Minister Hermans kiest voor status quo hoger onderwijs

Een wettelijke erkenning van de masteropleidingen betekent een doorbraak voor hogescholen. Maar in de voorstellen van minister Hermans komt de hbo-sector er nogal bekaaid van af, meent Albertjan Peters.

Hogescholen en universiteiten kunnen, zo stelt minister Hermans voor, op 1 september 2002 starten met de invoering van bachelor- en masteropleidingen. Voor de hogescholen is het een doorbraak dat hun master-opleidingen eindelijk wettelijk worden erkend. Toch roepen de voorstellen van Hermans gemengde gevoelens op. De nieuwe bachelor-masterstructuur moest passen binnen het huidige binaire stelsel. Dat leidt tot onvoldragen voorstellen op het gebied van de bekostiging van de masteropleidingen, de kwaliteitsborging en de titulatuur. De hbo-sector komt er bekaaid van af.

In het Nederlandse hoger onderwijs studeert bijna 70 procent van alle studenten in het hoger beroepsonderwijs, 30 procent volgt een universitaire studie. Een dergelijke verhouding komt, met uitzondering van Vlaanderen, nergens ter wereld voor. Het onderscheid beroepsgericht- versus academisch hoger onderwijs, dat minister Hermans in de nieuwe bachelor-masterstructuur overeind houdt, kent dan ook geen navolging in het buitenland en biedt alles behalve een goede basis om het Nederlandse bestel internationaal competitief en transparant te maken.

Hogescholen bieden onderwijs dat internationaal gezien op het eerste niveau van hoger onderwijs ligt (de bachelorfase). Universiteiten verzorgen de tweede fase (master). In de bachelor-masterstructuur zal dit verschil verdwijnen, omdat universiteiten ook bachelor-opleidingen en hogescholen masteropleidingen zullen aanbieden. Universiteiten zullen, naast de traditionele beroepsopleidingen zoals medicijnen, rechten en economie en bedrijfskunde, een breed scala aan beroepsgerichte opleidingen aanbieden op zowel bachelor- als masterniveau. Bij hogescholen vindt momenteel tegelijkertijd een verdieping en verbreding van de beroepsgerichte opleidingen plaats. Dat vloeit voort uit de eisen die in de markt aan afgestudeerden worden gesteld. De trend is: van smal-beroepsgericht naar bredere competenties. Het onderscheid tussen opleidingen van universiteiten en hogescholen zal daardoor in een bachelor-masterstructuur in toenemende mate diffuus worden.

De minister sluit voor deze ontwikkeling de ogen door vast te houden aan het institutionele onderscheid (universiteit versus hogeschool) bij zijn voorstellen op het gebied van kwaliteitsborging en titulatuur. Universiteiten krijgen gemakshalve het exclusieve recht om aan hun opleidingen de in de Angelsaksische terminologie gangbare titels toe te voegen: master of arts en master of science. Hogescholen wordt daarentegen verzocht ,,een voorstel te doen voor het hanteren van een beperkt aantal herkenbare beroepsgerichte graden''. Maar in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten kunnen vergelijkbare hbo-graden wel de toevoeging arts of science dragen. Ook in Duitsland komen bachelor- en mastergraden van Fachhochschulen in aanmerking voor deze toevoegingen. Verder ziet Hermans af van een accrediteringsprocedure waarin het niveau van de opleiding centraal staat. Hij blijft zich baseren op herkomst. Net als bij de titulatuur kiest hij voor het onderscheid universiteit – hogeschool. Het zal echter moeilijk worden de kwaliteit van bachelor- en masteropleidingen van hogescholen en universiteiten separaat te waarderen. Heldere internationale definities van `beroeps' versus `academisch' ontbreken namelijk.

Van een level playing field tussen hogescholen en universiteiten zal in het nieuwe stelsel ook al geen sprake zijn, omdat minister Hermans de masteropleidingen van hogescholen uitsluit van bekostiging. Dat wekt verbazing. Dezelfde minister stimuleert het denken over voucherbekostiging. En nog onlangs deed hij voorstellen voor een bekostiging per studiepunt in het hoger onderwijs.

In de bachelor-masterontwikkeling lijkt hij zich echter bij voorbaat neer te leggen bij de huidige bekostigingsstructuur. Dat herbevestigt de maatschappelijke onderwaardering voor het beroepsonderwijs in ons land. Het bevoordeelt universitaire studenten boven hogeschool studenten. Het is zeer de vraag of dat met het oog op de noodzaak om de kenniseconomie niet alleen met toptalent te voeden, maar ook in de breedte te versterken, een verstandige aanpak is.

Veeleer zou je mogen verwachten dat een nieuw bekostigingsmodel wordt ontwikkeld voor alle masteropleidingen, waarbij het uitgangspunt is dat dit diploma in het hoger onderwijs primair een individuele investering is. Bekostiging geschiedt dan gedeeltelijk op basis van leerrechten die voor alle studenten gelijk zijn. In aanvulling op maatschappelijk gewenste volledige bekostiging, bijvoorbeeld door vakdepartementen (denk bijvoorbeeld aan onderwijs of de zorg), is ook de groeiende praktijk van gehele of gedeeltelijke bedrijfsfinanciering van vervolgopleidingen in een dergelijk systeem in te voeren. De bekostiging van masteropleidingen aan hogescholen is overigens maatschappelijk verantwoord, omdat Nederland internationaal een grote achterstand heeft in deelname aan masteropleidingen. Deze achterstand zal niet uitsluitend via universitaire leerwegen zijn in te lopen. Op de hogescholen zal een grote vraag naar masteropleidingen afkomen.

Het is dan ook te hopen dat de Tweede Kamer de minister op het gebied van de bekostiging en studiefinanciering van masteropleidingen niet volgt.

Albertjan Peters is voorzitter Raad van Bestuur Saxion Hogescholen en lid bestuur HBO-raad.