Kinderen (2)

Van de zes miljoen joodse slachtoffers in de Tweede Wereldoorlog waren er anderhalf miljoen kind. Het is een van de eerste feiten die de tentoonstelling `Kinderen en de Holocaust' in het Museon in Den Haag presenteert en het trof me als een vuistslag: waarom was ik me dat nooit eerder bewust geweest? Het cijfer `zes miljoen' was in mijn geheugen kennelijk zo'n vaststaand begrip geworden dat het zich aan specificatie onttrok.

De tentoonstelling biedt meer wrange gegevens en documenten. Neem bijvoorbeeld het schoolrapport van Jacobus Valk (`klasse ll') uit doorgangskamp Westerbork. `Zeugnis für Jacobus Valk über das Schuljahr 1943' staat erboven. Hoe had Jacobus het ervan afgebracht? Niet geweldig, helaas. Voor `Fleiss' had hij maar een 5, evenals voor `Deutsch'. Het is kennelijk een tussenrapport geweest, want er staat een regel onder die Jacobus een open toekomst lijkt te bieden, omdat de invulling nog moet volgen: ,,Der Schüler hat das Klassenziel...erreicht und wird nach Klasse...versetzt.''

Als Jacobus maar goed zijn best deed, zou het nog wel allemaal goed komen.

Sommige zondagspoëzie maakt meer indruk dan de mooiste poëzie van grote dichters. Ook daarvan zijn op deze expositie enkele gave voorbeelden te vinden. Ik heb ze ijverig, zeg maar rustig fleissig, overgeschreven.

Ze gaan over Rosalie Setters, een meisje dat op 7-jarige leeftijd zonder haar ouders moest onderduiken bij de familie Dinkhuijsen. Haar schuilnaam was `Jopie Goedhart'. In februari 1945 schreef een oudere onderduikster op hetzelfde adres, luisterend naar de schuilnaam Annie Jansonius, het volgende gedichtje voor haar lotgenootje Rosalie.

,,Lieve Jopie In de duistere wereld/ vol van schrijnend leed/ kan je ieder troosten/ zonder dat je het weet/ vriendelijke gedachten/ daden stil en zacht/ woorden vol liefde/ hebben groote macht. Ter herinnnering aan een winter van 1945, Annie Jansonius.''

Het gedicht staat in het poëziealbum van `Jopie' dat bewaard is gebleven en in een van de vitrines op de expositie ligt. Daarin ook het roerende gedicht dat de ouders van Rosalie schreven nadat de oorlog was afgelopen. Rosalie had het overleefd, ze mochten haar ophalen op het onderduikadres bij `tante Loes'.

,,De oorlog is over, ons leed is voorbij/ Wij kregen ons kind weer/ Wij zijn nu weer vrij!!/ Véél is nog te dragen door duizenden menschen/ Ontelbaar zijn nog de hartgrondigste wenschen/ Maar voor ons bleef het grootste Geluk gespaard/ Door tante Loes heeft God ons Kind bewaard/ Van 26 juni 1943 tot 7 mei 1945 waren wij gescheiden/ Onzegbaar was dien tijd ons lijden/ Maar de zegen ons gegeven/ Mochten wij geduldig overleven/ Dánk aan tante Loes, Dánk aan God/ Die in handen namen Rosie's lot/ Mijn lieve kind, ik hoop van harte/ Dat je gespaard wordt voor verdere smarten/ Leef gelukkig en tevreden/ God met jou!/ Dat is jouw ouders bede.''

Wij en ons de ouders beseften dat die woordjes schreeuwden om accentuering.