`Vliegtuigbouw vereist subsidie'

De Nederlandse vliegtuigindustrie herstelt van het faillissement van Fokker. De markt trekt aan, maar om mee te blijven doen is meer overheidssteun nodig, zegt het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart.

In de vliegtuigbouw geldt: hoe beter het gaat, hoe meer geld betrokken bedrijven nodig hebben. Onderzoek en ontwikkeling van materialen voor grote en regionale verkeersvliegtuigen, onbemande toestellen, zakenvliegtuigen, luchttaxi's, zweefvliegtuigen en luchtschepen kost tijd en vooral veel geld. ,,Met de ontwikkeling van bepaalde materialen is twintig jaar geleden begonnen. Je moet zeker weten dat ze veilig zijn bijvoorbeeld. Daar gaan vele miljoenen inzitten, zonder dat je weet of ze ooit worden gebruikt.''

Ben Droste, voorzitter van het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart, geeft in zijn kantoor in Delft uitleg bij het beleidsadvies dat zijn NIVR op uitnodiging van het ministerie van Economische Zaken opstelde. Hij wijst op het dak en een deel van de romp van het nieuwe A3xx-toestel van Airbus die mogelijk worden gemaakt van glare, een lichte en sterke combinatie van kunststof en aluminium. Als in januari of februari in Toulouse wordt beslist dat de Airbus in productie gaat, zal het NIVR al zijn geld nodig hebben voor projecten die hieruit voortvloeien. Of een Nederlands bedrijf de glare-onderdelen mag maken is nog onduidelijk. ,,Dat is ook een stuk onderhandelingstechniek.'' Het NIVR, een semi-overheidsinstelling die de overheid van advies dient en de subsidies voor toeleveranciers in de vliegtuigbouw beheert, adviseert de minister nu op meer paarden te wedden dan alleen Airbus.

In 1997, even na de ondergang van Fokker, stelde Economische Zaken 320 miljoen gulden ter beschikking waardoor bedrijven mee konden doen aan de ontwikkeling van onderdelen van de A3xx. De luchtvaart stagneerde, de dollar was nog maar anderhalve gulden waard en Airbus had in die tijd een hoge symbolische waarde: jong, innovatief en veelbelovend.

Drie jaar later is de situatie veranderd, stelt Droste, mede door de overheidssteun. De wereldmarkt voor vliegtuignieuwbouw zal binnen tien tot twintig jaar verdubbelen naar zo'n 75 miljard dollar – dollars die inmiddels boven de tweeënhalve gulden zijn gestegen. ,,Ter vergelijking: van de Fokker-70 zijn 43 toestellen gebouwd. Tweedehands brengen ze nu aanzienlijk meer op dan dat ze toen nieuw waard waren.''

Vliegtuigen worden niet meer gebouwd in Nederland, maar diverse lokale ondernemingen die toeleverancier zijn van bouwers van vliegtuigen en motoren daarvoor krijgen weer opdrachten. Betrokken bedrijven, waaronder de voormalige Fokker-afdelingen die nu deel uitmaken van machinefabriek Stork, kunststoffabrikant Ten Cate en Philips Machine Fabrieken, zijn deels aangewezen op overheidssubsidies. Want projecten in de vliegtuigindustrie zijn vrijwel zonder uitzondering zeer kennis- en kapitaalintensief. Het NIVR kan volgens Droste slechts de helft honoreren van de ingediende projectaanvragen.

De meeste toeleveranciers zijn klein tot middelgroot. Om in te spelen op de sterke groei van de markt schat het NIVR in dat de bedrijven jaarlijks 10 procent in onderzoek moeten investeren. De omzet van de toeleveranciers kan zo jaarlijks met 10 procent groeien tot 2,4 miljard gulden in 2005.

Droste: ,,Voor sommige bedrijven geldt dat, als het overheidsgeld er niet komt, ze zich misschien niet kunnen handhaven.'' Daarbij onderstreept hij dat de steun alleen bij gezonde bedrijven met sterke posities terechtkomt.

De Nederlandse luchtvaartindustrie heeft nooit zonder overheidssteun gekund, maar dat geldt ook voor de buitenlandse bedrijven, zegt Droste. In het beleidsadvies aan de overheid meldt het NIVR de omvang van de staatssteun in andere Europese landen, Canada en de Verenigde Staten. Volgens Droste is er geen sprake van eerlijke concurrentie en is overheidssteun ook daarom van belang.

Volgens Europese richtlijnen mogen bedrijven de overheidsbijdrages uitsluitend koppelen aan onderzoek en ontwikkeling. De ondernemingen en kennisinstituten moeten iedere drie maanden aan het NIVR verantwoorden waar ze het geld aan besteden.

    • Esther Rosenberg