TROU MOET BLYCKEN

Ik weet niet hoe het met u is, lezer, maar soms verlang ik innig naar wat nonsens in de poëzie. Naar een frivool gedichtje, naar een vers dat niets en niemendal betekent, naar de grootst mogelijke flauwekul.

Ik begrijp dat nu meteen iemand zal uitroepen dat de meeste gedichten niets en niemendal te betekenen hebben en dat alle poëzie flauwekul is, maar met zulke mensen praten we niet. Dat soort verwart moeilijkheid met onbegrijpelijkheid en mysterie met aanstellerij.

Er zou ook iemand kunnen roepen dat een gedicht niets hoeft te betekenen. Dat is een al veel aanvaardbaarder tegenwerping.

Een gedicht is een sensatie ter opvulling van een kort moment, een zinnelijke gewaarwording die begint met het eerste en eindigt met het laatste woord van het gedicht. Alle uitleg komt in de tweede plaats. De interpretatie hinkt achteraan. Als een gedicht een verhaal vertelt, een emotie oproept, een herinnering losmaakt, als het ons troost, verstrooit of wijzer maakt, het is allemaal mooi meegenomen en het kan allemaal bijdragen tot ons uiteindelijke oordeel over de kwaliteit van het gedicht, maar noodzakelijk is het niet.

Een gedicht hoeft alleen maar afgerond te zijn en op z'n pootjes terecht te komen.

Een gedicht hoeft alleen maar waar te maken wat het zich zelf heeft voorgenomen.

We hebben veel fantastische gedichten in ons hoofd. We hebben ook het volmaakte gedicht in ons hoofd dat er nog niet is. Van dat ideale gedicht staat ons misschien vaag een zekere toonzetting bij adagio, allegro ma non troppo maar het is een feit dat het onderwerp er niet toe doet. De dichter kan alle onderwerpen nog kiezen om zijn doel te bereiken. Hemelse onderwerpen, banale onderwerpen.

Betekenis is derhalve niet de essentie van het gedicht. De uitleg van een gedicht en alle gebabbel van ons eromheen vormen helemaal afgeleiden. Het ideale gedicht eist niet meer bemoeienis van ons dan de naakte leestijd. Zolang we dat elke seconde beseffen steekt er geen kwaad in praten over poëzie.

Hoe duister dichters ook zijn, je hebt immers altijd wel het idee dat ze er iets mee bedoelen. Dat ze zaken suggereren die er om smeken aan de oppervlakte te worden gebracht. Geheimtaal baart schriftgeleerden. Orakel en duider kunnen zelfs een onlosmakelijk duo gaan vormen, die samen meer betekenen dan elk afzonderlijk. Dan kost het nog flinke moeite zo'n Siamese tweeling te scheiden, waarna een nieuwe duider opstaat die ineens iets heel anders in hetzelfde orakel hoort.

Soms wil je wel eens af van die betekenissen, die toch al niet de essentie zijn. Dan wil je loskomen van de troost en de emotie, van het verhaal en de diepere achtergronden. Dan wil je ronduit nonsens.

Leve de enkelgelaagde, platte poëzie!

Ik zag vandaag de mieremet

in actie met zijn heftelingen

dat is beslist een verfrissende duisternis. Hoe zou het komen dat we niet meteen naar het woordenboek rennen om mieremet en heftelingen op te zoeken? Hoe zou het komen dat we zonder meer met mieremet en heftelingen akkoord gaan? Dat we op het eerste gezicht wel zo'n beetje begrijpen wat de dichter op het oog heeft?

We zouden op dezelfde manier met serieuze poëzie moeten omspringen als met poëzie die zich opzettelijk als nonsens afficheert. We zouden niet bij elk woord onmiddellijk uitleg moeten verlangen. Dat bederft het plezier in de poëzie maar.

Ik heb daard altijd een heel dichterlijk woord gevonden in regels als

en de Internationale zal heersen op d'aard

en wanneer ik bij de negentiende-eeuwse citadelpoëet Hendrik Kuijper, Gtz. de volgende regels lees

Maar als, met d'armenpij omhangen,

De broodkorst ons ten feestmaal strekt

dan herkauw ik dat woord darmenpij met graagte, al zou ik bij god niet weten wat een darmenpij voorstelt. Ik accepteer blindelings dat daard en darmenpij thuishoren in de poëzie, net als everdingen en bromet.

Ik ken dit gedichtje Sonnet voor mieremet al uit mijn jeugd. Het kwam voor in een Zwarte Beertje dat De lichte muze heette, samengesteld door Jaap Romijn. De gorgelrijmen van Buddingh' stonden daar in, een limerick van Karel van het Reve, gedichten van Annie M.G. Schmidt en ook van deze Carel C. Scheefhals. Duidelijk een pseudoniem en wel, zocht ik later op, van Barend de Goede (1915-1995). Een verdwenen dichter, een bijna verdwenen sonnet.

Het lijkt of hij een beetje de draak steekt met de poëzie. Duistere woorden, rijmdwang, de extase, de hang naar omkering en de suggestie van iets bovennatuurlijks de hele dichterlijke trommel wordt omgekieperd. Heel mooi ook is de cursivering van die ene regel. Lees maar, lijkt de satiricus te willen zeggen, er staat méér dan er staat.

U zult het me niet euvel duiden als ik zeg dat, in mijn ogen, hier volstrekt niet de draak wordt gestoken met poëzie. Dit is een doodernstig gedicht. We kunnen nonsens maar beter serieus nemen. Goeie poëzie kan het af zonder betutteling.

Sonnet voor mieremet

Ik zag vandaag de mieremet

in actie met zijn heftelingen.

Zij droegen rood omhoosde bringen,

met kleine basibals bezet.

Daar gingen ze, die everdingen,

met brio en in vol bromet.

Ik kon van pure vreugd wel zingen:

Nu was het vaderland gered.

Waai uit, o Nederlandse vlag

en wapper mieremet gêndag

langs velden en in bossen.

Werelden gaan onder, komen op.

De hele boel staat op zijn kop.

Maar mieremet zal ons verlossen.

Carel C. Scheefhals