Juridische exegese over vervolging Bouterse

Onder juristen is discussie losgebarsten over de uitspraak van het hof om Bouterse in Nederland te vervolgen wegens de Decembermoorden.

Wie zei dat de huidige rechtenstudent niet meer geïnteresseerd is in discussies over het vak? Gisteravond, op de rechtenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam, was daar niets van te merken. Een volle collegezaal had de lokroep van Champions League-voetbal of kroeg weerstaan voor een debat over een recente uitspraak van het Amsterdamse gerechtshof. Dat bepaalde maandag dat voormalig legerleider Bouterse in Nederland moet worden vervolgd om zijn rol bij de `Decembermoorden' uit 1982.

De historische beschikking zal veel aandacht trekken in de wereld van het volkenrecht. Maar onomstreden is de uitspraak niet. Vooral strafrechtdeskundigen vragen zich af of het afwegingsproces wel zorgvuldig genoeg is verlopen. Hoogleraar internationaal strafrecht G. Strijards, tevens adviseur van het college van procureurs-generaal, vindt de beschikking van het hof zelfs ,,uiterst merkwaardig'', zo zei hij gisteravond na afloop van de discussie. Vanuit Strijards' oogpunt een begrijpelijke visie. Hij was het immers die, op verzoek van het OM, een advies over de zaak schreef waarin hij betoogde dat Nederland helemaal geen rechtsmacht heeft om Bouterse hier te vervolgen. Omdat het stuk te laat binnenkwam, speelde het geen rol in het oordeel van het hof. Maar dat betekent niet dat Strijards' opmerkingen er niet meer toe doen. Sterker: hij zelf is ervan overtuigd dat het OM in de vervolgingszaak tegen Bouterse uiteindelijk door de Hoge Raad niet ontvankelijk zal worden verklaard.

Zijn meest wezenlijke punt is het `legaliteitsbeginsel'. Het hof vindt dat Bouterse kan worden vervolgd op basis van het internationale folterverdrag uit 1984, dat in Nederland in 1989 bij uitvoeringswet werd ingevoerd. Volgens het hof heeft de Nederlandse rechter ,,universele rechtsmacht'' over dit strafbare feit. Maar de Decembermoorden vonden plaats in 1982, toen foltering hier dus nog niet strafbaar was gesteld. Strijards ziet niet dat dat met terugwerkende kracht alsnog kan, vooral ook omdat dat nergens in de begeleidende uitvoeringswet als optie wordt genoemd. ,,Als de wetgever dat had gewild, dan had men het ook wel opgeschreven'', aldus Strijards. Als Bouterse al buiten Suriname zou moeten worden vervolgd, zou dat moeten gebeuren via het in oprichting zijnde internationale strafhof (ICC). Maar het is wel heel radicaal om voor de vervolging van de voormalige bevelhebber ,,je eigen wettelijke systeem zo opzij te zetten'', aldus Strijards. Bovendien, zo wierp hij op, is het de vraag of de rechterlijke macht zich wel bezig moet houden met dergelijke ingrijpende wettelijke interpretaties. Wetten worden gemaakt of veranderd door het parlement en niet door rechters.

Maar de raadsman van de nabestaanden die de procedure hadden aangespannen, J. Pen, vond dat te strak geredeneerd. Hij haalde ontwikkelingen aan, zoals de berechting van de Chileense voormalige machthebber Pinochet, die aangeven dat er een beweging gaande is waarin van ex-dictators verantwoording voor misdaden wordt gevraagd. Zo'n ontwikkeling kan je best meenemen in het oordeel, aldus Pen die ,,de Nederlandse behoefte om altijd exegese toe te passen op de wet'' hekelde.

Ook de kersverse adviseur van de Surinaamse regering, strafpleiter G. Spong, prees ,,de creatieve juridische rechtsorde'' en had het zelfs over ,,een evolutionaire visie van het hof.'' Tegelijkertijd noemde hij het ,,een onjuistheid'' dat het bevel tot vervolging slechts Bouterse betreft en niet, zoals in Suriname, nog 36 andere verdachten die bij de Decembermoorden zijn betrokken. Spong, vilein: ,,Dat heeft Suriname toch wat verstandiger aangepakt.''

De discussie had overigens een beetje de smaak van mosterd na de maaltijd. De uitspraak van het hof is immers, hoe bijzonder ook, toch enigszins achterhaald nu Suriname zelf Bouterse vervolgt, een actie die door alle aanwezigen werd toegejuicht. Iedereen onderstreepte dat een rechtsgang in Paramaribo de voorkeur geniet, volgens Spong zelfs ,,om redenen van antikolonialistische politiek.'' Hij kondigde en passant aan dat de Surinaamse strafzaak ,,meer mega zal worden dan alle megazaken die we hier in Nederland hebben gehad'' en had een teleurstellende mededeling voor alle aanwezigen die zich hadden verheugd op een proces in Nederland. De kans dat dat inderdaad hier zal plaatsvinden, is volgens Spong klein. En met een eventueel veroordeelde Bouterse achter de tralies in Suriname, is een Nederlandse rechtsgang niet meer aan de orde omdat een verdachte maar één keer voor hetzelfde feit veroordeeld kan worden. In dat geval zal de beschikking van het hof dus vooral theorie blijven.

DOSSIER SURINAMEwww.nrc.nl