Alle kneepjes van het vak

`Alles staet my tege – Alles verontrust my en niets vertoont zich in zynen natuurlyken glans voor myn gezicht – Daar gy, myne vriendinne! alleen die geene blyft op welke ik hope.' Een tot over zijn oren verliefde Pieter Blussé (1748-1823) smachtte en smeekte in de nazomer van 1770 naar de hand van de 17-jarige Sophia Vermeer, een ouderloos meisje dat hij bij een Rotterdamse tante had ontmoet. Voordat de jonge Dordtse boekhandelaar een liefdesbrief aan Sophia schreef, had hij eerst geïnformeerd naar haar afkomst. Ze kwam, zo bleek, uit een goed nest; financieel gezien zou hij zich daar zeker geen buil aan vallen. Pieters ouders waren verguld met de keuze van hun zoon.

Sophia's voogden daarentegen hadden zo hun bedenkingen. Pieters sociale status riep nogal wat vraagtekens op. Voorgeslacht, opleidingen, maatschappelijke functies, welstand, winstgevende ambten en financiële vooruitzichten – dit alles diende onderzocht te worden. Abraham Blussé, vader en werkgever van de verliefde jongeling, was zo begaan met het onzekere lot van zijn zoon, dat hij Pieters status oppoetste. Hij splitste zijn bedrijf: boekhandel, uitgeverij en binderij kwamen in handen van zijn zoon; loterij en postkantoor vielen onder vaders beheer. Na 87 liefdesbrieven en een uitputtend antecedentenonderzoek, waarbij de status van het boekhandelaarsberoep onder de loep werd genomen, trad het jonge paar in het huwelijk. Zakelijkheid en romantische liefde – Pieters prachtige brieven zijn daar het bewijs van – bleken elkaar niet in de weg te zitten: aan het einde van de achttiende eeuw, toen het verliefde stel een echtpaar van middelbare leeftijd was geworden, waren Pieter en Sophia gezegend met drie dochters, zeven zonen en een bloeiend uitgeversbedrijf.

Drie generaties

In haar lijvige studie Een lot uit de loterij vertelt Arianne Baggerman de geschiedenis van drie generaties Blussé. Het familiearchief is haar belangrijkste bron. Ze noemt de ongeordende berg documenten die ze in het Dordtse gemeentearchief aantrof een `geheugenpaleis'. Haarlokken, vlechten, raadselschriftjes, geboorteaankondigingen, recepten, menu's, horoscopen, paspoorten, doktersrekeningen – 84 archiefdozen verborgen een schat aan materiaal. Naast deze `levensresten' bevatten de dozen ook egodocumenten – waaronder Pieters liefdesbrieven en zijn autobiografie –, zakelijke correspondentie, kasboeken, winkelinventarissen, en uitgeverscontracten. Vanuit het perspectief van het uitgeversbedrijf Blussé, het microniveau – of in Baggermans woorden: `een bescheiden zitplaats op de grond' –, bekeek ze de achttiende-eeuwse wereld van het boek in al zijn facetten: opvoeding en boeken, de boekenwinkel, de ramsjhandel, het lezerspubliek, boekadvertenties e tutti quanti.

Achttiende-eeuwse pedagogen gaven ouders het advies het leesgedrag van hun kroost te begeleiden en te controleren. Ook de lectuur van de kinderen Blussé werd streng geselecteerd. Baggerman trof in het archief twee verfomfaaide schema's aan, waarop staat wat Pieters zonen, de twaalfjarige Abraham jr. en de vijftienjarige Adolphe, dagelijks moesten doen. De activiteiten van de kleine Abraham bestonden uit tekenen, wandelen, schermen, catechisatie en natuurlijk lezen.

Het is opvallend dat veel voorgeschotelde boeken niet van recente datum zijn. Hieruit valt af te leiden dat vader Pieter goed naar de pedagogische adviezen had geluisterd en eerst zelf wilde onderzoeken wat hij zijn zoon te lezen gaf; een tijdrovende klus voor een druk bezette zakenman. Abrahams boeken waren niet per definitie saai of eentonig: Defoe's Robinson Crusoë in een bewerking van J.H. Campe en de spannende autobiografie van de Waalse hugenoot Jean Marteilhe, die wegens zijn geloof tot galeislaaf was veroordeeld, zullen met rode oortjes gelezen zijn. Met dit soort boeken werd leeslust aangekweekt en kregen kinderen volgens de toentertijd vigerende pedagogische adviezen `plaizier' in het lezen.

Het schema van zoon Adolphe vertelt iets over de opleiding tot boekhandelaar. Om zes uur stond hij op. Na het wassen richtte hij zich nederig tot God en voor zeven uur moest `zijn oog reeds door 't huis en den winkel loopen'. Op doordeweekse dagen diende hij zich te verdiepen in zowel de ambachtelijke als de inhoudelijke kant van het boekenvak: vouwen, naaien, inbinden, schrijven en het doornemen van boekadvertenties in kranten en daarvan een register bijhouden. Omdat kennis van de Franse, Duitse en Engelse taal in deze branche onontbeerlijk was, kreeg hij als opdracht stukken te vertalen uit bijvoorbeeld Histoire du gouvernements du Nord of Characterzüge und merkwürdige Begebenheiten aus dem Leben berühmter und berüchtigter Menschen. Pieter Blussé bracht hem alle kneepjes van het vak bij.

Zo was er de ramsjhandel. In de jaren 1770-1780 stond de Rotterdamsche Courant vol met aanbiedingen van oudere boektitels. De goedkope titels werden over het algemeen niet door de uitgever zelf, maar door andere boekverkopers aangeboden, meestal voor de helft tot tweederde van de oorspronkelijke prijs. Om kopers de indruk te geven dat een bepaalde titel niet in de ramsj zou komen, werd in advertenties benadrukt dat de `oplage zoo gering [is] dat het zelve nooit tot een verminderde prys zal kunnen aangeboden worden'. De looptijd van een achttiende-eeuws boek was vaak stukken langer dan tegenwoordig. Het in 1767 door Blussé uitgegeven driedelige werk Algemeen en beredenerent woordenboek der natuurlyke historie van V. Bomare werd pas na 21 jaar verramsjt.

Familieroman

Een lot uit de loterij is spannend, onderhoudend, informatief en bij vlagen benadert deze dissertatie zelfs het niveau van een mooie familieroman. Het staat vol met verhalen over conflicten tussen uitgevers en auteurs, bedrijfsspionage en politiek gekonkelefoes in de patriottentijd. Baggermans drang naar volledigheid levert zo nu en dan bizarre details op: verffabrikanten namen bij voorkeur blinde kinderen in dienst, opdat hun recepten geheim zouden blijven. Soms is haar aanstekelijke ironie net iets te veel. In het laatste hoofdstuk vergelijkt ze de uitgeversfamilie Blussé met de oerdegelijke twintigste-eeuwse gereformeerde uitgever Kok uit Kampen. Het is maar goed dat de schrijfster deze vergelijking pas aan het einde van het boek maakt – veel lezers zouden er ten onrechte door worden afgeschrikt. En het is de vraag of zij hiermee Blussé, maar ook Kok, niet tekort doet. De totstandbrenging van een saai, degelijk maar succesvol fonds, risicomijdend ondernemerschap en het bewaken van de familie-eer die nauw verbonden is met het bedrijf, zijn zaken die inzicht, kennis, tact en wellicht ook een enigszins malicieus ondernemerskarakter vereisen – de ideale ingrediënten voor een mooie achttiende-eeuwse soap. Liefde, hartstocht, maar ook warmte en hartelijkheid, zowel van de kant van de Blussés, die `levensresten' bekwaam reconstrueerde, maken Een lot uit de loterij tot een aanwinst voor de boekhistorie en de gezinsgeschiedenis.

Arianne Baggerman: Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blussé en Zoon, 1745-1823.

Sdu Uitgevers, 502 blz. ƒ59,90