De dichtervorst bleef kind

Hij gold als `de prins der dichters'. Maar kort na zijn dood gleed Adriaan Roland Holst in de vergetelheid. Een uitputtende biografie relativeert zijn filosofieën en bestempelt hem als een verwende conservatief die in zijn jeugd bleef steken, maar onsterfelijke regels schreef.

Een van de laatste teksten die Adriaan Roland Holst, `de prins der dichters', schreef voordat hij in augustus 1976 op 88-jarige leeftijd in zijn `bezielde dorp' Bergen stierf, bevat een hard oordeel over zichzelf. Hij geeft toe dat zijn leven, en daarmee het werk waarvoor hij geleefd had, `middelmatig' was geweest. Daarmee bevestigde hij wat beroemde tijdgenoten en enkele critici van nieuwere generaties ook van hem dachten, al hadden zij dat, uit sympathie voor de persoon, nooit zo uitgesproken.

`Middelmatig' is ook de kwalificatie die een kwart eeuw na zijn dood voorzichtig doorklinkt in de balans die biograaf Jan van der Vegt opmaakt van zijn oeuvre. Gelukkig beoordeelt hij het werk van Adriaan Roland Holst op het beste wat de dichter gemaakt heeft en niet op alle quasi-filosofische rimram die in de loop der jaren ook uit diens pen is gevloeid, bijvoorbeeld de onbegrijpelijke maar verheven klinkende regels op het Nationale Monument op de Dam in Amsterdam.

`Men moet', schrijft Van der Vegt, `het oordeel over het dichterschap van Roland Holst niet ophangen aan zijn geloof in goden, zijn ideeënwereld, die vooral een hulpconstructie was voor het dichterschap. [...] Primair was voor hem het taalritme dat zich met klanken verbond en betekenissen naar zich toehaalde uit zijn levenservaring: liefde en verlangen, passie en begeerte, de harde confrontaties van het ik met zichzelf; opdracht en falen, dood en angst.' Om deze thema's, die van alle generaties zijn en niet aan stromingen of modes gebonden, draaiden leven en werk van Roland Holst en daarover gaat het dus ook in Van der Vegts gedetailleerde en omvangrijke biografie.

`Jany' werd hij genoemd, de oudste zoon van Adrianus Roland Holst en Maria van Tijen, die op 23 mei 1888 aan de Amsterdamse Stadhouderskade ter wereld kwam. Dit koosnaampje bleef hij zijn hele leven voeren. Men sprak hem aan met `meneer Holst' of `Jany', nooit en te nimmer met `Adriaan'. Zijn vader, broer van de beeldend kunstenaar Rik Roland Holst en zwager van de socialistische dichteres Henriette, was een bemiddeld assuradeur. In 1896 verhuisde hij met zijn gezin dat was uitgebreid met nog twee zoontjes naar Hilversum, waar Jany werd grootgebracht als verwend rijkeluiszoontje.

Een paar eigenschappen kwamen al vroeg naar voren: Jany had meer interesse voor meisjes dan voor leren, tobde met een zwakke gezondheid en was lui. Met grote moeite en een flinke dosis geluk slaagde hij voor zijn eindexamen HBS. Een verblijf in Lausanne als toehoorder aan de universiteit moest zijn gebrekkige opleiding voltooien. Veel meer dan een verliefdheid op de Russische Manya Baranoff en een uitstekende kennis van het Frans hield hij er niet aan over. Bij terugkomst in Hilversum, negentien jaar oud, werd van hem verwacht dat hij in de verzekeringsfirma Roland Holst & Zoon de plaats naast zijn vader zou innemen. Maar de stage die hij daartoe op het assurantiekantoor moest lopen werd geen succes. Na zes weken hield hij het voor gezien.

Zijn roeping lag elders, was hem inmiddels duidelijk geworden. Eind 1906, voor de kerst even over uit Lausanne, had hij in zijn ouderlijk huis in Hilversum argeloos de debuutbundel van zijn tante, Sonnetten en verzen in terzinen geschreven, uit de kast gepakt. Deze mystieke poëzie uit Henriette's pre-socialistische periode fascineerde Jany en ineens wist hij met grote en beslissende zekerheid: `Dat kan ik ook'. Nog diezelfde avond schreef hij opgewonden een sonnet over onweer. Jan van der Vegt begint zijn biografie met deze bekende maar nog altijd aansprekende anekdote over de wijze waarop de Nederlandse literatuur er op een van de laatste avonden van het jaar 1906 een dichter bij kreeg.

Om iets om handen te hebben besloot Roland Holst tot een studie letteren in Oxford, waartoe hem echter de benodigde klassieke opleiding ontbrak. De geschiedenis in Lausanne herhaalde zich te Oxford: vader betaalde, zoon presteerde weinig en slaagde er niet in zelfs maar een voorbereidend examen te halen. Wel maakte hij in Engeland opnieuw vrienden voor het leven en door zijn intensieve kennismaking met de poëzie van Yeats en met Keltische sagen ontwikkelde hij er ook zoiets als een wereldbeeld. Dit benoemde hij als een elysisch verlangen naar de hereniging van stemmen van ziel en bloed. Hij ontdekte dat het voorwereldlijke Keltische Elysium hem meer aansprak dan het socialistische aardse paradijs waar hij ook even mee flirtte, maar waar zijn door de wol geverfde tante Jet hem tegen waarschuwde. Als `jong heertje, lid van een zatte en vadsige bourgeoisie', moest hij vooral niet denken iets voor de arbeiders te kunnen betekenen, schreef zij hem. Hijzelf was volgens haar degene die hulp nodig had.

En hulp kreeg hij, niet alleen van tante Jet en oom Rik die zijn vanaf 1908 in tijdschriften gepubliceerde gedichten van bemoedigend commentaar voorzagen. Toen de 22-jarige dichter in 1910 thuis opbiechtte dat hij in Oxford was mislukt en dat hij zich niet geschikt achtte voor een reguliere betrekking, besloot vader Holst hem voortaan een jaargeld van ƒ1500 à ƒ1800 te geven – in een tijd waarin het gemiddeld jaarinkomen ƒ1300 bedroeg. Buiten het jaargeld financierde de oude Holst Jany's villaatjes in Blaricum en later in Bergen, hij betaalde zijn doktersrekeningen en doneerde `fondsjes' als Jany weer eens op reis moest naar adellijke vrienden in Parijs, Zwitserland en Italië. Van der Vegt weidt in zijn biografie uit over de bevoorrechte positie van Jany die gedurende de Eerste Wereldoorlog, de jaren twintig, de crisis van de jaren dertig en alles wat daarop volgde als een dichtervorst kon leven zonder zich ooit om de opbrengst van zijn werk te hoeven bekommeren. Maar de afhankelijkheid van zijn vader legde volgens de biograaf ook een zware claim: de noodzaak zijn dichterschap waar te maken drukte op hem, en continu lag de twijfel aan zichzelf op de loer, waardoor hij menigmaal in depressiviteit verviel. Daarvoor bestond nog een andere reden: aan het jaargeld van zijn vader was de voorwaarde verbonden dat hij niet zou trouwen, want daar was de toelage niet op berekend.

Depressies en vrouwen, daartussen beweegt zich het dichterschap en het leven van Jany Roland Holst. Als hij zich bond aan een vrouw kon hij niet werken en als hij niet werkte werd hij depressief. Thuis, waar zijn vader niet van de dienstmeisjes kon afblijven en waar zijn moeder leed onder de talloze buitenechtelijke relaties van haar man, had hij al een afkeer van het huwelijk ontwikkeld. Voor zichzelf stelde hij vast dat zijn keuze voor het dichterschap iedere vorm van binding uitsloot. Wat het allerminst uitsloot was een seksuele hyperactiviteit. Tot in hoge ouderdom vulden zijn dagen en nachten zich met `avontuurtjes'. In zijn door het Letterkundig Museum bewaarde zakagenda's hield de dichter nauwgezet bij met wie hij hoe vaak en op welke tijdstippen de liefde had bedreven. `Tuk-met' betekende: middagdutje met seks en dat kwam vaker voor dan `tuk-zonder'.

Van der Vegt registreert Jany's liefdesgeschiedenissen nauwgezet, soms tot vervelens toe. Tussen de honderden vrouwen en meisjes (onder wie de schilderes Charley Toorop en de dochter van de bakker in Bergen) die zijn bed deelden, bevonden zich enkele grote liefdes zoals de onbekende `Claire' aan wie hij een gedicht wijdde en Mies Peters. Deze jonge vrouw, ze scheelde 23 jaar met Jany, kon zich evenmin binden als hij. De dood van deze `nomade', zoals hij haar noemde, bracht hem in 1943 groot en oprecht verdriet.

Roem schijnt erotiserend te werken, en dat verklaart wellicht Roland Holsts talloze veroveringen, waarmee hij literaire vrienden als Du Perron, Marsman en Nijhoff de ogen uitstak. Vanaf zijn eerste bundel Verzen (1911) die al op zijn 23ste uitkwam was zijn naam als dichter gevestigd, iedere volgende uitgave van De belijdenis van de Stilte (1913) en Voorbij de wegen (1920) tot De wilde kim (1925), vergrootte zijn prestige. Hoewel de belangrijkste eerbewijzen – de P.C. Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren – hem pas na de Tweede Wereldoorlog deelachtig werden, schreef hij zijn mooiste en meest tot de verbeelding sprekende poëzie vóór die tijd, met als hoogtepunt Een winter aan zee uit 1937. Zijn prozawerk, herscheppingen van Keltische sagen, meditaties over het leven en autobiografische verbeeldingen zoals Deirdre en de zonen van Usnach (1916), De afspraak (1923) en het door Ter Braak terecht als op de rand van kolderiek bestempelde Uit zelfbehoud (1938), maakte minder indruk, maar dat deed aan zijn publieke faam niets af.

Wat Roland Holst dreef om op seksueel gebied zo uitbundig van zijn literaire roem te profiteren, heeft Van der Vegt niet kunnen achterhalen. Volgens hem moet er sprake zijn geweest van een obsessie, maar waar die obsessie vandaan kwam? Met de in een voetnoot weggewerkte aanwijzingen van tijdgenoten dat Jany's seksuele gretigheid voortkwam uit een homoseksuele aanleg doet zijn biograaf niets. Hetzelfde geldt voor de mededeling van een bejaarde ex-minnares die zich in 1977 herinnerde dat de prins der dichters in bed tot weinig in staat was omdat hij `doodgewoon een homo was'.

Behalve de vrouwengeschiedenissen en de onthulling dat Jany daar een zoon (kind van een buurvrouw in Bergen) aan heeft overgehouden, levert deze eerste naar compleetheid strevende A. Roland Holst-biografie nog andere interessante nieuwe gegevens op. Bijvoorbeeld dat Roland Holst, van wie dikwijls antisemitische uitspraken zijn geciteerd die even vaak vergoelijkt zijn, zelf heeft toegegeven dat hij antisemiet was. Hitler heeft hem daar naar eigen zeggen van genezen. Voordat het zover was, zat zijn jodenhaat trouwens aanzienlijk dieper dan tot dusver werd aangenomen.

Typerend is in dit verband wat Jany over de crematie van Herman Gorter in 1927 aan een vriendin schreef: `Infecte jodenjongens liepen met vaandels en zongen de internationale; en bijna ontstond er een kloppartij tusschen Wijnkoop en nog zoo iemand. En dat bij de baar van een van de helderste en rechtste Ariërs die er ooit leefde!' Ervan afgezien dat Wijnkoop helemaal niet aanwezig was bij de crematie, verraadt deze opmerking een Blut und Boden-achtige visie op Gorter.

Zelf vond Gorter Jany een onbenul. Toen hij in hun beider woonplaats Bergen zijn mededichter eens aan zee ontwaarde, schijnt hij te hebben uitgeroepen: `Daar komt het Nekkie', om zich vervolgens ijlings uit de voeten te maken. Hij was allerminst gecharmeerd van Jany's `mondain gebabbel'.

Dat was ook wat de literatoren van zijn eigen en de daarop volgende generatie in Roland Holst tegenstond. Enerzijds had hij als poëzieredacteur van De Gids gezag opgebouwd, anderzijds was zijn politieke leeghoofderij de Forum-generatie waarmee hij vriendschappelijk omging een doorn in het oog. Er viel eenvoudig nergens met hem over te praten, bij discussies viel hij in slaap.

Van der Vegt maakt veel werk van Roland Holsts denkwereld, die uit een merkwaardig samenraapsel van esthetische normen en politiek conservatisme bestond. In de jaren dertig liet hij zich sterk beïnvloeden door het cultuurpessimisme van Oswald Spengler. Hij keerde zich tegen de democratie, tegen de vrijheid van drukpers, bezocht uit nieuwsgierigheid NSB-bijeenkomsten, stond aanvankelijk niet onsympathiek tegenover Hitlers machtsovername, was tot zijn dood een aanhanger van dictator Salazar en sloot zich op grond van deze overtuigingen nooit aan bij het antifascistische Comité van Waakzaamheid van Ter Braak en Du Perron. Hoezeer hij ook op de twee Forum-mannen gesteld was, zijn estheticisme strookte niet met hun keuze voor de `vent'. Jany was geen vent, ook al heeft Du Perron hem korte tijd wel als zodanig beschouwd. Zelf vertelde Holst dat hij tegen Ter Braak en Du Perron wel eens gezegd had dat zij eigenlijk de `boerenstand van de literatuur' vormden, terwijl hij zichzelf tot de aristocratie rekende.

Het duurde tot 1938 eer Roland Holst zich uitsprak tegen Hitler. In het gedicht `Voor West-Europa' brak hij de staf over het Derde Rijk, maar publiceren deed hij dit protest niet. Volgens zijn vader, van wie de toen vijftigjarige dichter nog altijd afhankelijk was, zou kritiek op het nazisme de handelsbelangen van de familiefirma kunnen schaden. Toen hij om deze reden het gedicht, dat hij al aan het tijdschrift Groot Nederland had gestuurd, terugtrok kwam hem dat op het verwijt van `lafheid' te staan. Jany verdedigde zich met het argument dat door publicatie minimaal drie gezinnen getroffen hadden kunnen worden, `en dat door een heldhafige daad van een dichtend rijkelui's zoontje'.

De angst voor represailles tegen de familie was overdreven – tante Jet publiceerde al jaren onder de naam Roland Holst protesten tegen de nazi's zonder dat de assurantiefirma daar nadelen van ondervond. De echte reden voor het terugtrekken van het gedicht was dat Jany's jongere broer Eep een kennis was van nazi-leider Hermann Goering, wiens vrouw Emmy Sonnemann ooit zijn geliefde was geweest. Toen zij met Goering trouwde stuurde Eep felicitaties, waarop een logeerpartij bij Goering volgde. Tijdens de bezetting, toen Jany weigerde de Ariërverklaring te ondertekenen en zich alleen na een openlijk protest bij de Kultuurkamer meldde, werd gefluisterd dat hij dankzij de connectie van zijn broer bescherming genoot, maar daar is nooit enig bewijs voor geleverd.

Omdat hij geprotesteerd had moest Roland Holst onderduiken. Zwervend van het ene comfortabele onderduikadres naar het andere kwam hij de oorlog zonder veel kleerscheuren door. Wel had de dood van vele vrienden hem hevig aangegrepen. Hij was erbij toen Du Perron op 14 mei in Bergen aan een hartstilstand stierf, op dezelfde avond dat Ter Braak een einde aan zijn leven maakte. Uit zijn in dichtvorm geschreven In memoriam voor het tweetal spreekt grote bewondering, maar toch: `Hun zin was niet mijn zin...'.

Na de bevrijding nam de roem van Roland Holst een mythische proportie aan. Anders dan een aantal andere schrijvers was hij goed geweest tijdens de oorlog, hij werd samen met verzetsmensen ontvangen bij koningin Wilhelmina en ontleende alleen al daaraan prestige. Zijn zestigste verjaardag in 1948 werd groots gevierd met een diner van tachtig mensen. Daar noemde collega-dichter Jan Engelman hem voor het eerst `de prins der dichters', een titel die een blijvende lauwerkrans werd. Datzelfde jaar kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre, in 1955 gevolgd door de P.C. Hooftprijs en vier jaar later de Prijs der Nederlandse Letteren. Vanaf 1953 was hij Ereburger van Bergen en geen koninklijke onderscheiding werd hem onthouden. Toen hij in 1966 bovendien niet zwichtte voor de charmes van Renate Rubinstein en zich een warm voorstander betoonde van het huwelijk tussen kroonprinses Beatrix en Claus von Amsberg, kreeg hij een vaste logeerkamer op kasteel Drakensteyn. Hij werd een graag geziene huisvriend van het toekomstige koninklijke paar en hun kinderen.

Tot zijn laatste snik heeft Roland Holst gedichten geschreven en gepubliceerd, al begrijp je als lezer van de biografie niet goed waar hij de tijd en de energie vandaan haalde. Naarmate hij ouder en gammeler werd, daalde de leeftijd van zijn nog altijd talrijke minnaressen. Op zijn 78ste raakte hij nog in vervoering van het 21-jarige meisje Anne-Marie Walraven die gaarne bereid was het bed met de bejaarde dichter te delen. Ze zag in Jany meer een groot kind dan een oude man, een mening die Van der Vegt met haar lijkt te delen.

Volgens hem is A. Roland Holst met zijn bindingsangst, zijn financiële afhankelijkheid en zijn seksuele onverzadigbaarheid in zijn adolescentie blijven steken en zonder het met zoveel woorden te zeggen velt hij dit oordeel ook over zijn werk dat in wezen puberaal is. `Wie in zijn jeugd gevoelig is voor poëzie, laat zich door Roland Holst gemakkelijk vervoeren en bedwelmen en als men uit die roes ontwaakt, is er al gauw de neiging zich heftig en emotioneel tegen hem af te zetten. Het is een van de verklaringen van de nadrukkelijk en soms agressieve verguizing die hem ten deel valt.'

Van der Vegts biografie is geen apologie van een mislukt dichterschap. Wel probeert hij de talloze onsterfelijke regels en verzen die de prins der dichters heeft nagelaten te redden voor het nageslacht en deze te plaatsen binnen de context van zijn tijd en persoonlijkheid. Roland Holsts duistere theorieën en abstracte mythologische constructies relativeert de biograaf zonder er al te veel woorden aan te besteden, zodat er genoeg ruimte overblijft voor Jany's persoonlijke leven. Hij was een kind, dat vond hij zelf ook, zoals blijkt uit het ongepubliceerde kort voor zijn dood geschreven gedicht `Het late kind', dat begint met de regel:

Zonder berouw een geilaard tot het graf.

Dankzij Van der Vegt heeft deze kinderlijke dichter nu een volwassen biografie gekregen die recht doet aan het werk maar ook, heerlijk on-Nederlands, een chronique scandaleuse durft te zijn. Jany Roland Holst die – diep in de tachtig – in Bergense cafés vrouwen op hun billen sloeg onder de uitroep `Ik sla graag een goed figuur' had het zich niet beter kunnen wensen.

Jan van der Vegt: A. Roland Holst. Biografie. De Prom, 735 blz. ƒ75,–