Klei zijt gij

Aardewerk heeft in het Westen een decoratieve functie. In Afrika diende aardewerk vaak een hoger doel: ziektes afweren of status aangeven. Museum Het Princessehof in Leeuwarden toont nu een ten onrechte veronachtzaamd cultuurgoed.

God de schepper was pottenbakker. Het is een geloof dat je tegenkomt in heel Afrika. De mensheid is niet meer dan goddelijk gevormde klei en zal na overlijden terugkeren naar de aarde. Diezelfde aarde is de schoot waaraan de gewassen ontspruiten die ons, begeesterde kleiwezens, voeden. Aarde, vruchtbaarheid en leven zijn in Afrika onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is dan ook niet zo vreemd dat rituele keramiek er geldt als het exclusieve domein van vrouwen. Sommige volkeren schatten de vruchtbare potentie van het materiaal zelfs zo hoog in dat het gevaarlijk zou zijn er anderen dan vrouwen na de menopauze mee te laten werken.

Gezien het enorme belang dat in Afrika gehecht wordt aan ritueel, figuratief aardewerk, is de geringe Europese belangstelling ervoor des te vreemder. De Westerse depots puilen uit van de houten maskers en spijkerbeelden, en experts hebben bibliotheken volgeschreven over hout- en metaalbewerking. Maar met de literatuur over Afrikaans aardewerk is nog geen bescheiden plankje te vullen. Een handjevol musea heeft wat stukken staan in achterafvitrines en particuliere verzamelaars zijn dungezaaid. Het Staatliches Museum für Völkerkunde in München organiseerde zestien jaar geleden de eerste grote tentoonstelling. Het British Museum volgde in 1994 met de expositie Smashing Pots. Daarna doofde de interesse weer. Het Museum Princessehof in Leeuwarden doorbreekt nu de stilte met de tentoonstelling Magische Aarde, het eerste grootschalige overzicht van historisch figuratieve keramiek uit Afrika in Nederland.

Net zomin als `de Afrikaan' bestaat, bestaat er zoiets als `het Afrikaanse aardewerk'; de veelheid aan vormen en stijlen is ronduit verbijsterend. Een tweetal fetisjbeelden uit Burkina Faso doet bijzonder plomp aan, terwijl de twee eeuwen oude, schijfvormige hoofdjes uit het Ghanese Ashanti koninkrijk zijn vormgegeven met een sterk ontwikkeld gevoel voor verfijning. Het uit datzelfde Ghana afkomstige Ewe stierenmasker met zwartgeverfde, gekrulde horens doet denken aan een Kretenzer minotaurus. Het steeds terugkerend moeder-met-kind-thema komt vertrouwder over, maar kent ook vele verschijningsvormen.

Het had niet veel gescheeld of er was geen aardewerk geweest om tentoon te stellen. De animistische gebruiken waarvoor veel terracotta gemaakt werd, zijn zo goed als uitgestorven, de kennis over de voorwerpen is volledig geërodeerd. Mysterieuze beelden duiken soms op bij handelaren die zelf niet weten waar het vandaan komt, wie het maakte en waar het voor bedoeld was. Scherven bakenen een tot stof vergaan verleden af.

Toen Marla C. Berns begin jaren tachtig in de Gongola vallei van Noordoost-Nigeria onderzoek deed naar keramiek, vond zij verlaten in het ruige landschap enorme altaren. Dat er iets bekend is over de functie van de achtergelaten kruiken die ze er aantrof, is geheel te danken aan de memoires van een oude tropenarts. Het zijn zogeheten gezichtskruiken of zielhouders – lokaal aangeduid als wiiso – en ze nemen een belangrijke plaats in op de Leeuwarder tentoonstelling. De potten hebben bolle buiken waar de armen geknikt overheen liggen en groteske hoofden met open monden. Ze werden doorgaans groepsgewijs geplaatst op grafheuvels als portretten van overleden leiders. De geest van de overledene nestelde zich via de gapende mond in de kruik en verleende zo de begraafplaats een sterke religieuze kracht.

De aanwezigheid van oeroude geesten is bijna voelbaar in de vitrine met beelden die bedoeld zijn om ziektes te bestrijden. Het zijn afzichtelijke wezens met uitpuilende ogen, bochels en uitgezakte bierbuiken. Ook hier fungeert de mond als een ingang voor een geest, maar in dit geval een slechte, die verantwoordelijk is voor diarree, rugklachten of koorts. Een gezin had soms wel zes van dit soort potten in huis bij wijze van ziektepreventie. De beelden regelmatig insmeren met oker, kippenbloed of bananenbier verhoogde hun potentie.

Medicijnmannen maakten ook nog gebruik van kruikjes gevuld met magische botten en twijgjes. Exemplaren uit Tanzania zien er uit als miniatuurolifanten en zijn voorzien van een stop. Van de Mambila uit Kameroen is een medicinale pot afkomstig waarvan de rand rijkelijk versierd is met vogelschedels, veren, stukjes stof en kalebas. Maar er bestaat ook een aardsere kijk op fysiek ongemak, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een voorstelling uit Nigeria. Een man zit achterstevoren op de rug van een liggend figuur om met een klysma zijn darmen te reinigen.

Wat opvalt aan de meeste beelden is hun grove afwerking. Ze zijn niet te vergelijken met het veel gladdere en verfijnde pre-Columbiaanse keramiek dat in veel musea is te vinden. Ook zijn ze zelden geglazuurd, zoals het meeste Aziatische aardewerk. De koppen en lijven hebben iets ruws, ze dragen nog de sporen van de modder waaruit ze zijn gemaakt. Een belangrijke reden voor deze `oeruitstraling' ligt simpelweg in de afwezigheid van ovens. Op veel plaatsen in Afrika werd de klei gebakken in open vuren met lage temperaturen. Slechts op een enkele plaats maakte men gebruik van vuurtunnels of werd een termietenheuvel omgebouwd tot bakoven.

Ondanks de technische beperkingen zijn de ontwerpen stuk voor stuk van hoge kwaliteit. In een Tanzaniaans beeld van een moeder met een op de rug gebonden kind vonden conservatoren bij toeval het beeld brak tijdens transport een zorgvuldig vormgegeven beeltenis van een ongeboren kind in de vrouwenbuik. Verscheidene potten bevatten, als Afrikaanse Baboesjka-poppetjes, diverse kleinere potten. Hoe de makers dit met hun minimale middelen voor elkaar kregen, is nog steeds een raadsel.

Voor echt geraffineerd werk moet gekeken worden naar de statusobjecten. Op een kom afkomstig uit van het hof van de Kameroenese Tikar kijken de hoofdjes van op de wand afgebeelde figuren nieuwsgierig over de rand. Dit ceremoniële vat werd bij bijzondere gelegenheden gevuld met pe, een mengsel van palmolie en rode boombast om de koninklijke lichamen mee in te smeren. Andere voorwerpen, zoals een Congolees palmkruikje in de vorm van een vrouwenhoofd met flamboyant kapsel, dienden als relatiegeschenk tussen hoogwaardigheidsbekleders. Gebruikt werd dit donkerbruine vaatje uit het begin van deze eeuw nauwelijks. Als er al uit werd gedronken dan deed men dat door een strootje.

Naarmate keramiek minder te maken had met spirituele rituelen en meer met aards prestige, werd de productie ervan overgenomen door mannen. Bovendien waren de gestileerde relatiegeschenken een stuk modegevoeliger. Vanaf het moment dat Europese kolonisators zich roerden aan de West-Afrikaanse kust slopen er dan ook Westerse elementen in de ontwerpen. Figuren dragen tropenhelmen en uniformjasjes als symbolen van macht.

De Europese invloed gaat helemaal ver in het werk van Voania Muba, een pottenbakkend dorpshoofd van Congolese Woyo-afkomst. De ruiters, zittende vrouwen en familiegroepen die hij in het begin van de twintigste eeuw maakte, lijken uiterlijk veel op de inlandse fetisjen; de wenkbrauwen zijn sterk gearceerd, de ogen klein en amandelvormig, de lippen zwaar. Maar de figuren zijn altijd gekleed, en niet zelden in weinig Afrikaans ogende broeken en jurken. Wetenschappers herkennen bovendien exotische invloeden in zijn stijl. Zo zou de manier waarop de Congolees koppels vormgeeft haaks gegroepeerd en licht naar elkaar gebogen geïnspireerd zijn door het Engels Staffordshire aardewerk dat eind negentiende eeuw veel werd ingevoerd door lokale vorsten.

Voania Muba's werk is individueel van karakter en niet zonder meer `te lezen' voor een Woyo. Bovendien is hij, naast zijn leerling Tsiwana Muba van wie zo goed als niks bekend is, de enige aardewerkproducent wiens naam en achtergrond bekend zijn. Hij signeerde zijn werken en maakte daarmee de stap van anoniem ambachtsman naar individueel kunstenaar.

Van het merendeel van de objecten die te zien zijn in Leeuwarden is alleen duidelijk van welke stam ze afkomstig zijn. Zelfs dan bestaat er nog een ruime twijfelmarge over de precieze plaats van herkomst. De voorwerpen zijn doorgaans via vele handen bij de huidige bezitter beland. Ook naar de leeftijd blijft het vaak gissen. En zelfs de functie van veel artefacten blijft in nevelen gehuld. Missionarissen of tropenartsen, die wellicht meer van de lokale terracotta zouden kunnen weten, sterven langzamerhand uit. De lokale bevolking is voor historische kennis aangewezen op orale overlevering, die soms abrupt ten einde komt. Zo zijn de rond 1900 oprukkende islam en het christendom verantwoordelijk geweest voor menig `beeldenstorm'. Op veel plaatsen stond zelfs op het bezit van animistische voorwerpen de doodstraf, laat staan op het gebruik ervan. Van een fascinerend langwerpig hoofd met bijna buitenaardse insectenogen en een uitgeholde achterkant is dan ook alleen bekend dat het afkomstig is van de Bamoum uit Kameroen. Er wordt gesuggereerd dat het hier gaat om een ceremoniële lepel, maar te staven is deze bewering niet.

Maar zelfs verstoken van historie oefent het Afrikaanse aardewerk een sterke aantrekkingskracht uit. Net als het Afrikaanse houtsnijwerk dat Picasso en zijn mede-cubisten in de eerste decennia van de twintigste eeuw op het spoor bracht van de elementaire vorm, spreekt de keramiek steeds meer hedendaagse kunstenaars aan. Veel tentoongestelde stukken zijn afkomstig uit collecties van kunstenaars. En in de tentoonstelling van Rob Birza, in een zaal even verderop, echoot de Afrikaanse invloed door. De expressieve kracht van het mysterieuze aardewerk is blijkbaar onontkoombaar. De magie zit in de materie ingebakken.

Magische aarde; figuratieve keramiek uit Afrika. T/m 14 jan in Museum Het Princessehof, Grote Kerkstraat 11, Leeuwarden. Open di t/m zo 11-17u.

Inl. 058-2127438.

    • Edo Dijksterhuis