`Paardensport moet beter'

Het concours hippique in de paardensport is toe aan vernieuwing. Organisatoren weten niet of ze de beste combinaties in huis halen.

Voor publiek en organisaties blijft het de vraag of de topruiters met de paradepaarden naar hun wedstrijd komen of dat de `mindere goden' worden gezadeld. Otto Becker bijvoorbeeld, de nieuwe ruiter van Lando, moet nog aan de hengst wennen. Zij vormen geen eenheid die hen al tot een topcombinatie maakt.

Komend weekeinde staat in het MECC het dertiende Jumping Indoor Maastricht op het programma. Mogelijk komen daar liefst zestien ruiters uit de toptwintig in actie. Jumping Amsterdam, een week later in de RAI, moet zich op papier met een minder deelnemersveld tevreden stellen. Desondanks bestaat de kans dat de hoofdstad meer kwaliteit biedt, omdat de op papier mindere ruiters hun toppaarden terwijl de topruiters in Maastricht hun beste paarden thuislaten.

Niemand kan het meer volgen en zelfs de internationale paardensportbond (FEI) lijkt het spoor bijster. Directeur van het meest aansprekende internationale concours ter wereld, het CHIO van Aken, is Frank Kemperman. Hij is tevens secretaris van een werkgroep die in het leven werd geroepen door de Internationale Alliantie van Concours Hippiquegevende Organisaties (IEOA), waartoe Aken, Calgary, Monterrey en Indoor Brabant behoren.

Op een congres, vorig jaar tijdens Jumping Amsterdam, werd duidelijk dat de hippische disicplines aan vernieuwing toe zijn. ,,We hebben idolen nodig om onze sport meer draagvlak te geven'', zegt Kemperman. ,,We hebben ook behoefte aan meer duidelijkheid over het niveau waarop de sport plaatsvindt en meer aandacht van de media. Dat was de probleemstelling waarvoor onze commissie zich geplaatst zag.''

Komend weekeinde zal in Amsterdam het verslag van de werkgroep worden gepresenteerd, met daarin een aantal aanbevelingen. ,,We moeten af van een puur op de ruiters gebaseerde ranglijst. Daardoor zijn topruiters in de gelegenheid met hun tweede of derde paard naar topwedstrijden te komen'', stelt Kemperman, die een voorkeur heeft voor een `hitparade van combinaties'.

Die opzet zou moeten worden gecombineerd met een duidelijke klasse-indeling van de wedstrijden. ,,Dan weten publiek én media of we met een A-, een B- of een C-wedstrijd te maken hebben'', zegt Kemperman. ,,Via een promotie- en degradatiesysteem moeten de combinaties van ruiter en paard snel kunnen promoveren en degraderen, waardoor jonge ruiters sneller de kans hebben om het de gevestigde orde lastig te maken.''

In Maastricht wordt gewerkt met een B-groep en alleen de winnaars krijgen een startvergunning voor het hoofdtoernooi. De geschiedenis heeft uitgewezen dat deze ruiters vaak uitgroeien tot smaakmakers. Dat is logisch, want de combinaties die zich via zo'n selectiesysteem weten te kwalificeren verkeren in bloedvorm.

Maar de paardensport kent nog een nadeel. Er zijn tijdens een internationaal concours vele wedstrijden en evenzoveel winnaars. Grote Prijzen wisselen elkaar in hoog tempo af. Tennis bijvoorbeeld heeft aan het einde van een toernooi slechts één winnaar. Anky van Grunsven won afgelopen jaar de wereldbekerfinale in Den Bosch, maar twee uur later werd ze op hetzelfde concours vierde in de Grand Prix. Natuurlijk met twee verschillende paarden, maar hoe kan Van Grunsven op één dag winnen en verliezen?

Voor Aken-directeur Kemperman is paardensport geen product. ,,Hebben combinaties kwaliteit, dan moeten ze uit zichzelf boven komen drijven. Misschien is een klasse-indeling van combinaties wel de oplossing. Met na ieder weekeinde een promotie en degradatie, waardoor de organisatoren zeker weten dat ze de bij hun status passende combinaties krijgen.''