De rekenkundige finale

Een deel van Bill Clintons politieke erfenis bestaat uit haat. Er is iets in zijn persoonlijkheid, gedrag, voorkomen dat zijn tegenstanders wild van woede maakt en veel van zijn partijgenoten tot voorzichtigheid en afstand bewaren brengt. Dat is de character issue, een uitdrukking die we niet eenvoudig als `een kwestie van karakter' kunnen vertalen. `Karakter' heeft er wel mee te maken, maar het is meer. Het hoort tot de primitiever aandriften van sympathie en antipathie, de onmiddellijke reactie waarvan honden op straat een demonstratie geven. In het geval van de scheidende president was dat al duidelijk bij de voorverkiezingen die aan zijn eerste nominatie voorafgingen. Hij werd ervan beschuldigd als student marihuana te hebben gerookt. Hij gaf het toe. Maar, zei hij, en sprak het legendarisch geworden `I didn't inhale'. Toen kwam de Whitewater-affaire, de verkoop van een stuk grond waarbij de Clintons een dubieuze rol zouden hebben gespeeld. Al vlug dienden zich ook de eerste ex-minnaressen aan. Misschien heeft Amerika presidenten gehad die zich buiten werktijd nog meer veroorloofden J.F.Kennedy en Warren Harding konden er ook wat van maar de publiciteit was minder gevorderd dan nu.

Clinton wekte bij degenen die er gevoelig voor waren al afkeer door zijn persoonlijkheid. Vervolgens heeft hij vrijwel niets nagelaten om de haat te bevorderen. Het ergste, datgene wat hem voor zijn tegenstanders onverteerbaar maakte, was dat hij alle onthullingen en politieke tegenslagen overleefde. In 1992 werd het in de laatste fase van de campagne George Bush, vader van George W. te machtig. Hij begon te schelden. Clinton schold niet terug, maar bleef minzaam op het belang van de economie wijzen. In 1996 maakte Bob Dole dezelfde fout. ,,Waar blijft de verontwaardiging!'' riep hij wanhopig. Bij wijze van antwoord telden de kiezers hun economische zegeningen.

Newt Gingrich, de Republikeinse Speaker of the House, ontketende de revolutie tegen de arrogantie, de bureaucratie en het centralisme van de federale macht in Washington. In zijn niet aflatende storm van zelfoverschatting `sloot hij de regering' door de geldkraan dicht te draaien. Zijn overmoed keerde zich tegen hem zelf. Zelden is een politieke ster zo snel gedoofd. De Republikeinse partij incasseerde zijn nederlaag.

Na Lewinsky, de leugens op de televisie en het Starr-rapport, leek Clinton uitgeteld. `Just go!' riep The Economist, altijd bereid de wereldregering over te nemen. Hij bleef, en tot onmetelijke woede van zijn vijanden overleefde hij de impeachment. In het decembernummer van Esquire (niet het eerste tijdschrift waarin je een vraaggesprek met de president zou verwachten), zegt hij dat hij voor de impeachment verontschuldigingen verwacht. Op het omslag staat een foto van de onkwetsbare. Hij zit wijdbeens op een stoeltje, lacht minzaam. Hij tart. Hij lacht om de haat van zijn vijanden. Dat maakt ze nog bozer.

De paradox van acht jaar Clinton is dat Amerika, hoewel verenigd in groter welvaart dan ooit, in politiek opzicht scherper verdeeld is. De Republikeinen snakken naar revanche op de partij van een president die ze haten en verachten. Dat is niet de enige, maar wel een zeer belangrijke achtergrond van de stemmentellerij en de juridische gevechten die nu aan de gang zijn. Het gaat in dit stadium ver als in een vendetta. Mocht Gore zijn meerderheid van dertig of vijfhonderdtien stemmen halen, dan zou, naar het voorstel van Bob Dole en nog een paar belangrijke Republikeinen, hun partij de inauguratie van de nieuwe president moeten boycotten. In de Republikeinse partij heeft de uiterst conservatieve vleugel traditioneel meer invloed, dan `liberal' bij de Democraten. Het Democratisch midden, zeker na acht jaar Clinton, hoort meer tot het centrum dan dat van de Republikeinen.

Dit zou onder president Gore betekenen dat de gematigde Republikeinen in het Congres al gauw de gevangenen van hun extreme partijgenoten zouden zijn. De gang van zaken in de afgelopen week heeft algemeen publiek ongeduld nog meer tot een politieke factor gemaakt, in het nadeel van de Democraten. Hun rekenkundige overwinning zou (hoewel de rekenkundigen altijd het laatste woord hebben) beschouwd worden als een resultaat dat door boekhouders en advocaten is gestolen. Het treffen van een consensus, waar deze verkiezingsuitslag dringend om vraagt, wordt daardoor juist bemoeilijkt. Met Bush in het Witte Huis zou het Republikeinse verlangen naar revanche aanmerkelijk bedaard zijn, wat de nieuwe president meer armslag zou kunnen geven. Daarna is het natuurlijk nog de vraag of hij daarvan gebruik zal willen maken. De verkiezingsuitslag zelf en wat daarop gevolgd is, geven de nieuwe regering meer het karakter van een tweejarig interimbewind, dat bij de tussentijdse verkiezingen in 2002 moet worden bevestigd, dan wel van zijn wankele meerderheid in het Congres wordt beroofd.

Wat kan de rest van de wereld van zo'n half interimbewind verwachten? Naar de courante Europese maatstaven van de `derde weg', het nieuwe democratisch socialisme van de vrije markt, is Bush met zijn hartstocht voor de doodstraf en zijn sociale inzichten, een uitgesproken reactionair, en in de internationale politiek een beginneling. Maar deze maatstaven zijn de Amerikaanse niet. Als de amateur niet eigenwijs is, omringt hij zich met adviseurs. In zijn macht en welvaart kan Amerika zich veel veroorloven, en daarmee zou Europa moeten leren leven.

Florida is het centrum van een binnenlands probleem, het volgende spektakel. In Palm Beach zijn bustochten georganiseerd voor mensen die het historisch stemmen tellen willen `meemaken'. In de acht jaar van Clinton is het land wel veel rijker geworden, maar de burgerij, getrakteerd op schandaal na schandaal, niet dichter bij de politiek betrokken. Het miljoenenbedrijf van de campagnes, de ondoorzichtigheid van fund raising maakt bij alle verkiezingen het wantrouwen groter. Deze rekenkundige finale in Florida kunnen we ook zien als een nieuw bedrijf in een lang drama: de afbraak van wat de Founding Fathers met democratie bedoelden.