Ajax-documentaire mist spanning

Met de vertoning van de documentaire Ajax: Daar hoorden zij engelen zingen is gisteravond IDFA 2000 begonnen. Festivaldirecteur Ally Derks hekelde het dictaat van de creatieve documentaire door de televisie.

Alleen hoge heren in de voetbalwereld kunnen zo redeneren dat een vijfjarig contract binnen één en dezelfde zin verandert in een overeenkomst voor drie jaar met uitloop. Het is een van die opmerkelijke staaltjes voetballogica die regisseur Roel van Dalen heeft vastgelegd in Ajax: Daar hoorden zij engelen zingen, die gisteravond het dertiende International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) opende. Het is de derde door de Nederlandse publieke omroep gecoproduceerde documentaire op rij die door het festival als openingsfilm werd uitgekozen.

Van Dalen filmde het onfortuinlijke jubileumjaar 1999-2000 van de Amsterdamse voetbalclub volgens het vlieg-op-de-muur-principe. Dat wil zeggen zonder interviewsituaties, commentaarstem of aanvullende personalia van de geportretteerden, die vooral door niet-voetbalkenners node werden gemist. De honderdjarige club verloor wedstrijd na wedstrijd, trainer Jan Wouters werd halverwege het seizoen ontslagen en de godenzonen van weleer wekken de indruk van gedemotiveerde tobbers.

Na afloop van de film viel niet te beluisteren dat Ajax, net als vorig jaar openingsfilm André Hazes: Zij gelooft in mij, de gedoodverfde winnaar van de Joris Ivens Award is. Daarvoor heeft de documentaire, die in parallelmontages de teloorgang van het eerste elftal koppelt aan de neo-kolonialistische praktijken van voetbalscouts in Ghana en de drilsessies van de pupillenteams, te weinig kunnen doordringen in de machinaties van de hogere regionen van de voetbalclub. Op zijn beste momenten doet Ajax denken aan een klassiek geworden Jiskefet-sketch waarin een ambitieuze vader zijn zoontje op het voetbalveld vernedert, maar vaker mist de film spanning en mogelijkheden tot identificatie.

In haar openingstoespraak herinnerde festivaldirecteur Ally Derks eraan dat het in Nederland praktisch onmogelijk is dat documentaires zonder financiële steun van de omroepen worden geproduceerd, waarna zij door de slechte vertoningssituatie voor documentaires buiten festivals om, weer aangewezen zijn op diezelfde omroepen om via de televisie hun weg naar het publiek te vinden. Een zorgelijke situatie, aldus Derks, die meende dat niet de televisie de creatieve voorwaarden voor een documentaire dient te dicteren maar andersom. Op zoek naar vertoningsplekken buiten het tiendaagse festival in november om, riep Derks nog eenmaal op tot een Nationaal Filmtheater, waar ook documentaires vertoond zouden moeten worden. Dit ligt in het verlengde van de door IDFA in hun beleidsplan voorgestelde oprichting van een documentaire-instituut. Dit plan, niet gehonoreerd door de Raad van Cultuur, lijkt ook van invloed te zijn geweest op de vorige maand bekend geworden sollicitatie van het managementteam van IDFA naar de vacante post van directeur van het Filmmuseum.

Opmerkelijk is daarom dat er met geen woord werd gerept over de tijdens de inloop van de openingsavond gevoerde actie van Nederlandse filmprofessionals, die op de bres sprongen voor het met sluiting bedreigde Ketelhuis, het Amsterdamse filmtheater voor de Nederlandse film en documentaire. Alleen regisseur Roel van Dalen merkte in zijn dankwoord op hoe zonde het zou zijn als deze unieke vertoningsplek zou verdwijnen.

Traditioneel werd op de eerste avond van het IDFA ook de Stimuleringsfondsprijs uitgereikt, een realiseringsprijs voor het beste scenario van de door IDFA en het Stimuleringsfonds voor Culturele Omroepproducties georganiseerde scenarioworkshop. De prijs, die 275.000 gulden bedraagt, ging naar Wilko Bello voor zijn scenario Wheels of Fortune. De workshop stond dit jaar onder leiding van documentairemaker Leo de Boer (The Red Stuff).

    • Dana Linssen