RECHTSZAKEN

1973 De rechtbank te Leeuwarden kreeg in 1973 de zaak-Postma voorgelegd. Het was niet de eerste zaak over euthanasie, maar de zaak van de huisarts G. Postma uit Noordwolde, die haar bejaarde moeder op verzoek een dodelijke dosis morfine had toegediend, leidde wel voor het eerst tot een maatschappelijk debat over euthanasie. De rechtbank formuleerde in deze zaak zorgvuldigheidseisen voor artsen: de patiënt moet ongeneeslijk ziek zijn; er is sprake van ondraaglijk lichamelijk of geestelijk lijden; de patiënt moet terminaal zijn en er is een duidelijk verzoek hem uit zijn lijden te verlossen. Postma kreeg een week voorwaardelijke gevangenisstraf, omdat ze de middelen te snel had toegediend.

1981 De Rotterdamse rechtbank scherpte de zorgvuldigheidseisen aan in de zaak-Wertheim. Een 67-jarige vrouw had haar kennis C. Wertheim verzocht haar te helpen een einde aan haar leven te maken, omdat ze kanker zou hebben; bij sectie bleek dit evenwel niet te kloppen. Wertheim kreeg zes maanden voorwaardelijk. De rechter stelde dat euthanasie uitgevoerd moet worden door een arts die een andere arts had geconsulteerd. Hij moest de patiënt goed inlichten over zijn prognose en alternatieven voor euthanasie.

1983 In de zaak van de Alkmaarse huisarts P.L. Schoonheim werd voor het eerst een beroep op overmacht gehonoreerd. De betrokken arts had het leven beëindigd van een 95-jarige invalide vrouw. De rechter ontsloeg hem van rechtsvervolging op grond van een psychische noodtoestand: hij zat klem tussen twee onverenigbare plichten: het leven te behouden en het lijden te verlichten. De rechter erkende ook ,,de verregaande ontluistering van de persoon'' als grond voor euthanasie.

1991 In de zaak-Chabot ging het om geestelijk lijden van een patiënt. De psychiater B.E. Chabot uit Haarlem besloot een zwaar depressieve, 50-jarige vrouw te helpen een eind aan haar leven te maken. De vrouw vond dat haar leven na het overlijden van haar twee zoons en een stukgelopen huwelijk geen zin meer had. De Hoge Raad stelde in juni 1994 dat er bij hulp bij zelfdoding geen sprake hoeft te zijn van lichamelijk lijden en de patiënt niet terminaal hoeft te zijn. Ook zouden psychiatrische patiënten niet zonder meer wilsonbekwaam zijn. Chabot werd strafbaar geacht, want de onafhankelijke collega-deskundigen die hij had geraadpleegd hadden de patiënt niet zelf onderzocht, maar hij kreeg geen straf.

1995-1 De Groningse rechtbank veroordeelde in 1995 een 38-jarige verpleegkundige tot een voorwaardelijke straf van twee maanden. De vrouw had in 1994 het leven beëindigd van een vriend die leed aan aids. Ze handelde met instemming van de huisarts, die voor de middelen had gezorgd. De rechtbank oordeelde dat de verpleegkundige strafbaar was, omdat in geval van euthanasie, alleen een arts mag handelen.

1995-2 In april 1995 beriep de gynaecoloog H. Prins zich met succes op een noodtoestand bij de levensbeëindiging van een wilsonbekwame patiënt. Prins diende in maart 1993 op verzoek van de ouders een dodelijke injectie toe aan een ernstig gehandicapte baby, die zeer veel pijn leed en niet lang meer had te leven. Het Amsterdamse hof achtte Prins ontslagen van rechtsvervolging, aangezien hij voldaan had aan alle zorgvuldigheidseisen, ofschoon de baby haar wil niet kenbaar had kunnen maken.

1997 De huisarts S. Schat uit Sint Nicolaasga is in april 1997 door de rechtbank van Leeuwarden veroordeeld tot zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens levensberoving op verzoek en vervalsing van een overlijdensverklaring. De arts had het leven van een 73-jarige kankerpatiënte beëindigd. Hij zegde daarbij toe de euthanasie te verzwijgen. De rechtbank oordeelde dat Schat de zorgvuldigheidseisen met voeten had getreden. Hij had niet overlegd met een collega, er was geen schriftelijke wilsverklaring van de patiënte en Schat had nooit mogen beloven te zwijgen.

2000 De rechtbank in Haarlem heeft op 8 november een huisarts uit Overveen vrijgesproken van hulp bij zelfdoding van de 86-jarige oud-PvdA-senator Brongersma. De rechtbank vindt dat de arts voldoende zorgvuldig had gehandeld. De huisarts oordeelde dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en raadpleegde eerst een andere huisarts en een psychiater.