedorp Schloss-Nauses. Vervolgens heeft hij die, in precies dezelfde stijl als Galton in de 19de eeuw deed bij criminelen, samengevoegd tot één foto onder de titel De Typische Inwoner van Schloss-Nauses. Totaal overbodig.

Misschien hebben ze in Londen gedacht: het Verbond van Fysionomie en Kunst leeft, en om dat te bewijzen zullen we aantonen dat het zich vernieuwen kan. Maar dit bewijs deugt niet, dat zie je. De fysionomie moet zich helemaal niet vernieuwen als fysionomie. Zij vernieuwt zich al eeuwen, dagelijks, en wel als portretkunst. Want ieder goed portret drukt iets uit, waarvan je nooit helemaal kunt zeggen wat dat is, anders is het geen goed portret.

Nee, dat het fysieke op dit moment het getij mee heeft is prachtig, maar laat het lichaam vooral het lichaam blijven, en niet denken dat het ook nog iets over de ziel moet zeggen. De beste manier om het innerlijk te kennen is achter de huid te kijken, en dat weten wij dankzij Spectacular Bodies.

Spectacular Bodies, tot en met 14 januari 2001. Hayward Gallery on the South Bank, Londen SE1. Inlichtingen: 00.44.20.7960.5226. Dagelijks 10-18u, di en wo tot 20u.

www.hayward-gallery.org.uk.