Ben ik misdadig genoeg?

Wie aan het schrijven gaat, begint te vernietigen en te vervormen. Schrijvers zijn misdadigers, en schrijvers in Zuid Afrika al helemaal.

Het is een eeuw of drie geleden.

Een jonge Britse kapitein reist te paard door de ongetemde savannen van zuidelijk Afrika. Zijn naam is William Gird. Gird is ontdekkingsreiziger, jager en kunstenaar; een avonturier. Hij wordt vergezeld door ene SlingerVel Xam!, zijn Khoi-gids.

Op een dag, na een lange en uitputtende tocht door de Moordenaarskaroo, komen ze bij een berg. Voorzichtig verkennen ze de omgeving. Opeens gebaart SlingerVel Xam! aan de kapitein: wacht, zachtjes verderop tussen de bomen zit iets. Kijk! Sprakeloos kijkt de jonge kapitein, net uit Indië waar hij wegens dapperheid is onderscheiden, naar de eerste giraffe die hij in levendelijve aanschouwt. De jonge Brit laat zich stil van zijn paard zakken en gebaart naar de gids om de pakezel naderbij te brengen. Xam! doet wat hem bevolen wordt en leidt het muildier dichterbij, onopvallend, om de elegante giraffe die met zijn kleine kop aan de bladeren in de kruin van een boom knabbelt, niet te storen.

Dan begint het ritueel. Behoedzaam klapt de gids de tafel en het canvasstoeltje open en zet ze klaar. Hij pakt de inktflesjes uit en legt twee tekenpennen met de scherpe punten links op het tafelblad, want de kapitein is linkshandig. De kapitein trekt zijn jasje uit, overhandigt het omzichtig aan zijn gids, rolt zijn mouwen op, en neemt plechtig plaats aan het tafeltje.

Terwijl de geur van droog gras hem tegemoet komt, tekent de kapitein, zwetend in de zon, de giraffe met nauwkeurige pennenstreken. Hij schroeft de inktflesjes open en weet de precieze kleur van de vlekken op het dierenlijf goed te treffen. Hij wil de lijnen van nek en rug, de combinatie van elegantie en jongensachtige lompheid, vastleggen. Niet veel later verdringt de geur van natte verf de geur van de aarde het droge gras, mest en grond.

Als hij klaar is, blaast kapitein Gird de verf voorzichtig droog en laat de tekening aan SlingerVel Xam! zien, die goedkeurend knikt. Gird voegt verbeeldingsvolle bijzonderheden toe: de nek van de giraffe is veel langer dan die van het levende dier voor hem, de ogen zijn amandelvormig, en hij staat grappiger op zijn poten. Om de mensen thuis te laten zien hoe ze eruit zien, heeft de kapitein gezegd, ze moeten begrijpen hoe vreemd alles hier is; hoe buitengewoon.

SlingerVel Xam! neemt de droge tekening in ontvangst en bergt hem op in de zadeltas, bij de andere tekeningen van olifanten, leeuwen en buffels. Zonder dat kapitein Gird erom hoeft te vragen pakt hij het geweer uit de houder ter hoogte van de schoft van het paard van de kapitein, laadt het en geeft het aan Gird, die nog steeds achter het tafeltje zit. De kapitein, zijn vingers klam en geel van de verf, richt.

Als het schot valt, maakt de verraste giraffe een zwaaiende beweging met zijn nek, bladeren vallen uit zijn bek, en zijn onwaarschijnlijk lange poten geven mee. De kapitein blijft zitten wachten tot het stof is gaan liggen en de laatste stuiptrekkingen tot bedaren zijn gekomen. De gids haalt een potlood, aantekeningenboek en meetlint uit de zadeltas van de muilezel, en overhandigt ze aan de kapitein. Gird bekijkt de giraffe, streelt over zijn huid, telt de vlekken in de nek en voelt aan de hoorns van het dier. Hij ruikt aan de vacht, en maakt dan nauwkeurige aantekeningen onder het kopje `Giraffe'. Als de opmetingen zijn voltooid, rijden de kapitein en SlingerVel Xam! weg. Het dode dier laten ze achter voor de aasgieren die al zijn neergestreken in de kruinen van de bomen in de omtrek.

Vernietiging

In dit toneel uit mijn roman Die Swye van Mario Salviati (Het zwijgen van Mario Salviati) een roman die ondermeer gaat over de aard van het kunstenaarschap zien we de kunstenaar in actie: zijn confrontatie met een wereld die hij niet kent, de blik waarmee hij kijkt, zijn nieuwsgierigheid en verwondering, en ook zijn opvatting over de plicht van de kunstenaar om uit te beelden en te boekstaven. Elders ter wereld wil men van alles weten over het continent Afrika; kapitein Gird moet die honger naar exotisme voeden. Het verhaal gaat ook over inbezitneming, over inpalmen en, tegelijkertijd, over vernietiging.

Want wie schept, vernietigt.

Vanaf mijn eerste pogingen tot schrijven, ben ik mij bewust geweest van een gevoel dat de scheppingsdaad zich in de sfeer van de misdaad afspeelt. Nu ik ouder ben, weet ik het zeker: misdaad vloeit als inkt door de vingers van de schrijver. Maar wat zijn misdaad nu precies behelst, blijft vaag. Misschien moet ik teruggaan in mijn ontwikkeling als schrijver om vast te stellen hoe een schrijver misdadiger wordt. Want over mijn eigen medeplichtigheid als kunstenaar twijfel ik niet. Soms, in ogenblikken dat ik het mijzelf kwalijk neem, twijfel ik of ik wel misdadig genoeg ben. Dat ik terugdeins voor de ultieme overtreding, het ultieme vergrijp.

Mijn ouders lazen veel en elke week ging mijn moeder naar de bibliotheek in het dorp en kwam ze letterlijk met een mandje vol boeken thuis voor de stille avonden op de boerderij televisie was er nog niet en de eerstvolgende boerderij lag vele kilometers verderop. Toch waren het buitenlandse boeken van literatuur van eigen bodem had ik slechts een vermoeden. Het eerste verhaal dat ik schreef, verstopte ik dus onder het ondergoed in mijn klerenkast. Bovendien schreef ik het ongeveer op een moment dat er andere interessante dingen met mijn lichaam gebeurden; dingen waarvoor ik me schaamde en waarover ik met niemand kon praten. Het schrijven kwam als een fysiek ontwaken; als aandrift en instinct; als iets dat beteugeld en verzwegen moest worden. Misschien is het gevoel dat ik wanneer ik schrijf bezig ben met iets onfatsoenlijks, toen al geboren.

Met de dood van mijn vader op mijn veertiende, raakten we de boerderij in de Karoo kwijt. Ik werd de wijde wereld ingestuurd de eerste afstammeling in negen generaties Van Heerden in de mannelijke lijn vergeef me de patriarchale houding die géén boer werd. Ik moest de grond van die geslachten van mijn handen wassen, een andere ploegschaar zien te vinden; een ander Afrika.

Met de dood van mijn vader werd de Karoo als streek in mijn gemoed verzegeld, afgesloten. Schrijven is iets dat ik clandestien begon te doen, vanaf mijn veertiende, nachten achter elkaar: gedichten, verhalen, weer gedichten. Veel van die gedichten slopen clandestien terug naar de Karoo, begonnen voorzichtig met een nieuwe blik het landschap en de mensen af te tasten. Dat kwam vooral door de sfeer bij ons thuis: gedane zaken namen geen keer, over het verleden werd niet gesproken. Daarom werd wat ik over het verleden schreef iets geheims ondermijnde ik de gezinsopvatting over wat gezond heette te zijn.

Schrijven werd voor mij synoniem met het intiemste, eigenste, en ik geloof nog steeds dat schrijven een schrikwekkend pendelen is tussen het hoogst persoonlijke en wat zich op straat afspeelt: elke schrijfdaad is een soort verraad; naast andere, mooiere dingen is schrijven ook een zich ontbloten; een statement over wat je tot mens maakt; alsof je je eigen persoonlijke levenssfeer schond.

Advocaatje

Na mijn rechtenstudie belandde ik op een advocatenkantoor. Ik hield me als jong advocaatje bezig met strafzaken de oneindige reeks messteken en diefstallen, de zakkenrollerij en andere kleine en grote criminaliteit in de noordelijke voorsteden en townships van Kaapstad.

Ik voelde me in die jaren aangetrokken tot de psychopaten, de dieven, de kleine en grote criminelen; ik zocht ze op in hun cellen onder de rechtbank en als ze eenmaal op borgtocht waren vrijgelaten, consulteerde ik hen veel te lang in mijn kantoor. 's Avonds als ik thuiskwam en mijn toga had uitgetrokken, schreef ik verhalen. Misschien is de instinctieve aantrekkingskracht die het afwijkende, het opstandige, het verzwegene en bedekte, de underdog, op de schrijver uitoefent meer dan een gewone aantrekkingskracht. Eerder een soort plicht; de plicht om jezelf te overtuigen van iets dat anderen niet willen zien.

Maar dat maakt je niet tot een soort priester bij wie anderen te biecht kunnen gaan, of tot een rechter die over anderen oordeelt. Want ik besefte dat je medeplichtig bent aan de misdaad van de rechterhand. Anders dan kapitein Gird ben ik rechtshandig, en in die tijd begon ik iets van kapitein Gird in mijzelf te herkennen de zwerver die ver van zijn geboortegrond nieuwsgierig op zoek gaat naar andere dingen; andere leefwijzen. Er was een honger naar het onbekende, een gretigheid ook om het ongeschrevene en nog niet in kaart gebrachte in te palmen.

Medeplichtigheid duikt op als een dief in de nacht. Ooit vertelde een collega-advocaat mij op een ochtend een verhaal over een van zijn cliënten, ene Tois Greeff. Greeff was een rondreizend portretfotograaf in de Karoo. Hij trok stad en land af, hing zijn decor aan de wand, stelde zijn camera op, bukte onder de zwarte doek, en maakte allerlei familieportretten. In een schrift hield hij bij van wie hij foto's had genomen, en de volgorde waarin hij ze genomen had. Dan reed hij terug naar zijn huis honderden kilometers ver weg, en sloeg aan het ontwikkelen. Met zijn schrift en een tas vol ontwikkelde foto's reisde hij vervolgens opnieuw de hele Karoo door om de foto's bij de mensen af te leveren. Het was zijn broodwinning: hij was een soort ontdekkingsreiziger van gezichten; een moderne kapitein Gird die zielen stal.

Tois Greeff en zijn vrouw kregen huwelijksproblemen, en tijdens een ruzie scheurde zij zijn schrift aan stukken. Tois zat nu met een tas vol foto's, maar wist niet meer welke foto bij welk gezicht hoorde. Greeff stond op het punt, vertelde mijn collega, om met zijn tas met foto's op reis te gaan door de Karoo. In elke plaats die hij met zijn camera had aangedaan, moest hij proberen uit te vinden welke gezichten in de tas bij welke mensen hoorden.

Die nacht schreef ik een verhaal over Tois Greeff. Ik verzon er net als kapitein Gird hier en daar wat bij, voegde wat toe en was tegen de vroege ochtenduren tevreden. De volgende dag nam ik het mee naar kantoor. Het lag op mijn bureau toen de receptioniste een cliënt aankondigde. Er stapte een man naar binnen die zei dat hij voor een vaderschapszaak kwam. Hij reisde veel en een vrouw in een of ander Karoodorp beweerde dat hij de vader was van haar kind; ze wilde dat hij opdraaide voor de kosten van levensonderhoud. Ik vroeg hem naar zijn naam en beroep. Ik ben rondreizend fotograaf, zei hij.

Voor mij zat de echte Tois Greeff, de man over wie mijn collega een dag te voren had verteld. Hij zat hier voor me, en daar, luttele centimeters van zijn hand op het glazen bureaublad, in een mapje gevouwen, bevond zich het verhaal dat over hem ging.

Ongelooflijk toeval, want in het rayon waar ik werkte waren honderden advocaten actief dat hij nu juist bij mij terechtkwam! Het was een vingerwijzing, een vermaning: tot op de dag van vandaag ben ik bezig met ontcijferen.

Terwijl ik daar zo tegenover Tois Greeff zat, vroeg ik me af of ik hem moest vertellen over het verhaal daar vlakbij zijn hand.

Vader

Ik liet natuurlijk niks blijken, organiseerde de nodige bloedonderzoeken en moest vaststellen dat hij inderdaad de vader was. Het verhaal werd gepubliceerd in een literair tijdschrift en later in een verhalenbundel. Wat er van die man geworden is, weet ik niet. Maar ik had mijn eerste bevestiging van wat ik al lang vermoedde: je kunt je als schrijver nooit vrijpleiten van de dingen waarover je schrijft; je zult nooit je onschuld kunnen belijden je bent mededader, en jouw schuld is even groot als die van de horden die dagelijks door de rechtbanken worden gefilterd.

Waarin ligt de schuld van de schrijver precies? Destijds had ik slechts een vaag vermoeden. Ik heb Tois Greeff, de fotograaf, daar in mijn studeerkamer op papier vastgelegd, niet op film, maar op papier. Ik heb hem me toegeëigend, alsof ik zijn ziel had gestolen. Ik was kapitein Gird, de jager, en hij was de giraffe. En toen, die dag in mijn kantoor, toen ik niet de moed had om hem te zeggen dat ik een verhaal van hem had gemaakt, heb ik hem doodgeschoten. Ik heb hem weggevaagd uit zijn eigen verhaal. Ik heb het naar een literair tijdschrift gestuurd. Ging met zijn leven aan de haal. Hij liep als een dode de deur van mijn kantoor uit. Wat ik die avond thuis voorlopig tegen mijzelf kon zeggen was: Jouw schuld is groter, want je doet je als schepper voor terwijl je eigenlijk jager bent, eigenlijk rijd je te paard door je eigen, persoonlijke landschap, met je dodelijke teken- en schrijfinstrumenten.

Schrijven gaat over het maken van keuzes keuzes betreffende textuur en taal, verhaalwendingen en synoniemen, karakters en stijl, onthouding en vertraging. Misschien is het maken van de juiste keuzes op dit gebied, wel de enige plicht van de schrijver. Márquez heeft geschreven dat de enige revolutionaire plicht van de schrijver is goed te schrijven.

Maar zo eenvoudig is het niet. Buiten de tekst om moet de kunstenaar als mens in een bepaalde context ook keuzen maken. En Zuid-Afrika is dan wel een bijzonder uitputtend land, dat zijn kunstenaars voortdurend een scala van mogelijkheden opdringt, van preutsheid tot misdaad.

Waar de schrijver mee geconfronteerd wordt, is de broze spanning tussen loyaliteit en verzet. Het was een complexe vraag in de apartheidstijd, met een hele reeks mogelijkheden die de schrijver ten dienste stonden. Enerzijds kon de schrijver die in het Afrikaans schreef, weigeren om door het scheppen van teksten in die taal culturele legitimiteit te verlenen aan het apartheidsstelsel; hij kon dus streven naar een soort preutse correctheid. Anderzijds kon hij hardnekkig in het Afrikaans en juist in het Afrikaans blijven protesteren en zich in tekst na tekst verzetten tegen de wurggreep van de godsdienstige, politieke en economische opvattingen die de muren van het apartheidshuis overeind hielden.

Maar wanneer de letterkunde instrument wordt voor de goede zaak, boet het aan belang in en houdt het op te boeien. Terwijl het dapper uitvaart tegen alles wat boos is, boet het ironisch genoeg juist in aan eigen criminaliteit. Het verliest de wonderbaarlijke woordenschat van alles wat afwijkt.

Hoever mag de schrijver gaan in zijn criminaliteit?

Mij wordt bijvoorbeeld geregeld de vraag gesteld: was schrijver A of B een verzetsschrijver? Nu bevinden we ons op glad ijs: culturele toe-eigening, collaboratie, legitimering, er ontpopt zich een heel tafereel van narrige onduidelijkheden en verweven misdaden, vaak zonder opzet. Een antwoord kan zijn dat in een land als Zuid-Afrika, dat zo'n verschrikkelijke tijd achter de rug heeft, niemand schone handen houdt. Misdaad zit dan in de omstandigheden ingebouwd; elke handeling is een vorm van collaboratie. Je zult je onschuld alleen kunnen bewaren door op de vlucht te slaan.

In het algemeen is de groei en ontwikkeling van literatuur een valstrik, heb ik in de loop der tijd ontdekt. Je probeert bijvoorbeeld een genre te herschrijven en je verzet je tegen de canon, en toch word je, als je verzet succes heeft en je iets heel nieuws weet te doen, uiteindelijk door de canon verwelkomd: verzetsschrijver wordt onderdeel van het establishment je wordt gehuldigd voor je misdaad, en je vergrijp wordt plotseling deel van de aanvaarde, gecanoniseerde gang van zaken. En voor de jonge rebelse schrijver die op die manier wordt opgenomen in de galerij der groten, houdt de manier waarop dat gebeurt verraad in tegen de opstandige misdadigheid van zijn jeugd.

Er is geen ontsnappen aan; de schrijver bevindt zich altijd binnen de complexe misdaadsfeer met zijn vragen.

Uit het Afrikaans vertaald door Robert Dorsman.

Dit is de sterk bekorte tekst van de Albert Verwey-lezing die Etienne van Heerden afgelopen woensdag uitsprak aan de Rijks Universiteit Leiden