WETSVOORSTEL

Ook in het nieuwe wetsvoorstel dat de Tweede Kamer deze week plenair behandelt, blijven euthanasie en hulp bij zelfdoding in het Wetboek van Strafrecht als misdrijf gehandhaafd. Maar er wordt aan toegevoegd dat onder bepaalde voorwaarden de `dader' – de arts dus – niet hoeft te vrezen voor strafvervolging. Wordt aan die voorwaarden (waaronder melding) niet voldaan dan kan een straf van maximaal twaalf jaar gevangenis (bij euthanasie) of drie jaar (bij hulp bij zelfdoding) of een boete worden opgelegd.

Het wetsvoorstel leunt grotendeels op het initiatiefontwerp dat de huidige regeringspartijen begin 1998, vlak voor de verkiezingen, bij de Tweede Kamer indienden. Kern van het voorstel is dat het handelen van de arts die euthanasie pleegt of die hulp verleent bij zelfdoding altijd wordt getoetst maar dat de arts, als hij blijkt zorgvuldig te hebben gehandeld, van strafvervolging wordt uitgesloten. Nieuw is nu dat niet het openbaar ministerie het handelen van de arts toetst, maar een regionale, onafhankelijke commissie waarin naast een jurist (die de voorzitter is) ook een ethicus en een medicus zitten. Is die commissie van oordeel dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, dan is voor die arts daarmee de kous af. Het OM wordt pas actief als de commissie tot een andere conclusie komt of als het bij de melding van het overlijden door de lijkschouwer (of daarna) een gegrond vermoeden bestaat dat er toch mogelijk een misdrijf in het spel is.

De eisen waaraan de (vijf) regionale commissies het handelen van de arts toetsen, liggen in de wet vast. Ze zijn gebaseerd op de uitspraken die de rechter (de Hoge Raad) in de laatste twintig jaar deed in de inmiddels talrijke zaken over levensbeëindiging op verzoek (euthanasie) en hulp bij zelfdoding.

De belangrijkste zijn:

De arts moet ervan overtuigd zijn dat de verzoeker vrijwillig en weloverwogen tot zijn vraag is gekomen. Bovendien moet het verzoek `duurzaam' zijn.

De arts moet ervan overtuigd zijn dat er bij de verzoeker sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden.

De verzoeker moet zijn geïnformeerd over zijn situatie.

De arts moet samen met verzoeker tot de conclusie zijn gekomen dat er geen redelijke andere oplossing voor de situatie is.

De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd die het verzoek ter plaatse heeft beoordeeld.

De arts heeft de gevraagde behandeling medisch zorgvuldig uitgevoerd.

En, natuurlijk, de arts moet de euthanasie of zijn hulp bij zelfdoding melden. Hij doet dit door de lijkschouwer een niet-natuurlijke doodsoorzaak te melden en bij de melding een verslag te voegen van de gevolgde gang van zaken. De lijkschouwer voert een eerste schouw uit, meldt de zaak aan de officier van justitie (die toestemming voor de begrafenis of crematie moet geven) en zendt het verslag naar de commissie.

Het wetsvoorstel regelt ook het recht van minderjarigen (boven de twaalf jaar) op euthanasie en hulp bij zelfdoding. Jongeren tussen de twaalf en zestien jaar hebben daarvoor nog wel de instemming van hun ouder(s) nodig, voor de zestienjarigen en ouderen is die niet nodig, al moeten de ouders wel bij de besluitvorming worden betrokken.

Zestien jaar vormt in het wetsvoorstel ook de grens voor de schriftelijke wilsverklaring die een officiële status krijgt. In het ingediende wetsvoorstel stond nog dat de arts aan die wilsverklaring gevolg kan geven tenzij hij `gegronde redenen heeft om het verzoek niet in te willigen'. Deze laatste voorwaarde is in de loop van de schriftelijke voorbereiding van de behandeling door het parlement geschrapt.