Euthanasie alleen bij begin van dementie

Terecht schrijft Mensing van Charante geen gevecht te willen aangaan om een dodelijke injectie te geven aan een dement geworden patiënt die niet meer begrijpt wat er gebeurt, maar vroeger schriftelijk heeft verklaard euthanasie te wensen (NRC Handelsblad, 8 november). Toch haalt hij hier twee dingen door elkaar, namelijk de betekenis van de schriftelijke wilsverklaring en de inwilliging ervan.

Met het schriftelijk verzoek van betrokkene is niets mis. Dat is juist opgesteld voor het geval hij niet meer mondeling om een waardige dood kan vragen. De Tweede Kamer is het er in grote meerderheid mee eens dat in de komende euthanasiewet een schriftelijke wilsverklaring in die situatie wordt gelijkgesteld met een vrijwillig en weloverwogen mondeling verzoek. Het blijft echter te wensen dat de tekst van het betrokken wetsartikel ook zo komt te luiden. Het zou de ministers van VWS en Justitie of de Tweede Kamer sieren, als zij de voorgestelde tekst van dat artikel alsnog in bovengenoemde zin wijzigen. Nu staat er slechts dat de arts in die omstandigheden aan een schriftelijk verzoek kan voldoen (dus niet: moet voldoen). Daar is echter geen wet voor nodig, want dat men aan een verzoek kan voldoen, geldt voor elk verzoek. Zou de voorgestelde tekst onveranderd blijven, dan moet de veel ruimere bedoeling ervan uit de parlementaire stukken worden gehaald. Wie, en met name welke arts, zal zo diep spitten? De beoogde wettelijke status van de schriftelijke wilsverklaring komt dan in de praktijk onvoldoende uit de verf.

Het echte probleem van euthanasie bij een dement geworden verzoeker met een schriftelijke wilsverklaring is het bepalen van het moment waarop aan zijn doodswens gevolg zou worden gegeven. Dat kan alléén zolang tijdens het dementeringsproces nog heldere perioden zijn. Dan kan namelijk wèl gevraagd worden of hij nog steeds euthanasie wenst. Bovendien levert de vraag of een demente persoon wel lijdt (de deskundigen zijn het daar niet over eens) dan evenmin problemen op. In een uitspraak uit 1984 heeft de Hoge Raad gezegd dat ondraaglijk lijden ook kan bestaan uit vrees voor verdere ontluistering of om niet meer waardig te kunnen sterven. Zolang nog communicatie mogelijk is, kan betrokkene gevraagd worden of hij die vrees heeft. Blijkt ook dat het geval, dan is aan de eis van een vrijwillig en weloverwogen verzoek (de schriftelijke wilsverklaring bewijst dat hij al eerder goed over zijn levenseinde heeft nagedacht) voldaan, evenals aan de eis van een ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Maar als die fase eenmaal voorbij is, lijkt ook de mogelijkheid van euthanasie voorbij.

Mij zijn twee gevallen van euthanasie in een beginnend dementeringsproces bekend. Het ene speelde in Twente, is in 1999 in de publiciteit gekomen maar was van oudere datum. Het andere dateert uit omstreeks 1990 in het arrondissement Alkmaar, toen ik daar hoofdofficier van justitie was, en is onopgemerkt gebleven. De Vergadering van procureurs-generaal heeft ook toen ingestemd met het niet-vervolgen van de euthanaserend huisarts, omdat aan alle zorgvuldigheidseisen was voldaan. Op het punt van wilsverklaring en dementie zal de komende euthanasiewet dus niets nieuws brengen.

A.N.A. Josephus Jitta is bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwilige Euthanasie