Terug naar de antieke idee van wilsdood

Door het vonnis wordt `een grens overschreden', wat leidt tot zelfbeschikkingsrecht voor de patiënt.'' Dit schrikbeeld brengt het openbaar ministerie ertoe om in beroep te gaan tegen uitspraak van de Haarlemse rechtbank in de zaak tegen huisarts F. Sutorius. Hij werd op 30 oktober ontslagen van rechtsvervolging voor de hulp die hij in 1998 gaf aan E. Brongersma. Sutorius had – anders dan Chabot indertijd – de juiste procedure gevolgd door andere deskundigen in te schakelen. Dezen gaven hem de gewenste dekking. Zij deelden zijn conclusie dat er sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Dit lijden was niet lichamelijk van aard en evenmin psychisch in de enge zin van het woord (zoals bij de vrouw die door Chabot aan de middelen tot levensbeëindiging werd geholpen).

Via een ingenieuze redenering heeft de rechtbank aan Brongersma toch zijn wettelijk vereiste portie ellende toebedeeld: hij `leed aan het leven'. Het zou een fraai grafschrift kunnen zijn. Dergelijke epitafen kwamen in de oudheid voor. Een zekere Pomponius Bassulus verklaart in zijn grafschrift dat het leven hem was gaan tegenstaan. Het Latijn heeft daarvoor een vakterm, taedium vitae (weerzin tegen het leven). De uitdrukking komt bijvoorbeeld voor in de uitspraken van gezaghebbende rechtskundigen. Zij vragen zich af wat het betekent als een beschuldigde zich tijdens de procesgang `uit het leven leidt'.Is zo'n zelfdoding een impliciete schuldbekentenis? Alleen in dit specifieke geval bemoeit het antieke recht zich met zelfdoding. Er was geen sprake van dat de daad als `zelfmoord' strafbaar werd gesteld zoals dat in het Engelse recht tot 1961 gold. De belangstelling van de juristen beperkte zich tot het geval van de aangeklaagde die zich doodde. De kwestie was niet zonder materieel belang. Bij een schuldigverklaring volgde doorgaans de confiscatie van goederen. De juridische autoriteiten van wie de uitspraken in het Corpus Civile bijeengebracht zijn, vinden dat de rechter wel buitengewoon zeker van zijn zaak moet zijn. Alleen als er geen sprake kan zijn van een goed motief, mag hij uitgaan van een kwaad geweten, mala conscientia. Als iemand zich heeft gedood uit schaamte, ondraaglijk lichamelijk lijden, als demonstratie van zijn filosofische overtuiging of uit taedium vitae, moet de rechter zich terugtrekken.

De antieke staat is geen zedenmeester. Hij respecteert in principe het recht van het individu het leven in eigen hand te nemen. Niet voor niets kennen Grieks en Latijn geen woorden met de sinistere klank van `zelfmoord'. Suicida is een nieuwvorming, die pas in 1177 door een christelijk schrijver werd bedacht. Hiermee wilde hij een halt toeroepen aan de verheerlijking van sommige antieke filosofen, zoals Seneca. Deze Stoïcus was erger dan een broedermoordenaar, een fratricida. Hij was een suicida. Dit neologisme gaf perfect uitdrukking aan de christelijke veroordeling van zelfdoding. Augustinus had het taboe scherp verwoord: ,,Wie zichzelf doodt, is een moordenaar.'' (Qui se ipse occidit, homicida est). Grieken en Romeinen spraken van `wilsdood', in het Latijn mors voluntaria.

Niet alleen de rechter had terug te treden, ook de antieke arts had geen speciale bevoegdheid bij een wilsdood. In zijn artseneed had hij slechts gezworen zich niet te lenen voor gifmoord. Hij kon dus zonder morele bedenkingen zijn medische expertise ter beschikking stellen als een zelfdoder assistentie nodig had. Artsen sneden dan ook de aderen aan of verstrekten doeltreffend vergif, het liefst het schierlingsap waarmee Sokrates zich uit het leven had moeten leiden. Zo kreeg de zelfdoding een filosofische allure.

Antieke artsen waren niet meer dan de instrumenten van hun opdrachtgever. Zij werden ingeschakeld omdat zij nu eenmaal een speciale kunde, een technè, beheersten. Ze konden weigeren een geval aan te nemen als ze er geen gat in zagen. Ook van de loodgieter verwachten we dat hij een uitzichtloze reparatie weigert. Hogere ethische eisen stellen we aan deze vakman niet.

Waarom is de moderne arts tot biechtvader gemaakt? Natuurlijk wil de artsenorganisatie KNMG de priesterlijke status van de medici handhaven. Zij wenst niet dat de dokter wordt gereduceerd tot een `doorgeefluik voor zelfdoding'. Volgens de bestaande regelingen inzake euthanasie is het aan hem om uit te maken of een lijden ondraaglijk en uitzichtloos is. Terecht nam de Haarlemse rechtbank als uitgangspunt ,,de mate waarin het lijden wordt ervaren door de betrokkene zelf''. Maar waarom moet er met alle geweld sprake zijn van lijden? Het is menswaardiger eenvoudig de doodswil van de betrokkene te respecteren. Het zou het fraaist zijn als de zelfdoder anderen niet medeplichtig hoefde te maken. Maar niet iedereen is in staat zich bijvoorbeeld door onthouding van voedsel uit het leven te leiden.

De ethische manipulaties met euthanasie zijn niet meer dan een tussenstadium in de afbraak van het zelfmoordtaboe, dat de christelijke wereld zo'n 1500 jaar in zijn ban heeft gehouden. Het is nu de postchristelijke tijd om terug te keren naar de antieke idee van de wilsdood.

Anton van Hooff is classicus en lid van de adviesraad van de Stichting Vrijwilig Leven.