Vader wilde het, en wij hebben hem gesteund

De familie van de overledene bestaat uit zijn echtgenote, twee zonen en een dochter. De oudste zoon (50): ,,Hetgeen wij vertellen zal niet de waarheid zijn, maar zo hebben wij het ervaren.''

``ALS KIND had mijn vader last van astma. Die klachten kwamen terug toen hij een paar jaar geleden voor het eerst hartritmestoornissen kreeg. Vorig jaar viel hij enkele keren weg. Hij belandde in het ziekenhuis en werd op medicijnen gezet. Hij was langs het randje van het ravijn gegaan. In de volgende maanden verminderde zijn weerstand. Tegen mijn moeder zei hij: `Zo heb ik er geen zin meer in. Nemen jullie het maar van mij over.' Het was een trotse man, grote autonomie, sterk gevoel van eigenwaarde.

Een paar maanden later werd hij weer opgenomen in het ziekenhuis.De medicatie werd bijgesteld. Nu bungelde vader met twee voeten boven het ravijn. Hij werd thuis afgeleverd en zou niet meer dan een week te leven hebben, zo zei men ons.

Vader was in permanente winterslaap. Van de 24 uur sliep hij er 20. Maar als hij wakker was, was hij helder en aanspreekbaar. Voor mijn moeder en zuster was het ongelofelijk zwaar. Het ging hard achteruit. Na enige weken heeft mijn pa met mijn moeder over euthanasie van gedachten gewisseld. Toen werd het serieus. Ze vroegen het de huisarts. Die zei: ik zal zorgen dat je niet crepeert, ik blijf bij je tot het bittere einde.

Iedere dag werd hij even naar de kamer gereden. Daar zat dan een volstrekt heldere man die alle touwtjes in handen had. Die laatste 10 procent gaven hem de geestkracht zijn vrienden nog te vermaken, een kwinkslag. Dat was voor de huisarts een raar beeld: wel praats maar lichamelijk niets. Ogenschijnlijk niet in het stadium van het ondraaglijk lijden. Totdat hij een keer samen met moeder mijn vader in bed omdraaide.

Ondertussen kreeg vader mijn vader zuurstof, medicijnen, twee mensen waren aan zijn bed nodig om hem te draaien. En er dreigde incontinentie – dat was een van de waarden die hij niet wilde verliezen.

Wij zouden met vakantie gaan. In overleg met de huisarts hebben we dat geannuleerd. Aan het begin van de vakantie ben ik naar huis gegaan. Door een samenloop van omstandigheden waren we allemaal thuis. We waren daar met in ons achterhoofd dat we zouden gaan overleggen: hoe nu verder, want zo kan het niet langer. Mijn broer vroeg aan mijn vader: `Zullen we praten over hoe het nu verder zal gaan?' `Ja', zei mijn vader, `Dat is goed, ik wil niet meer'. En hij gaf argumenten: `Ik word niet beter, het is een afgelopen zaak, uitbehandeld, ik ervaar dit als groot lichamelijk lijden zonder uitzicht. Het legt een te groot beslag op moeder en op jullie.' Hij had een groot verantwoordelijkheidsgevoel. En voor het verpleeghuis was hij absoluut de man niet.

We hebben met elkaar over zijn verzoek gesproken. In principe sta je achter degene die het betreft. Dan ga je als kind niet iets anders zeggen. Je deelt zijn verlangen tenzij je denkt dat hij niet helder is, maar dat was niet aan de orde. We konden ons inleven in zijn argumentatie. Daar kwam bij (maar dat is niet uitgesproken) dat zijn eergevoel enorm werd aangetast. Volgens hem zelf was er nog iets: `Ik vind dat mijn leven voltooid is. Het is mooi geweest, het is klaar.'

Iedereen van het gezin heeft toen zijn mening gegeven. Ieder op zijn eigen manier. De conclusie van het gezinsberaad was: steun voor vader in zijn verlangen tot euthanasie. De huisarts was al besteld om 17.00 uur. Ik heb met mijn ouders en de huisarts gesproken. We hebben de huisarts gezegd dat vader het volgende verzoek had gedaan: `Ik wil niet meer, ik wil euthanasie'.

De arts zei dat hij het aan de ene kant zag aankomen maar dat we hem er ook mee overvielen. Is het lijden ondraaglijk? Zijn reactie was: ik moet erover nadenken. Gun mij de tijd om erover na te denken. Mijn vak is mensen beter maken.

We hebben de huisarts gevraagd hoe euthanaseren in de praktijk eigenlijk zou verlopen. De arts zei dat het op twee manieren kon. Ten eerste een infuus met een slaapmiddel – daar overlijdt de patiënt van. Of, de arts kon een dodelijk medicijn klaarmaken en dan zou mijn vader zelf die beker kunnen leegdrinken. De arts benadrukte dat `het zelf innemen' wat hem betrof de voorkeur had.

`Als het allemaal gebeurd is, krijg je een haan van mij', beloofde ik de huisarts. Dat was een verwijzing naar Socrates' dood – die heeft ook zelf de gifbeker genomen. Socrates zei: `Ik help je herinneren aan het feit dat je een haan moet offeren als ik overleden ben.' Gewoonlijk offer je een haan aan Asklepios als iemand genezen is. Maar ik zag vaders euthanasie als genezing van het leven.

Voordat de huisarts vertrok zei hij, dat hij graag een verklaring op schrift wilde hebben. Mijn vader vroeg mij dat `even voor hem op te tikken'. Dat je een verklaring moet schrijven voor je eigen vader dat hij dood wil...

Die verklaring heb ik meteen gemaakt. Vader was er tevreden over. Mijn vader wilde graag zelf de regie houden. Op het moment dat ik wegging, was hij al met de herdenkingsdienst bezig. Op de valreep vroeg hij me de begrafenisondernemer te bellen om te vragen wanneer hij moest overlijden om op zaterdag begraven te worden. Want dat wilde hij graag. Ik heb toen geantwoord: `Vader, ik zal er achteraan gaan'. Vader had de begrafenisondernemer al eens aangesproken en hem grappend gevraagd: `Ik kom er aan, kan ik een plaatsje bespreken?' Dat kon niet. Ik heb voor hem geïnformeerd – met een beetje een omweg hoor – en toen bleek dat je eigenlijk niet op zaterdag begraven kon worden.

Woensdag kwam de huisarts terug om zijn mening te geven over het verzoek van vader. `Ik ben het ermee eens, maar er moet een tweede huisarts komen kijken.' Die bleek vrijdagochtend te kunnen komen. Toen nog even praktisch, wanneer zou het dan moeten gebeuren? Nou, maandag dacht de huisarts. Vrijdag kwam een tweede arts. En die gaf zijn goedkeuring nadat hij vader had onderzocht. Vader voelde het zelf als een examen.

Aan het einde van de middag kwam onze huisarts weer even kijken. We hebben toen samen met de huisarts een draaiboek gemaakt. Volgens de huisarts zou het al voldoende zijn om de medicijnen te stoppen, en één à twee keer morfine te geven. Er is nauwelijks bloeddruk, dus dan zou het hart het begeven, was zijn conclusie. Het scenario was: zondagavond inslapen met slaappillen en niet meer wakker worden. En anders maandagmorgen morfine zetpillen.

De avond voor mijn vaders dood was het hele gezin thuis. Alle kinderen met aanhang. We hebben tamelijk ongedwongen de avond doorgebracht. Er is die avond niet meer over de dood gesproken. Alle kinderen hebben afscheid van hem genomen. Om beurten gingen wij zijn kamer binnen. Voor iedereen had hij een volzin. Geen gevoelens, geen emoties. Daar gaf hij je geen ruimte voor. Binnen een kwartier heeft hij van zeven mensen afscheid genomen.

En toen ging hij naar bed. Niet slapen, vergeet het maar, hij werd wel zeven keer wakker en dan zei hij: `Het wil niet erg lukken.' Dan maar weer een plas, dan maar weer een hapje banaan. Hij sliep voor geen meter – zeiden wij later tegen de huisarts.

Maandagochtend om 7.30 uur heeft de huisarts – na hem nog één keer de vraag gesteld te hebben of euthanasie ècht zijn wens was – hem de eerste zetpil morfine toegediend. De arts probeerde ons gerust te stellen: nou, door de morfine gaat hij onder zeil. Maar vader ging niet onder zeil. Mijn vrouw en ik zouden als enigen contact met hem houden anders krijg je zo een Heintje Davids-effect.

Enkele uren later kwam een medewerkster van de thuiszorg. Zij had op maandagmorgen de fax van de huisarts gevonden met het verzoek mijn vader de tweede zetpil toe te dienen. `Ik doe het niet', zei ze, `want ik heb me niet geestelijk kunnen voorbereiden om een dodelijke zetpil toe te dienen.' Wij respecteerden dat en zij haalde opgelucht adem. Dus toen kwam de huisarts weer. Voor de tweede keer. Hij had ook wat valium meegenomen. Vader kreeg een tweede pil en valium. Maar vader bleef wakker. En wij hadden de begrafenisondernemer besteld om 14.00 uur! En vader bleef wakker. Het was een soort Russisch roulette. Hij belde weer en vroeg ons: `Leef ik soms overmorgen nog?' `Nee vader, je haalt de morgen niet.' Toen mijn moeder op maandagmiddag nog even bij hem binnenkwam, waarschuwde hij haar `niet meer te dicht bij het hartje komen'. Rationeel had hij de beslissing genomen, emotioneel liep daar kennelijk een andere stroom. Of, hij heeft zich emotioneel niet overgegeven aan zijn rationele beslissing dood te gaan.

Na de derde pil zakte hij weg. Om 17.30 uur hebben we nog een paar woorden gewisseld. Hij belde niet, maar hij probeerde het. Ik hoorde een boem, een arm. Om 18.00 uur zakte hij weg in coma. Hij kreeg het heel benauwd – dat leek een soort doodsstrijd. Wij waren daar helemaal niet gerust op.

Om 19.30 uur kwam de huisarts: `Ik zal hem zijn vierde pil geven.' Toen heb ik gezegd: `Nee, het is nu tijd voor het infuus'. Daaraan heeft de arts zich volledig geconformeerd – want al zei de huisarts: `De vierde pil is hem fataal', wij hadden zo onze twijfel of dat nu ècht zijn einde betekende. En hij had het in zijn coma zo verschrikkelijk benauwd.

Wij zaten in de kamer ernaast. We konden het niet meer aan. Iedere keer weer een teken van leven was te veel voor moeder. De arts heeft de spullen van de kast gepakt. Ik ben met hem meegegaan, want ik zag de mentale worsteling van de huisarts – je laat niet een vreemde alleen zoiets inbrengen.

Het is natuurlijk erg vervreemdend om behulpzaam te zijn bij de dood van je vader. Ik hem mijn zusje en broer gewaarschuwd – vader wilde niet de familie om zich heen, maar iedereen had zo intensief voor hem gezorgd. In het uur van de dood zullen zij ten minste in het huis aanwezig zijn. Dat leidde ertoe dat iedereen naar de slaapkamer ging en bij de laatste handeling aanwezig is geweest.

Mijn vader is overleden zonder nog een teken van leven te geven om 20.20 uur. De huisarts zei toen: `Ik moet de GGD-arts bellen'. Daar wisten wij niets van. Binnen een half uur kwam een GGD-arts en die heeft alles doorgesproken met de huisarts. Daarna is de begrafenisondernemer gekomen. De GGD-arts kwam zich keurig voorstellen. Zij zou de officier van justitie melden dat alles in orde was. `Ik ben des doods schuldig totdat de officier zegt van niet', lichtte de huisarts toe.

We hebben een glaasje wijn gedronken en zijn daarna gaan slapen.''