Het debat wordt niet gevoerd

Hoe staat men in het buitenland tegenover euthanasie of hulp bij zelfdoding? In de meeste landen is euthanasie uitdrukkelijk verboden, maar gebeurt het in de praktijk wel. Alleen in België staat een euthanasiewet in de steigers. Nederland fungeert in de discussies vaak als afschrik- wekkend voorbeeld.

Frankrijk heeft geen euthanasiewet, noch een semi-formele regeling, zoals Nederland die kent. Een patiënt die ondraaglijk lijdt aan een terminale aandoening is afhankelijk van de welwillendheid van de behandelende arts. Met geld is het gemakkelijker een plaats in een kliniek-met-terminale-zorg te krijgen.

De laatste keer dat Frankrijk een euthanasiedebat voerde was in juli '98. Toen kwam aan het licht dat de 28-jarige verpleegster Christine Malèvre ervan werd verdacht ten minste dertig bejaarden aan een vervroegde dood te hebben geholpen. Het drama had zich voltrokken in de geriatrische afdeling van het ziekenhuis in Mantes-la-Jolie, een nieuwe stad ten westen van Parijs.

Het was een pijnlijke illustratie van de meest gebruikelijke aanpak van het probleem: niet over praten. Verpleegkundigen moeten zelf zien wat zij doen met verzoeken om hulp in nood. In het geval van Christine Malèvre durfde zij volgens haar advocaat niet met de medische staf te overleggen en kon zij de noodkreten niet negeren. Het resultaat was een solitaire euthanasiepraktijk, die op den duur vermoedens, en pas later verdenkingen opwekte. Justitie is er nog mee bezig, Frankrijk heeft het er nauwelijks meer over.

De Franse politiek ziet geen aanleiding en geen kans het onderwerp aan te snijden. In '95 werd een tv-documentaire over de begeleide dood van een ongeneeslijk zieke Amsterdammer in de Franse pers van `een onverdraaglijk realisme' genoemd. Vijf jaar later kan de politiek er nog steeds niet veel mee. Een voorbeeld is Bernard Kouchner, die inmiddels namens de Verenigde Naties naar Kosovo is vertrokken. Als staatssecretaris van Volksgezondheid in de regering-Jospin stond deze medeoprichter van Artsen zonder Grenzen bekend als een arts en politicus met sympathie voor het Nederlandse drugs- en euthanasiebeleid.

Juist daarom was zijn aanpak tekenend. Hij verklaarde zich ferm tegenstander van dood-op-verzoek. Wetgeving was ook niet verstandig, aldus Kouchner. Argument: in Nederland was ook maar 2 à 3 procent van de sterfgevallen een gevolg van euthanasie. Hij gaf eenzame en soms ontspoorde hulpverleners zoals die uit Mante-la-Jolie morele steun en erkende dat er in de praktijk verwarring bestaat, maar zei dat eerst de pijnbestrijding in de laatste fase van het leven moest worden verbeterd: ,,In dat opzicht hebben we een achterstand op Groot-Brittannië en Nederland''. Begin vorig jaar is op voorstel van de socialistische senator Pierre Biarnès een initiatiefwetsontwerp ingediend dat euthanasie mogelijk moet maken. Behandeling laat echter nog steeds op zich wachten.

De medische stand lijkt in grote meerderheid tegen iedere regeling die meer biedt dan pijnbestrijding. Soms is de beroepseed het plechtanker, soms het geloof, in navolging van de bisschop van Saint-Denis, die er aan heeft herinnerd dat de heilige Theresia van Lisieux medicijnen tegen haar tuberculose weigerde omdat zij zo Jezus beter kon ondersteunen bij zijn lijden aan het kruis.

De publieke opinie heeft in de praktijk overigens niet stil gestaan. Een enquête onthulde in 1998 dat 79 procent van de Fransen – onder wie 64 procent praktiserende rooms-katholieken – zelf graag een vorm van euthanasie zouden ondergaan bij ongeneeslijke ziekte. Bij een eerdere enquête stond 57 procent positief tegenover een zachte, vervroegde dood in geval van nood.