Schone handen snel vuil in Indonesië

Bestrijding van corruptie staat hoog op de agenda van de Indonesische president Wahid, maar de hindernissen zijn legio. Bestraffing van malversaties uit de Soeharto-tijd stuit op weerstanden in het ambtelijke en justitiële apparaat. Wahid zelf verwacht meer van onderhandelingen dan van rechtszaken.

Bij de installatie van zijn eerste kabinet, op 29 oktober vorig jaar, hield de Indonesische president Abdurrahman Wahid een kort toespraakje. ,,Veel succes'', zei hij tegen zijn zojuist beëdigde ministers, ,,maar voorzichtig, want succes is ook gevaarlijk. Als er de komende vijf jaar iemand van u op het matje wordt geroepen door de procureur-generaal, dan is het beter dat diegene zijn ambt neerlegt.'' Wahid wenste bewindslieden met schone handen. In de Letter of Intent die de regering in januari tekende met het Internationale Monetaire Fonds (IMF) stond corruptiebestrijding bovenaan de lijst met prioriteiten.

Wahid en de zijnen namen van de studenten die president Soeharto in mei 1998 tot aftreden dwongen deze leuze over: `KKN moet worden uitgeroeid'. KKN is de Indonesische afkorting voor `corruptie, handjeklap en nepotisme'. Deze praktijken hebben in de loop van tientallen jaren zo diep wortel geschoten in de Indonesische samenleving dat `uitroeien' niets minder betekent dan een culturele revolutie.

Corruptie tierde al welig onder het bewind van president Soekarno, die in 1957 met de naasting van Nederlandse oliemaatschappijen, plantages, banken, verzekeringsmaatschappijen en scheepvaartlijnen een reusachtige publieke sector schiep en daarmee een goed gevulde ruif voor ambtenaren en politici.

Onder Soekarno's opvolger, generaal Soeharto, waren de bureaucratie en het (overwegend Chinese) bedrijfsleven als twee gevouwen handen. Ondernemers waren aangewezen op de gunst van bureaucraten, politici en militairen. Voor letterlijk alles: leningen, concessies, vergunningen en arbeidsrust. Ministers, generaals en ambtenaren vulden met deze duur betaalde diensten aan het zakenleven hun karige salaris aan. Kredieten van staatsbanken waren slechts verkrijgbaar in ruil voor kick backs aan behulpzame functionarissen. Bij de verstrekking van leningen was de kredietwaardigheid van aanvrager of project minder belangrijk dan het `aandeel' voor de bankfunctionaris. Dit patroon heet in hedendaags Indonesisch kolusi (van het Engelse collusion), handjeklap.

Iedereen speelde het spel mee, ook het buitenland. Donoren knepen een oogje dicht en Indonesië boekte de leningen als inkomsten op de aldus steeds sluitend ogende begrotingen. Buitenlandse investeerders gunden voor een profijtelijk project graag een aandeel aan een minister of Soeharto-telg.

Ook de rechterlijke macht deed mee. Procederen gold als futiel als men de rechter niet kon betalen, want de hoogste bieder won steevast het proces. Bij de Hoge Raad, 's lands hoogste rechtscollege, waren voor onwelgevallige uitspraken tegen exorbitante bedragen cassatiebesluiten te koop. Een enkele econoom waarschuwde dat een en ander de volkshuishouding op hoge kosten joeg en de schuldenlast gevaarlijk deed oplopen, maar de meerderheid zweeg, want zat gevangen in een web van medeplichtigheid.

In het najaar van 1997 spatte de luchtbel uiteen. Grote particuliere debiteuren bleken niet meer solvabel, het vertrouwen in de roepia verdampte en de koers kelderde. Die val werd nog versneld door een massale kapitaalvlucht; naar schatting 80 miljard Amerikaanse dollars van Indonesische ondernemers – vaak van Chinese afkomst – verdwenen naar Singapore of Hongkong. Spaarders ondernamen in paniek een stormloop op de banken, wat deze in een acute liquiditeitscrisis stortte. In december 1997 gaf president Soeharto Bank Indonesia (BI), de centrale bank, toestemming voor een reddingsoperatie in de vorm van liquiditeitssteun aan 48 particuliere en staatsbanken. Een half jaar later was hij president af, maar de staat kreunt nog steeds onder deze erfenis.

In juli van dit jaar deed de Nationale Rekenkamer (BPK) verslag van een accountantsonderzoek naar de afwikkeling van deze liquiditeitskredieten (BLBI). De BPK kwam tot de verbluffende conclusie dat van de 144 triljoen roepia (ongeveer 40 miljard gulden) aan in 1997 en daarna verleende BLBI's liefst 138 triljoen, dat is 96 procent, nooit is terugbetaald aan de centrale bank. Een derde van het geld zou voor oneigenlijke doeleinden zijn gebruikt. Een van de begunstigden, Bank Bali, maakte vorig jaar 80 miljoen dollar over aan een onderneming waarvan de eigenaren nauwe banden onderhielden met B.J. Habibie. Die volgde Soeharto in mei 1998 op als president, wilde graag aanblijven en had dringend geld nodig voor zijn verkiezingscampagne.

Was dit BLBI-geld benut om aan de spaarders hun tegoeden uit te betalen, dan was het op den duur teruggevloeid naar het nationale bankwezen, maar het merendeel is waarschijnlijk op buitenlandse rekeningen gestort. Boze tongen beweren dat het geld is geparkeerd om de door de staat in 1998 – met de schulden – overgenomen activa van banken in nood in de toekomst voor een appel en een ei terug te kopen. De Rekenkamer stelt vast dat ,,de controlemechanismen van de centrale bank niet functioneren'' en dat is een mild oordeel over dit ongekende schandaal. De gouverneur van de centrale bank heeft, hangende het gerechtelijk onderzoek in de Bank Bali-affaire, enkele maanden vastgezeten en heeft intussen huisarrest. Dit weekeinde traden de waarnemend gouverneur, Anwar Nasution, en vier vice-gouverneurs af omdat de centrale bank sinds de BLBI-affaire ,,het vertrouwen van regering, parlement en publiek heeft verloren''.

President Wahid is nu ruim een jaar in functie en ligt onder vuur van het IMF en van het Indonesische parlement. Met name de vervolging van grote malversaties uit de Soeharto-periode en van onwillige debiteuren met grote schulden aan de staat zou te lang duren. De justitiële molens draaien langzaam en lopen regelmatig vast. De zakenman Djoko S. Tjandra, hoofdverdachte in het Bank Bali-schandaal, werd vrijgesproken omdat het openbaar ministerie volgens de rechter geen strafzaak, maar een civiele zaak had moeten aanspannen. Tommy Soeharto, de jongste zoon van de oud-president en inmiddels multimiljonair, werd voor een frauduleuze grondtransactie tweemaal vrijgesproken en uiteindelijk door de Hoge Raad veroordeeld tot 18 maanden. Nadat Wahid zijn gratieverzoek had geweigerd, dook Tommy onder en hij is tot op heden spoorloos. De zaak die de procureur-generaal wegens corruptie en machtsmisbruik had aangespannen tegen Soeharto senior, het pièce de résistance van de anti-corruptiecampagne, strandde eveneens in de rechtszaal. De oude heer zou lichamelijk te zwak zijn om terecht te staan. De verduisteringszaak tegen `houtkoning' Bob Hasan, boezemvriend en zakenpartner van Soeharto, loopt nog. Tot nu toe is nog geen enkele `grote vis' bestraft. Het is niet duidelijk of de vormfouten die zijn gemaakt door het OM moeten worden toegeschreven aan incompetentie of aan de onwil van Soeharto-loyalisten in het apparaat.

Onder Wahid is de zittende magistratuur flink door elkaar geschud; hoofdstedelijke rechters werden naar de provincie gestuurd en vervangen door confraters uit buitengewesten als Lombok. Wahid benoemde onlangs 16 nieuwe leden voor de Hoge Raad, onder wie professoren en advocaten. Toch laat de president regelmatig merken dat hij op de korte termijn niet veel verwacht van het juridische anticorruptiespoor. Onlangs zei hij in Qatar tegen secretaris-generaal Kofi Annan van de VN: ,,Voor wetshandhaving in de ware zins des woord moeten we in Indonesië mikken op de lange termijn.''

Wahid betwijfelt ook of de familie Soeharto via de rechter gedwongen kan worden zijn ten koste van de staat vergaarde vermogen terug te geven. ,,Als we alleen de rechtbank inschakelen, gebeurt het nooit en trekken banken in het Westen aan het langste eind'', zei hij dit voorjaar. De president, een gewezen activist, ziet meer in een combinatie van druk – demonstraties en dreiging met processen – en onderhandelingen. Zijn jongste informele ontmoetingen met leden van de familie-Soeharto moeten in dit licht worden gezien. Menig journalist en parlementslid legt dit uit als een nieuwe vorm van handjeklap.

Die verdenking is toegenomen sinds Wahid vorige maand besloot om de vervolging van drie Indonesische tycoons, die hun megaschulden aan de staat nog steeds niet hebben afgelost, voor onbepaalde tijd uit te stellen ,,gezien hun belang voor de nationale economie''. Kranten en politici repten van `KKN nieuwe stijl' en suggereerden dat Wahid zich op deze manier een `geldautomaat' verschaft.

De regering-Wahid heeft van het vorige bewind niet alleen enorme schulden en corruptieverliezen geërfd, maar ook een ambtenarenapparaat dat deze verliezen ooit heeft veroorzaakt en zijn posten dankt aan het ancien régime. In zijn jongste halfjaarrapport meldde de Rekenkamer dat de staat – nog afgezien van de BLBI-kredieten – in de eerste zes maanden van het lopende begrotingsjaar verliezen heeft geleden ten gevolge van ,,lekkage en inefficiëntie'' ten bedrage van 16,5 triljoen roepia (4,5 miljard gulden). BPK-voorzitter Satrio `Billy' Joedono: ,,Het controlemechanisme van de regering is nog steeds zwak. De regering van Wahid is nieuw, maar de mensen onder hem zijn nog die van vroeger.'' De president heeft, aldus zijn voorlichter Wimar Witoelar in een openhartige bui, ,,alleen controle over kabinetsleden en topambtenaren; alle echelons daaronder onttrekken zich aan zijn invloed''.

Rest de politiek brisante vraag of de financiële handel en wandel van de president zelf door de beugel kan. Wahid (60) heeft geen carrière gemaakt in het openbaar bestuur of de bureaucratie, maar stamt uit de Nahdlatul Ulama (NU), een traditionalistische moslimbeweging met een miljoenenaanhang, die wortelt op het platteland van Oost- en Midden-Java. In dat milieu genieten de kiai, schriftgeleerden met een eigen internaat (pesantren), een charismatisch gezag. Wie zo'n internaat bezoekt, kan zien hoe de kiai, informeel gezeten op een mat, gasten ontvangt. Zij kussen hem de handen en laten vaak wat bankbiljetten in zijn gewaad glijden. Die giften zijn zowel een eerbewijs aan de meester als een bijdrage aan de pesantren-gemeenschap. De gevers maken geen onderscheid tussen het belang van de leraar en dat van zijn leerlingen.

Dat Kiai Haji Abdurrahman Wahid ook moeite heeft met het onderscheid tussen openbare en privé-middelen blijkt wel uit de informele manier waarop hij het afgelopen jaar fondsen wierf voor de publieke zaak. Zo wist hij de schatrijke sultan van Brunei, Hassanal Bolkiah, begin dit jaar te bewegen tot een gift van 16 miljard roepia (bijna 4 miljoen gulden) aan islamitische hulporganisaties in Atjeh, als bijdrage aan de pacificering van deze rebelse provincie. Het bedrag werd overgemaakt op de rekening van Haji Masnuh, een zakenman en penningmeester van de NU. De waarnemend gouverneur van Atjeh zei vorige week tegen de parlementscommissie die een onderzoek instelt naar deze affaire, die al bekend staat als `Bruneigate', dat inmiddels 3 miljard roepia zijn overgemaakt aan een Atjehse NGO, buiten de provinciale begroting om.

Gezien het relatief grote aantal NU-mensen dat Bina Graha, het presidentiële werkpaleis, en het tweede kabinet-Wahid bevolkt, lijkt de president alleen vertrouwen te stellen in gelijkgezinden. Zozeer dat boosaardige columnisten de gewraakte afkorting `KKN' tegenwoordig vertalen als `kawan-kawan NU', de `maatjes uit de NU'. Het hardnekkige gerucht gaat dat menige kiai geld opstrijkt voor bemiddeling bij een audiëntie met Wahid. Die vergeleek zijn eigen NU ooit met een moskee: ,,Er zijn er die komen om God te zoeken en Hem vergeving te vragen. Er zijn er ook die komen om de sandalen van de gelovigen te stelen''.