Beethovens haar

In de onderkast is een prominente plaats ingeruimd voor het onderwerp `haar'. Uiteraard zijn de zesentwintig delen van de Encyclopédie Perruquiere aanwezig, naast Theodor Lochtes in de ook in haarverband verdachte jaren 1940 en 1938 gepubliceerde mengelwerken Cuticulastudien am menschlichen Haar, Über die Kopfhaarlänge beim Säugling und Kleinkind und über den Haarwechsel des Kopfhaares des Neugeborenen, Grüngefärbte Haare eines Kupferarbeiters en Atlas der menschlichen und thierischen Haare. We vinden in deze onderkast-afdeling ook minder vooraanstaande titels als F.W. Bains In the Great God's Hair (z.j.), John Carella's How to Eat Your Way Back to a Healthy Head of Hair (1971), Joy Seale's Favorite Recipes from under the Hair-Dryer (1969), Bill Severns prachtige haarcultuur-studie The Long And Short Of It (1971), Maria Sorrentins Le mystère de la perruque noire (1968) of Joh. Christ. Diederichs Ueber die schweren Haare des Absalom (1776).

Het lijdt geen twijfel of Russell Martins nieuw verschenen `historische odyssee van een haarlok en de oplossing van een muzikaal mysterie' getiteld Beethovens haar op dezelfde onderkast-plank zal worden bijgezet, maar niet zonder gemengde gevoelens. Want ik weet niet wat het is met die Amerikanen, het lijkt alsof ze geen hoge pet op hebben van hun lezers. Al die auteurs – of ze nu over kikkers, chaoswiskunde of haar vertellen – gaan allemaal op hun hurken zitten en leggen hun boodschap uit alsof ze tegen kinderen praten. De strekking wordt voortdurend herhaald, de rode draad wordt dik door hun boeken gekalkt. Ook bij het lezen van Russell Martins Beethovens haar heb ik meer dan eens gemompeld 'Jaja Russell, nou weten we het wel'. Erg jammer. Daarbij maken ze overal een detective van, een speurtocht waarbij ze de ontdekkingen zo lang mogelijk uitstellen, en tot en met de kleinste details in de kleuren van de sensatie schilderen. Als Russell Martin bij voorbeeld noteert dat de zomerzon op het Deense eiland Sjaelland `tot bijna middernacht aan de hemel te branden staat' dan stelt hij de brandende bijna-middernachtverlichting op dat eiland wel erg polair voor: zo noordelijk ligt Denemarken ook weer niet. Beschrijft Martin ergens in zijn geschiedenis de Duitse omsingeling van een kerk vol weerloze joden, dan zijn alle soldaten weer `strijdlustig'. En geschaterd heb ik om de zin: `Het Rode Leger had de nazitroepen diep in Rusland gedreven'. Maar het kan altijd erger, en het werd ook erger. Marijke Brutsaert vertaalde het boek uit het Amerikaans in een soort hoe-heet-dat-ook-alweer-in-het-Nederlands-stijl, zodat Martins Amerikaanse stijl gelardeerd raakte met een enorme hoeveelheid struikelblokken: `doodskampen' (vernietigingskampen), een `geanimeerde stilte', Beethoven die `effectief' het hoofd van de huishouding werd, een `coterie van geïnteresseerden'. Verschrikkelijk.

Ik kan niet zeggen dat Russell Martin, bijgestaan door zijn vertaalster, zijn onderwerp heeft verprutst. Aan de opmerkelijke historische zwerftocht van die ene, bewaarde haarlok van Ludwig van Beethoven valt weinig te verprutsen. We komen er mee in het leven van Beethoven terecht, we volgen via de haarlok de miskende carrière van de componist Hiller, ontmoeten in diens omgeving Berlioz, Mendelssohn, Liszt, Chopin, komen in een ander hoofdstuk terecht op het genoemde Deense eiland Sjaelland in het jaar 1943, als de dorpelingen met grote moed een enorme hoeveelheid joden naar Zweden loodsen, en reizen via Sotheby's tenslotte naar Amerika, waar een stel maniakale Beethoven-bewonderaars zich op de sectie van de haarlok werpen. Hun geluk kan niet op als aan de lok bovendien nog een paar haarzakjes blijken te zitten, dat biedt verruimde mogelijkheden voor DNA-onderzoek.

Even nadenken. Wat zal ik verder over Beethovens haar door Russell Martin melden? Natuurlijk willen we weten wat de oplossing van het muzikale mysterie is, die op de omslag wordt beloofd, maar om die nu weg te geven. De haarlok is echt afkomstig van Beethovens hoofd, daar bestaat geen twijfel over en hoe zou het komen dat ik eigenlijk geen zin meer heb veel over dit boek te vertellen, terwijl ik het toch beslist geboeid gelezen heb? Veel historische personages in Beethovens haar zijn daarbij erg sympathiek. De man die de lok op ruwe wijze (vandaar die haarzakjes) uit Beethovens haar knipte, de Deense huisarts die voor onbekende joodse landgenoten zijn leven waagde, tot en met de Amerikaanse haaronderzoeker die Guevara heet en `Che' werd genoemd, van wie wordt verteld dat hij al op zijn zesde een encyclopedie uitlas, uit nieuwsgierigheid.

Eén ding kunnen we uit Russell Martins haarbiografie beslist leren, maar gek genoeg is dat juist niet de boodschap die de auteur er bij de lezer in hamert – `die ene haarknip-actie heeft tot de oplossing van fundamentele Beethoven-vragen geleid'.

Waarom heeft Russell Martin niet verder gedacht dan Beethoven, er zijn toch beslist méér fundamentele vragen op te lossen dan alleen maar over deze ene componist? Hadden we maar haar van bij voorbeeld Cicero, Sade of Michiel de Ruyter. De boodschap waarmee Russell Martin natuurlijk had moeten besluiten is: `Nabestaanden, kappers! Knip een haarlok van uw betreurde groten! DNA-onderzoek lost veel van uw vragen op.'

Russell Martin: Beethovens haar. Anthos, 271 blz. ƒ42,50